Een Gouden Eeuw?

Het Amsterdam Museum zal de term Gouden Eeuw niet meer gebruiken. Het museum wil staan voor “een ‘neutralere’ visie op het verleden, niet gekleurd door een wel heel erg positieve kwalificatie”. Tot aan de minister-president lokte dat reacties uit.

Het Museum meent dat die “positieve kwalificatie” het zicht ontneemt op de negatieve kanten. Dat was vroeger zeker zo, toen straten nog gewoon naar J.P. Coen werden genoemd, maar de donkere kanten van die periode staan inmiddels uitgebreid in het licht, ook in Ons Amsterdam. De welvaart van die Gouden Eeuw werd mede gedragen door een agressieve vorm van kapitalisme die leidde tot gewelddadige veroveringen, onderdrukking en slavernij. Weinigen zien de ‘VOC-mentaliteit’ tegenwoordig nog als iets positiefs.

De vraag is natuurlijk of het niet meer gebruiken van de term ‘Gouden Eeuw’ ook echt een bijdrage levert aan de betrokkenheid van andere, nieuwe groepen in de samenleving bij de Nederlandse geschiedenis. Maakt het werkelijk iets uit, hoe zo’n periode genoemd wordt? Is het misschien beter ze ‘jaren van lood’ te noemen? Was die periode dan niet ook een tijd van grote voorspoed, welvaart, culturele, wetenschappelijke bloei? In 1941 schreef de historicus Johan Huizinga: “Als ons bloeitijdperk een naam moet hebben, laat het dan zijn naar hout en staal, pik en teer, verf en inkt, durf en vroomheid, geest en fantazie.”

Daar zit wel iets tussen. “De eeuw van geest en fantazie” lijkt ons geschikt. De filosoof Descartes kon in de 17de-eeuwse Republiek zonder vrees voor vervolging werken, schrijven én publiceren. “In welk ander land kan men genieten van een zo totale vrijheid?”, vroeg hij. 

In die zin was die eeuw werkelijk uitzonderlijk. Of je dat wel of niet met goud moet bekronen is eigenlijk bijzaak.

Delen: