Een fris nieuw stuk Amsterdam: Het Schip van Slebos

‘Een plasje doen’: dat betekende een rondje lopen om de Sloterplas in Nieuw-West. In het noordoosten ligt sinds de jaren 1960 het Schip van Slebos: een opvallend strak paviljoen in de nieuwe wijk, dat was bedoeld als recreatieplek voor Amsterdammers.

De Sloterplas is onderdeel van het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP), een ongekend grote stadsuitbreiding uit 1935 waarmee Amsterdam de woningnood probeerde aan te pakken. Het ontwerp kwam van de vooruitstrevende stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren, die als hoofd van de afdeling Stadsontwikkeling een reeks van moderne en ruim opgezette tuinwijken rond Amsterdam wilde aanleggen. Ten westen van Amsterdam waren vier Tuinsteden bedacht: Slotermeer, Slotervaart, Geuzenveld en Osdorp. Tussen deze woonwijken lag de Sloterplas, de oude Sloterdijkermeerpolder die vanaf 1948 werd uitgegraven. De bovenste sliblaag werd gebruikt voor ophoging van het groen rond de plas en de diepe zandlagen voor de bebouwing.  

De recreatieve functie van de plas was echter net zo belangrijk. Er zouden namelijk naast nieuwe bewoners ook Amsterdammers uit de binnenstad naar de plas komen om te recreëren in parken, zwemplekken, volkstuinen, sport- en speelplekken. Deze vermaakfuncties kwamen hoofdzakelijk aan de noordoostelijke zijde van de plas te liggen, het deel dat door de verlengde Jan Evertsenstraat het dichtst bij de oude stad lag. 

De Dienst Publieke Werken zei hier in 1939 over: ‘De Noordelijke oever van het ontworpen meer is de plaats, waar de meeste bezoekers uit de stad deze watervlakte zullen bereiken’.  

De grote verkeersrotonde – een van de eerste in Amsterdam – aan het einde van de Jan Evertsenstraat vormde het scharnierpunt, een overgang tussen de oude stenen stad en de nieuwe flaneerboulevard getooid met monumentale iepen.  

Brug 606 en 607 

Een belangrijke inspiratiebron voor dit deel van de Sloterplas was de Maschsee in het centrum van de Duitse stad Hannover, die eind jaren 1920 werd aangelegd om overtollig water op te vangen en om bewoners van recreatieplekken te voorzien. Vormgeving en inrichting van de Sloterplas kregen mede daardoor extra veel aandacht.  

Het eerste onderdeel van het totaalontwerp bestond uit de twee onopvallende vlakke bruggen 606 en 607 (waarvan de laatste in 2017 is omgedoopt tot de Conny van Rietschotenbrug), die over de Burgemeester Cramergracht voeren en een eenheid vormen met de rotonde en de overige kademuren. De Oostoever zelf werd voorzien van een lagergelegen wilgenlaantje direct aan het water, met zwem- en visgelegenheden.  

Van Eesteren bemoeide zich zelf met deze belangrijke plek. Hij vond dat er een ‘in de plas uitgebouwd bastillon ontworpen moest worden, als overgang naar het meest besloten en smallere parkgebied aan de oostoever’. Dat bastion – als een uitspringend bolwerk in het water – was tot begin jaren 1960 beplant met iepen. 

Na de aanleg van de bruggen, de rotonde en de boulevard kwam hier de blikvanger van het ensemble: een modern, wit paviljoengebouw op een riant terras. Geheel in de traditie van de Dienst Publieke Werken en de brugontwerpen van P. Kramer voor de Tweede Wereldoorlog, stelde de directeur van Publieke Werken J.W. Clerx in 1956 dat deze ruimte ‘in materiaal en kleur haar eigen accent in het geheel moest krijgen’. Bovendien moest het nog prominenter in de ruimte staan door het optrekken van een ‘verticaal element van vrij belangrijke hoogte’, in de vorm van een klokken- en uitzichttoren met een prachtig uitzicht over de plas.  

Stippenterras 

De ontwerper werd architect Dirk Slebos. Deze werkte vanaf 1954 als vormgever van civieltechnische kunstwerken bij de Dienst Publieke Werken in Amsterdam, afdeling Bruggen, Bouwwerken en Waterbouw. In die hoedanigheid ontwierp Slebos in totaal 68 bruggen, brugwachtershuisjes, viaducten en sluiscomplexen. Bekende objecten van hem zijn het wisselwachtershuisje uit 1955 op het plein voor Centraal Station, later verplaatst naar de Museumtramlijn bij het voormalige Haarlemmermeerstation; de behuizing van het Vrijheidscarillon in 1952 dat vanaf 1960 permanent op Plein ’40-’45 kwam te staan en het monumentale bruggencomplex aan het Open Havenfront uit 1964, bestaande uit de Kattenburgerbrug (brug 274) en de Kortjewantsbrug (brug 487).  

Hoewel Slebos de eerste ontwerpen al in de jaren 1950 maakte, werden deze pas medio jaren 1960 uitgevoerd. Het geheel witte paviljoengebouw bestond in de oorspronkelijke toestand uit twee niveaus, met op de begane grond een doorgang die de straat en het terras verbond. Aan de zijkant bevond zich een brede trap naar boven, die uitkwam op een uitkijkterras waar zich oorspronkelijk ook een kleine kiosk bevond.  

Typerend was de strakke en zorgvuldige detaillering en vormgeving, uitgevoerd in een variatie van grijs-, wit- en zwarttinten. Alle kadewanden maakte Slebos van zwarte basaltblokken die hij had afgedekt met witte, betonnen dekplaten. Op het met zwart-witte cirkelvormige tegels bedekte ‘stippenterras’ direct voor het paviljoen plaatste hij drie monumentale lantaarnpalen met elk drie lichtarmaturen. 

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Abonneer je Arrow right Geef cadeau Arrow right
Beeld: Stadsarchief Amsterdam/Arsath Ro'is, J.M.

 

Naoorlogse recreatiearchitectuur 

Ondanks de geringe hoogte valt het krachtige profiel van het paviljoen en terras vanaf de plas gezien onmiddellijk op: het lijkt namelijk op een aangemeerd binnenvaartschip. De kadewal met de witte dekplaten en de brugleuning van roestvrij staal vormen de zijkant, het terras het dek, de lantaarnpalen de masten, en het paviljoen de stuurhut. De achtersteven krijgt extra nadruk door een inpandige trap die naar een ondergelegen aanleg- en vissteiger leidt.  

Het paviljoen zelf werd eigenlijk gebouwd als een stevige basis voor de eerder genoemde uitkijktoren, waarvoor ook Slebos’ laatste ontwerp niet werd uitgevoerd. Interessant is dat de strakke vormgeving van het paviljoen- en torenontwerp lijkt te zijn overgenomen in de traptorens van de achterliggende flatgebouwen van architect Piet Zanstra. Deze werden begin jaren 1960 als een soort scheidingswanden tussen de noordelijke woonwijken van Slotermeer en de Sloterplas geplaatst.  

Net zoals de Rotterdamse Euromast uit 1960 en de Scheveningse Pier van 1961 is het paviljoen van Slebos een goed voorbeeld van naoorlogse recreatiearchitectuur: een fris, strak en nieuw stuk Amsterdam bedoeld om alle stadsbewoners te vermaken. Bij de oplevering begin jaren 1960 verwachtte men dat de boulevard ‘een van de fraaiste elementen in het kader van de moderne stad in West zal verwezenlijken’. 

Eind jaren 1970 werd het boventerras van het paviljoen ingevuld met een café. Na plannen om het paviljoen te integreren met een groot hotel, is het sinds 2021 in gebruik als restaurant. De unieke status en gave staat van het ensemble betekenden dat de gehele Noordoever in 2017 werd aangewezen als gemeentelijk beschermd stadsgezicht, een hoogtepunt in de naoorlogse stedenbouw van Amsterdam. 

Delen:

Buurten:
Nieuw-West
Dossiers:
Architectuur Kunst en Cultuur
Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1950-2000