Een eeuw Museum Het Rembrandthuis: Rembrandt is weer thuis




062011_RembrandthuisZo’n 200.000 bezoekers uit de hele wereld komen jaarlijks naar het Rembrandthuis. Het museum bestaat op 11 juni 100 jaar. Sinds 1998 is het ingericht zoals de beroemde schilder uit de Gouden Eeuw hier geleefd en gewerkt heeft. Het héétte eerst weliswaar Rembrandthuis, maar pas na de historische reconstructie vóélt het ook als Rembrandts huis. Het verleden is tastbaar gemaakt.

TEKST: Mariek Hilhorst
(Ons Amsterdam juni 2011)




Dwalend door de 17de-eeuwse vertrekken van het huis waar Rembrandt van Rijn bijna 20 jaar woonde, waant de bezoeker zich terug in de tijd. Aan de hoge wanden van de woon- en slaapkamer hangen schilderijen, naast de deur is een bedstede. In de ‘groote schildercaemer’ is het atelier, waar gelijkmatig noorderlicht door de glas-in-loodruitjes naar binnen valt. Precies het goede licht voor een schilder. Assistenten maakten Rembrandts verf en prepareerden zijn doeken. En inderdaad staan er potjes met pigmenten, een schaaltje eieren om ze mee te mengen, een weegschaaltje om de juiste hoeveelheden af te meten, vijzels om de ingrediënten fijn te malen. De wapens en gipsafgietsels op planken tegen de muren werden door Rembrandt en zijn leerlingen als voorbeeld gebruikt.
In de ‘kunstcaemer’ bewaarde Rembrandt zijn grote verzameling kunstvoorwerpen en rariteiten. Hij verzamelde schelpen, koralen, gedroogde dieren en wapentuig, vaak afkomstig uit verre streken. Er staan borstbeelden van Romeinse keizers, Venetiaans glaswerk, een wereldbol en een hemelglobe. Ook had hij een zeer kostbare verzameling ‘kunstboecken’, albums met zo’n 8000 losse tekeningen en prenten van beroemde meesters. Behalve een beroemd schilder was Rembrandt ook een uitstekend etser. Volgens de boedelinventaris had hij een eikenhouten pers om zijn etsen af te drukken.
In de keuken was het vuur meestal aan, er werd gekookt en gegeten en de dienstmeid sliep er in de bedstee. De deur naast het aanrecht leidde naar de binnenplaats met een kakhuisje en een overdekte galerij. Daaronder heeft Rembrandt misschien de Nachtwacht geschilderd. Het deurtje naast de schouw stond in verbinding met een steegje dat uitkwam op de Zwanenburgwal.

Deftig nieuwbouwhuis
De 25-jarige Rembrandt van Rijn kwam in 1631 in Amsterdam zijn geluk beproeven als portretschilder. Niet alleen slaagde hij erin behoorlijk veel opdrachten binnen te halen, hij leerde ook andere schilders het vak, onder wie Ferdinand Bol en Govert Flinck. In 1639 kocht hij samen met zijn vrouw Saskia van Uylenburg een deftig huis aan de Sint-Anthonisbreestraat, de latere Jodenbreestraat. Het was niet alleen hun woning, Rembrandt had er ook zijn atelier, kantoor en kunsthandel, waar hij zijn eigen werk verkocht en dat van zijn leerlingen en andere meesters.
Het huis werd gebouwd tussen 1606 en 1607 in wat toen een nieuwbouwwijk in oostelijk Amsterdam was waar veel rijke kooplieden en kunstenaars naartoe trokken. Het woonhuis met trapgevel en twee verdiepingen kreeg in 1627-1628 een extra verdieping en ook een nieuwe voorgevel: een voor die dagen hoogst moderne lijstgevel met een driehoekig fronton. De verbouwing stond waarschijnlijk onder toezicht van Jacob van Campen, de latere architect van het Amsterdamse stadhuis, het huidige Paleis op de Dam.
Rembrandt was op artistiek vlak succesvol, maar op zakelijk gebied had hij minder talent. Hij gaf veel te veel geld uit aan kunst en antiek en werd vanwege zijn gebrek aan tact steeds meer weggeconcurreerd, door onder anderen zijn leerling Govert Flinck, die veel betere connecties had met regentenkringen en het stadhouderlijk hof. Ondanks grote opdrachten liepen zijn schulden hoog op. Ook privé kreeg hij veel tegenslagen te verwerken: in enkele jaren tijd overleden zowel zijn vrouw als drie van de vier kinderen. In 1658 ging hij failliet. Een deel van zijn inboedel werd geveild en hij moest zijn huis verkopen en verhuizen naar een huurwoning op de Rozengracht 184.
Na zijn dood nam de waardering voor zijn werk verder af. Zijn voormalige huis werd in 1660-62 opgevijzeld en in tweeën gesplitst. Tot eind 19de eeuw werd het bewoond door verschillende gezinnen. Het doorstond nog enkele verbouwingen en raakte in steeds slechtere staat.

Nationale held
In de 19e eeuw herleefde de belangstelling voor Rembrandt. Na de Franse overheersing was Nederland economisch en politiek verzwakt. Het in 1813 opgerichte koninkrijk zocht naar een eigen identiteit en de welvarende en succesvolle Gouden Eeuw werd in dat kader verheerlijkt. Beroemde 17de-eeuwers als zeeheld Michiel de Ruyter, dichter Jacob Cats en staatsman Johan de Witt kregen de status van nationale held.
Nadat België zich in 1839 wist af te scheiden, werd Rembrandt aan het rijtje grootheden toegevoegd. Hij moest de leegte opvullen die de beroemde Antwerpse en nu dus Belgische schilder Rubens had achtergelaten, om het gekwetste Nederlandse eergevoel te herstellen. In 1898 had de eerste grote overzichtstentoonstelling van Rembrandts werk plaats. Zijn 300ste geboortejaar werd in 1906 groots gevierd met onder meer een historische optocht door de stad en weer een grote tentoonstelling.
In die periode ontstond ook het idee om Rembrandts geboortehuis aan te kopen. Bankier Pieter van Eeghen, zoon van de stichter van het Vondelpark, was een belangrijk initiatiefnemer van deze actie. De gemeente Amsterdam kocht het bouwvallige pand en droeg het over aan de in 1907 opgerichte Stichting Rembrandthuis.
Toen al wilde een deel van het bestuur Rembrandts voormalige huis zoveel mogelijk terugbrengen in de toestand van midden 17de eeuw. Maar na langdurig geruzie werden alleen de gevel en indeling van het huis in de oorspronkelijke staat teruggebracht, onder meer de kruiskozijnen, de glas-in-lood-ramen en de luiken. Het interieur werd onder leiding van architect K.P.C. de Bazel ingrijpend gerestaureerd volgens een eigentijds ontwerp dat met Rembrandt niets te maken had.
Na de grondige verbouwing werd het Rembrandthuis in juni 1911 geopend als prentenkabinet van tekeningen en etsen van Rembrandt. Initiatiefnemer was schilder en bestuurslid Jan Veth, die zelf de basis van de collectie legde door de kwalitatief beste etsen uit de collectie Lebret-Veth in bruikleen af te staan. De eerste schenkingen lieten niet lang op zich wachten en door de jaren heen bleef de collectie gestaag groeien.

Terug in de oude staat?
Het prentenkabinet trok zoveel bezoekers dat de ruimte op den duur te klein werd. Midden jaren negentig kocht het stichtingsbestuur daarom het naastgelegen perceel om het museum uit te kunnen breiden. Op dat perceel stond het Saskiahuis, een vervallen voormalig Joods textielbedrijf dat eind 19e eeuw gebouwd was. Er ontstond een strijd of het Saskiahuis voor dit doel gerenoveerd zou worden of gesloopt. Uiteindelijk bedacht men een ingenieuze oplossing: het Saskiahuis werd gesloopt en 7,5 meter verder weer opgebouwd met de oorspronkelijke gevel. Zo paste de nieuwbouw van het Rembrandthuis er precies tussen. Het nieuwe pand werd ontworpen door Peter Sas; het ontwerp van de eigentijdse voorgevel is van de architecten Moshé Zwarts en Rein Jansma. Het moest een grotendeels blinde gevel zijn, omdat tentoongestelde etsen en prenten slecht bestand zijn tegen daglicht. De prentencollectie verhuisde in 1998 naar de nieuwe vleugel.
Het oude plan uit 1906 om Rembrandts voormalige huis zoveel mogelijk in oude staat terug te brengen, kwam na al die jaren opnieuw ter tafel. Net als toen was de discussie tussen voor- en tegenstanders heftig. Tegenstanders waren van mening dat je het publiek bedriegt met een nagemaakt interieur, omdat het de schijn wekt van authenticiteit. Het kwam zelfs tot een juridische procedure, omdat het interieur van De Bazel op de monumentenlijst stond. Maar de rechter besloot dat sloop was toegestaan. De voorstanders van historische reconstructie wonnen nu wel het pleit.
Bij de uitbreiding van het museum werd een oude beerput ontdekt die interessante voorwerpen bleek te bevatten. Vóór de komst van de riolering dumpten stedelingen hun afval in beerputten. Daarin kwam niet alleen het toilet uit, maar ook de ‘afvalkoker’ van de keuken. Zulke kokers waren vrij groot en het gebeurde nogal dat per ongeluk ook gebruiksvoorwerpen in de put belandden. De beerput werd leeggehaald en via 19e- en 18e-eeuwse lagen werd de 17e-eeuwse vondstlaag bereikt. Te voorschijn kwamen onder andere een kookpot met verfresten, een pot met een mengsel van krijt en lijm en kinderspeelgoed.

Historische sensatie
Sinds 1906 is de kennis over het 17de-eeuwse burgerwoonhuis flink toegenomen. Daardoor was het mogelijk een interieur samen te stellen dat voor 80% overeenkomt met dat van Rembrandt. Historische reconstructie was nu wél verantwoord, vond men. Een restauratieteam onder leiding van bouwhistoricus Henk Zantkuijl ging aan het werk. De bouwtekeningen voor de restauratie zijn in overleg met Zantkuijl gemaakt door architect Maarten Neerincx. De restauratie is in 1999 voltooid.
Een belangrijk hulpmiddel waren de inventarissen van het huis: die uit 1626 van de eerste bewoner en vooral de inventaris die in 1656 is opgesteld naar aanleiding van Rembrandts faillissement. Zo viel te reconstrueren hoe het huis in die jaren was ingedeeld, hoe Rembrandt en Saskia de afzonderlijke vertrekken gebruikten en welke voorwerpen en kunstwerken er stonden. Ook gaven sommige tekeningen en etsen van Rembrandt aanwijzingen over de inrichting. Op een tekening van Saskia liggend in de bedstede is bijvoorbeeld te zien hoe de woon- annex slaapkamer eruitzag en een andere tekening toont waar Rembrandts ezel stond.
Aan de reconstructie lag ook de overtuiging ten grondslag dat het grote publiek wil zien hoe Rembrandt leefde en werkte. Voor 1998 heette het hier wel Rembrandthuis, maar Rembrandts huis was het niet meer. Het was een a-historisch gerestaureerd monument, opengesteld voor publiek. Hoe anders voelt de sfeer nu, ook al is lang niet alles ‘echt’ van Rembrandt geweest.
Intussen is het trouwens bon ton geworden om historisch erfgoed te reconstrueren. Utrechtse en Zaanse singels worden ‘ontdempt’, in Kamp Vught zijn een barak en wachttorens nagebouwd, theater Tuschinski in Amsterdam pronkt met nieuw geschilderde ‘oorsponkelijke’ muurschilderingen. Al zal er altijd een “spanningsveld tussen historisch correct minimalisme en het noodzakelijk oproepen van Huizinga’s ‘historische sensatie’” blijven bestaan, zoals het Rembrandthuis het zelf omschrijft.

Nieuw publiek
De nieuwe inrichting en de vele tentoonstellingen en educatieve activiteiten trekken een nieuw publiek naar het museum. Voor ladingen schoolklassen komen Rembrandts leven en de Gouden Eeuw hier tot leven, onder meer met demonstraties en workshops in etstechniek en verfbereiding. ‘Excellente educatie’ is de missie van het Rembrandthuis, vanuit de wetenschap “dat schoolactiviteiten vooralsnog het effectiefst zijn om de multiculturele samenleving bij cultuurhistorie te betrekken.”
Schoolklassen zijn natuurlijk niet de enige doelgroep. Het 21ste-eeuwse Rembrandthuis blijkt een succesvolle lieu de mémoire om een zo breed mogelijk publiek te laten kennismaken met kunst en cultuur door middel van erfgoed en educatie.

Drs. M. Hilhorst is historicus en journalist.

Delen:

Gerelateerd

Van onderen! Hijsbalken kenmerken Amsterdam
Van onderen! Hijsbalken kenmerken Amsterdam
Archief 17 juni 2021
Vernieuwbouwen bij de Amsterdamse Ruyschstraat
Vernieuwbouwen bij de Amsterdamse Ruyschstraat
Archief 17 juni 2021
Ons Amsterdam verhuist!
Ons Amsterdam verhuist!
Actueel 17 juni 2021