Een ‘bouwdoossie’ op de Nieuwmarkt

Een politieposthuis

Van 1897 tot 1933 stond aan de oostkant van de Nieuwmarkt, tegenover het huidige gebouw De Flesseman, een eenvoudig houten politieposthuis. Er waren acht agenten in ondergebracht. Ze waren niet erg populair. 

De komst van kleine politieposthuizen in de stad was een gevolg van de Algemene Policie-Verordening van 1878 die de Amsterdamse politie moest hervormen. Deze had halverwege de 19de eeuw geen beste naam. De opleiding van agenten was uitermate gebrekkig. Binnen het korps heerste een strike hiërarchie, waarbij agenten absolute gehoorzaamheid waren verplicht aan hun directe superieuren en eigen initiatief uit den boze was. Amsterdam telde niet meer dan zo’n 250 agenten. De ordehandhaving in de nachtelijke uren werd nog steeds gedaan door nachtwachten, werklieden die ’s nachts met een ratel door de buurten liepen. Omdat ze daar slechts een kleine vergoeding voor kregen, waren ze ontvankelijk voor het verlenen van diensten die het daglicht letterlijk niet konden velen. Overigens waren de nachtwachten met zeshonderd man groter in aantal dan de dienders. 

In de jaren zeventig richtte de leiding van het korps zich op hervormingen naar voorbeeld van Londen en Parijs, die zowel bij de agenten als de burgerij goede resultaten hadden gehad. Bij de hervorming van 1878 werd de taak van de nachtwachten overgenomen door politieagenten, die vanaf dat moment diensten van 48 uur moesten lopen. Letterlijk. 

Het traject van de agent was tot op een paslengte van zeventig centimeter uitgerekend. Week hij om wat voor reden ook daarvan af, dan moest hij dit in een rapport aan de chef verantwoorden. Het gevolg was dat de dienstdoende agent bij een voorval op straat gauw doorliep of de andere kant op keek om maar zo min mogelijk tijd te verliezen. 

Posthuis 

In maart 1896 besloot B&W tot de bouw van vier politieposthuizen, op de Nieuwezijds Voorburgwal (dat staat er nog steeds), de Plantage Middenlaan, in de Blankenstraat bij de Oostenburgergracht en op de Nieuwmarkt. Er zouden er daarna nog meer volgen. In januari 1897 werd begonnen met het plaatsen van een eenvoudig houten gebouwtje op de Nieuwmarkt in de stijl van een chalet, dat omschreven werd als ‘bouwdoostype’ en door buurtbewoners weldra het ‘bouwdoossie’ werd genoemd.  

Veel meer dan dat was het ook niet; er werd benadrukt dat het een posthuis betrof en dus géén politiebureau. Het werd bemand door niet meer dan acht agenten, vier voor de dienst overdag en vier voor de nacht. De taakverdeling was als volgt: één agent hield zich op in de Sint Antoniesbreestraat, één op de Nieuwmarkt, één agent bleef in het posthuis om het telefoon- dan wel seintoestel te bedienen, één agent bleef paraat om na aanvraag van een collega buiten assistentie te verlenen. Er was slechts één onderkomen voor een arrestant, het ‘schuurtje’ genoemd. In het posthuis bevond zich ook een ‘brandschel, welke in geval van nood wordt afgetrokken’. 

De Nieuwmarkt was toen al een zeer druk deel van de stad. Het doorgaand verkeer in de Jodenbreestraat en de Sint Antoniesbreestraat werd steeds belangrijker, de nauwe straten waren overvol door kooplui met hun handkarren, kruiers, koetsen, een toenemende aantal wielrijders en talrijke voetgangers. Het werd nog drukker toen de Nieuwmarkt in 1889 werd opgenomen in de route van de Amsterdamsche Tram Omnibus Maatschappij. 

Nergens waren op zo’n klein oppervlak zoveel gelegenheden waar men zich legaal en illegaal te buiten kon gaan aan alcohol. In Amsterdam werden in het laatste kwart van de 19de eeuw jaarlijks zo’n tweeduizend mannen opgepakt wegens verregaande staat van dronkenschap. De bezetting van het posthuis op de Nieuwmarkt was dus mager; het Handelsblad constateerde in maart 1897 smalend dat men ‘des Vrijdagsmiddags op de 

Jodenbreestraat een inspecteur met 5 à 6 man ziet’, maar in de Sint Antoniesbreestraat slechts één diender. 

Buitenproportioneel geweld 

De waardering voor het beroep van politieagent was laag. Volgens Amsterdammers hoefde je na ‘twaalf ambachten en dertien ongelukken’ nog niet te wanhopen: je kon altijd nog bij de politie, waar de wapenstok of blanke sabel een beter alternatief was dan praten met de burger. Deze overtuiging werd versterkt door het brute optreden tijdens de Kermisoproeren van 1876 en 1877, het Palingoproer in de Jordaan in 1886, de Oranjefurie op het Waterlooplein van 1887 en het Taptoeschandaal in 1891. Om het opstandige volk onder controle te krijgen werd daar buitenproportioneel geweld gebruikt. Tientallen Amsterdammers lieten het leven. 

Het harde optreden gecombineerd met het geringe gezag van de dienders leidde ertoe dat de burgers nogal eens de zijde kozen van een arrestant, zeker als het slechts een ‘onschuldige dronkaard’ betrof. Men keerde zich dan en masse tegen de handhavers, waarbij geprobeerd werd de gearresteerde te ontzetten. Bij dit soort ongeregeldheden moest de vierde agent eerst met het ‘toestel’ het dichtstbijzijnde bureau waarschuwen, dan het posthuis verlaten, de deur achter zich sluiten en zijn collega’s te hulp komen. 

Opstootjes waren in de Nieuwmarktbuurt aan de orde van de dag, zoals op 12 maart 1911 na de arrestatie van twee vechtende mannen van wie er één blijkens het opgemaakte verbaal ‘onder den invloed’ was. Toen de beschonkene het posthuis was binnengebracht, gooide het publiek de ruiten in, waarna volgens het verbaal ‘de wapenstok rust bracht’.  

Blanke sabel en wapenstok  

In de jaren daarna vonden er na aanhouding van ‘woestelingen’ dan wel ‘belhamels’ geregeld relletjes plaats door groepen opgeschoten jongens, die de politieagenten belaagden en het posthuis bekogelden. Met ‘den blanken sabel’ en ‘den wapenstok’ werden de ‘kwaadwillige bendes’ dan uit elkaar geslagen. Het taalgebruik in de processen-verbaal liet wat betreft het hardhandig oplossen van het probleem aan duidelijkheid niets te wensen over. 

Een enkele keer deed de politie een inval, zoals in januari 1911 in het beruchte ‘nachthuis’ van Van Leeuwen in de Dijkstraat. Stuitten de paar agenten de voorgaande keer nog op tegenwerking, dit keer werden de tien (!) politiemannen met hun inspecteur door Van Leeuwens vrouw, ‘schele Mina’, direct binnengelaten. De zestig aanwezigen, volgens Mina ‘toffe gasten’, moesten na opgave van naam en adres de keilenkit verlaten, waarna de illegale flessen drank, het glaswerk, enz. in beslag werden genomen. Eén man belandde in het schuurtje, omdat hij weigerde zijn naam op te geven. 

In de jaren tien en twintig werd de noordzijde van de Waag bij de Zeedijk een trefpunt voor socialisten, communisten, vrijdenkers van De Dageraad en rooms-katholieken van het gilde De Klare Waarheid, waar hartstochtelijke politieke discussies werden gevoerd. De leden van het gilde, ‘marktpredikers’, verkondigden hun geloof vaak op uitdagende manier, en dat was meer dan eens aanleiding tot opstootjes.  

In 1924 had een groep jongelui, duidelijk onder invloed, geen boodschap aan hun Blijde Boodschap en maakte hen het spreken onmogelijk. Het liep danig uit de hand en een van de raddraaiers werd opgesloten in het schuurtje van het politieposthuis. Tegen middernacht werden de marktpredikers weer lastiggevallen, waarna de wapenstok van de dienders wederom uitkomst bracht. 

Foto: Stadsarchief Amsterdam

 

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right

Leger des Heils 

Het simpele politieposthuis voldeed op den duur niet meer aan de eisen der tijd. De tekortkomingen bleken eens te meer in juli 1928, toen een agent bij een knokpartij tussen een aantal mannen op de Nieuwmarkt tussenbeide wilde komen. Met een gealarmeerde collega lukte het om één man te arresteren en naar het posthuis te brengen, maar met de arrestant kwam ook de woedende menigte naar binnen.  

Die begon vol overgave het toch al schamele interieur te verbouwen. Het telefoontoestel moest eraan geloven, maar een wakkere diender slaagde erin om via het nog niet gesloopte telegraaftoestel assistentie in te roepen van het hoofdbureau en van bureau Warmoesstraat. De daarvandaan uitgerukte manschappen brachten de rust terug op de Nieuwmarkt. 

In juni 1928 hadden B&W de gemeenteraad al voorgesteld om een deel van de verfoeide Vishal op de Nieuwmarkt te verbouwen tot een betere ruimte voor de Hermandad. Ook het personeel van het politieposthuis aan de Oude Waal zou daar kunnen worden ondergebracht. Veertien jaar eerder had het raadslid mr. Jules de Vries hetzelfde al gesuggereerd, opdat op de vrijgekomen plek van het posthuis nog enkele marktkramen konden worden geplaatst.  

Dienstwoningen 

Het posthuisje was ook een doorn in het oog van directeur Frits Flesseman van het textielbedrijf ILFRA. Het sjofele gebouwtje deed volgens hem afbreuk aan de status en stijl van zijn in 1927 officieel geopende monumentale pand, nu De Flesseman. Hij deed bij de gemeentelijke instanties dan ook alle mogelijke moeite om het posthuis weg te krijgen. 

Maar ook de korpsleiding wilde inmiddels van het posthuisje af. Begin 1933 werd het te koop gezet en kort daarna gesloten. De agenten werden overgeplaatst naar het gloednieuwe posthuis op de Lastageweg, dat bovendien vier dienstwoningen bevatte. De agenten van het in 1909 gesloopte posthuis op de Oude Waal voegden zich bij hen. 

In afwachting van de verkoop kreeg het Leger des Heils vergunning om hier ‘heete koffie’ te verstrekken aan behoeftigen. Dit duurde tot 15 maart, waarna het doek definitief viel en het ‘bouwdoossie’ na 36 jaar van de Nieuwmarkt verdween.  

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Architectuur
Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950