Een half mud kolen

Ik kwam het halfvergeten woord twee keer kort achter elkaar tegen, beide keren in de wonderbaarlijke hoofdstukken over Amsterdam in oorlogstijd in de al even wonderbaarlijke Nescio-biografie van Lieneke Frerichs.  

 

In oktober 1944 – er is dan geen gas en elektra meer, de Nescio’s koken alles op het fornuis en zitten daarna in ‘de keuken bij een kaars in de rest van de warmte en gaan om negen uur naar bed’ – gaat het om de zending van ‘een half mud aardappelen’, af te halen bij Steiger 3, de Ruyterkade Amsterdam. Eerder al, in december 1942, slaagden ze erin ‘drie mud antraciet’ te bemachtigen, waarmee ze hopen de winter uit te komen. 

Verdomd, dacht ik toen dat las, kolen gingen per mud. En in één klap zag ik het weer voor me: de kolenkar die de straat inreed, bemand door enorme kolengruiszwarte mannen met spierwitte ogen, de achterbak vol hoog opgetaste juten zakken met kolen, eentjes, tweetje en drietjes, eierkolen en antraciet.  

Wij hadden een kolenkelder, dat was voor de kolensjouwers een makkie, maar verderop in de straat lagen de kolen op zolder, en daar moesten de zakken dus vier trappen op. Vier trappen met een half mud kolen op je rug. Ik wist niet meer hoeveel het was, een mud, ik dacht honderd kilo. Het bleek vijfenzeventig kilo. Dat viel dus mee, maar het blijft 37 en een halve kilo per juten zak, en die vier trappen werden er onderweg geen drie.  

Met de komst van het aardgas verdwenen de kolen, en daarmee hun mud, maar het woord sudderde in een andere betekenis nog een tijdje door. U kunt het tegenkomen in Gerard Reve’s onsterfelijke Veertien Etsen Van Frank Lodewijk Pannekoek Voor Arbeiders Verklaard: ‘”Ik had net een paar etsjes verkocht en een meiertje gevangen, of misschien nog wel meer geloof ik,” begon hij, zich weer eens bedienend van zijn oud-boergondies, bijgelovig getalstelsel van knaken, joetjes, geeltjes, meiers of mudjes, en rugjes alias roodjes.’  

Dat was in de tijd dat we nog geld in onze zak hadden: guldens en rijksdaalders die je kon laten rammelen en bankbiljetten waarvan je rolletjes kon maken met een elastiekje er omheen. En iedere munt en ieder biljet had een bijnaam. Met de komst van de euro verloor het geld zijn naam en nu hebben we helemaal geen geld meer, maar een telefoon.  

Met weemoed denk ik terug aan mijn oom die mij als kleine jongen de namen van het geld leerde. ‘Een beissie is een dubbeltje, een heitje een kwartje en een gulden is een piek. En weet je wat een ‘lammetje’ is?’  

Een lammetje bleek een klein schaapje. 

Delen:

Editie:
November
Jaargang:
Rubriek:
Column
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000