Duizenden Amsterdammers verbleven in Provinciaal Ziekenhuis Santpoort

‘Hij is rijp voor een enkeltje Santpoort.’ Als dat werd gezegd, begreep elke Amsterdammer dat er bij die persoon een steekje los zat. Het Provinciaal Ziekenhuis Santpoort was 145 jaar hét psychiatrisch ziekenhuis van de hoofdstad.

Het psychiatrisch Provinciaal Ziekenhuis (PZ) te Santpoort (vóór 1918 Meerenberg) was een soort Amsterdams dorp, met een schoenmaker, een mandenvlechterij en een zwembad, moes- en siertuinen en weilanden, drie begraafplaatsen (een algemene, een katholieke en een joodse) en zelfs eigen munten, waarmee patiënten in winkeltjes binnen het gesticht konden betalen. Tienduizenden gingen door de fraaie poort. Schrijver Frans Pointl verhaalt in Het opstel (gebundeld in De kip die over de soep vloog, 1989) hoe de ik-persoon zijn oom Simon in PZ bezoekt. “Een groepje grauw geklede mannen naderde. Traag en wezenloos duwden ze kruiwagens, gevuld met stenen, voort. Het leek op een stomme film. Een verpleegster met een grappig wit kapje op wees hun een plek aan naast het perk. Ze stapelden de stenen daar netjes op. De kruiwagens bleven leeg naast het perk staan. Tien minuten later verscheen er een groepje slordig geklede vrouwen. Ook zij hadden dat trage en wezenloze. Ze raapten de stenen op en deponeerden ze in de kruiwagens. Wat een doelloos gedoe, dacht ik.”   

De inrichting was ook een trekpleister voor jonge en ambitieuze dokters. Dichteres M. Vasalis, pseudoniem van Kiek Leenmans, kwam er in 1934 te werken en probeerde zich in de geesteszieken in te leven. De Santpoortse ‘psychotici’ vond ze onverholen prachtig: “Daar zat je keurig met z’n allen op het grasveld. Dan dronk je thee. En dan hoorde je uit een van de gebouwen zo’n… schreeuw komen, hé. Zo’n prachtige schreeuw. Zo echt dat je dacht: wat doe ik in Godsnaam hier op het gras. Dan voelde ik mij zelfs bij de gekste psychotici veel dichter dan bij mijn collega’s en superieuren”, vertelde ze in 1988.

 

Krankzinnigenwet

De in 2018 overleden Menno Wigman, van 2012 tot 2014 stadsdichter van Amsterdam, groeide op in Santpoort-Zuid. Hij herinnerde zich dat oude Amsterdammers begonnen te lachen en naar hun hoofd wezen als ze hoorden waar hij opgroeide. “Dat kennen ze van het Provinciaal Ziekenhuis waar hun vrienden en familieleden naar vertrokken als het nacht in hun hoofd werd.”
Voor een kind was het “gekkendorp” Santpoort-Zuid een mysterieuze, ontregelende wereld. Als jochie ging hij met zijn vriendje Jeroen, zoon van een psychiater, vissen in het meertje op het terrein. Hij zag hoe een patiënt zich uit de armen van twee verzorgers losrukte, de vijver in sprong, naar het midden zwom en vanaf een minuscuul eilandje joelde dat hij de zon was. 

De geesteszieken kwamen ook langs bij hem thuis in de Louise de Colignylaan. Santpoorters waren volledig aan ze gewend. Sommige patiënten woonden in het dorp, zoals de man die liggend op straat in rioolputjes schreeuwde – naar later bleek een eerste stuurman, die de stokers in het vooronder opdrachten zat te geven. 

Provinciaal Ziekenhuis Santpoort was het eerste provinciale psychiatrische ziekenhuis van Nederland. Lange tijd was het ook de enige krankzinnigeninrichting die speciaal voor dat doel was gebouwd. Vóór die tijd verbleven Amsterdamse ‘gekken’ in onder meer het Buitengasthuis. Daar werden ze uitsluitend verzorgd, niet behandeld. 

De arts Jacobus Schroeder van der Kolk noemde het Buitengasthuis, dat hij kende als ‘inwonend geneesheer’, “de slechtste inrichting van ons land”; anderen spraken van “een schande voor de stad Amsterdam”. De erbarmelijke omstandigheden in de psychiatrische zorg gaven in 1841 aanzet tot de eerste Nederlandse krankzinnigenwet. De ‘krankzinnigenartsen’ pleitten voor een nieuw, geïsoleerd gesticht, ver buiten de stad. De patiënt moest weg uit het eigen, vertrouwde milieu. Bezoekmeenden zij, “verlevendigt bij den krankzinnig gestadig de voorstelling der buitenwereld waaruit hij zich gebannen voelt en het herroept treurige herinneringen of wekt begeerten die onvoldaan blijvende, hem tot bitterheid en toorn verlokken.”

 

Modelinrichting

Die nieuwe plek lag destijds op enigeafstand van de kleine dorpen Bloemendaal en Santpoort. Meerenberg (vernoemd naar het landgoed ter plaatse) was een schoon en hygiënisch complex, met “behaaglijke bedden”, verlichting en verwarming. Er waren een mannen- en een vrouwenafdeling met drie klassen, en aparte cellen voor “razende en onrustige” patiënten. In juni 1849 maakten de eerste 162 patiënten per koets de reis van Amsterdam naar Santpoort. Bijna 80% waren “paupers” uit Amsterdam. Velen waren chronisch gek en verbleven hun verdere leven binnen de hekken van het negentig hectare grote terrein. Er was plaats voor 800 mensen.

Santpoort was vanaf de oprichting een modelinrichting. Arbeidstherapie en wandelingen in de nabijgelegen duinen moesten de patiënten rust geven. Er waren feesten en concerten. De Amsterdamse jurist Maurits Cornelis van Hall bezocht er op zondag 9 maart 1851 een concert. Hij dichtte enthousiast: “De dwazen juichen, spelen, zingen/ Vereend in ’t zelfde broederkoor!” De bewoners kregen de ruimte om zichzelf te zijn. Sommigen schreven graag, zag evangelist en jeugdboekenschrijver Eduard Gerdes (Meerenberg en de krankzinnigen, 1876). “Onder de lijders aan monomanie is er een, die bijna elken Zondag een zeer geregelden en netten brief schrijft aan zijn echtgenoote, die evenwel reeds jarenlang dood is… Anderen houden zich bezig met dichten. Ik heb lange verzen gezien en gelezen, maar geen enkele fraaie gedachte, ten bewijze dat de dichters in het gesticht geen genie zijn.”

De Amsterdamse predikant Jacobus Craandijk brak in 1878 een lans voor het nieuwe gesticht: “Meerenberg! Wat droevige gedachten wekt die naam bij ons op! Het is het groote gesticht voor lijders aan die treurigste aller krankheden, die het menschelijke in den mensch verwoest. (…) Is het niet het beeld van het vriendelijk licht, dat de liefde over het donker lot van Meerenberg’s bewoners wierp? Ja, ’t is een gesticht, maar meen niet dat het een gevangenis is, een dier oude ‘dolhuizen’, waar de rampzalige krankzinnige, als een wild dier geketend, voor een fooitje geplaagd of als een aardigheid den volke vertoond werd.” (Wandelingen door Nederland – Noord-Holland.)

 

Rauw

Om de gestage stroom van patiënten en hun bezoekende familie uit Amsterdam op te vangen was op 1 mei 1867 door de Hollandsche IJzeren Spoorweg-Maatschappij het station ‘Zandpoort’ op het traject Haarlem–Alkmaar geopend. Tussen het station en het ziekenhuis kwam er in 1915 bovendien een smalspoor voor goederen en kolen. Treinreizigers klaagden aanvankelijk over “griezelige mensen”, die vrij rondliepen op de perrons. De stations Haarlem en Santpoort kregen daaromeind jaren tachtigeen speciale wachtkamer voor ‘gekken’ en er kwam een spoor naar Meerenberg. Met regelmaat sprongen patiënten voor de trein. Menno Wigman: “Als kind heb ik twee keer gezien wat er van je overblijft wanneer je een gele hondenkop wilt rammen. Stof voor een dichterschap.”

In juli 1942 meldde de eerste Joodse onderduiker zich bij de poort van Santpoort om te vragen of hij mocht worden opgenomen. Waarschijnlijk vonden zo’n 200 “opgejaagden” uit Amsterdam hier onderdak. De 1334 patiënten en 404 personeelsleden werden op 4 en 5 februari 1944 door de Duitsers per trein naar de Willem Arntsz Hoeve in Den Dolder geëvacueerd vanwege de aanleg van de Atlantikwall.De Joodse bewoners droegen een plant of hielden een aktetas voor hun borst om de Jodenster te verbergen. Hoeveel er na de bevrijding terugkeerden, is niet bekend; veel patiënten in Den Dolder stierven door wanbeleid van de NSB-leiding.

Begin jaren vijftig schommelde het inwonertal rond de 1500. Patiënten werden vrijwel nooit rechtstreeks opgenomen, maar bijvoorbeeld eerst behandeld in de Valeriuskliniek en in Paviljoen III van het Wilhelminagasthuis. Naar Santpoort stroomden de rauwe en heftige gevallen, zoals slachtoffers van prostitutie, drugsverslaafde Surinamers en Antilianen, lijders aan het syndroom van Korsakov.

Een bijzonder geval was Anton Heyboer. In 1951 – hij was toen 27 – vroeg hij om opname in Santpoort. Daar werd volgens sommigen de kunstenaar geboren, in de relatieve veiligheid van een cel. Zijn werk kreeg de onmiskenbare signatuur van een ‘Anton Heyboer’: grote vellen sobere grafiek en gouaches met composities van naakten en dieren te midden van geometrische figuren en primitieve symbolen. 

 

Spookstad

In PZ liepen ook veel studenten van de Universiteit van Amsterdam stage. Vanuit die hoek klonk steeds luider de kritiek op psychiatrische klinieken à la Santpoort. Het was de tijd van de oprichting van een Therapeutische Gemeenschap (TG) in jeugdkliniek Amstelland door de jonge psychiater Jan van de Lande. En ‘antipsychiater’ Jan Foudraine maakte in zijn boek Wie is van houtkorte metten met het onderscheid tussen ‘gezonde’ en ‘zieke’ mensen. Het eerbiedwaardige dorp Santpoort werd ook even het toneel van de Amsterdamse hippie- en provocultuur. Afghanistanjassen kleurden winkelstraat de Bloemendaalsestraatweg. Op de stoep van supermarkt De Kijkgrijp dronken Amsterdammers biertjes.

Al in 1970 lanceerde Santpoort met de GG en GD van Amsterdam een plan voor een Sociaal Psychiatrisch Instituut in de hoofdstad. Het idee werd verlaten dat patiënten juist ver van hun bekende omgeving, in een rustige atmosfeer, moesten verblijven: “tante Jans uit de Jordaan” zou dan minder het contact met het gewone leven verliezen. Het duurde even voor het zover was. Volstrekt onvoorbereid streken in december 1986 38 patiënten neer in de Bijlmerflat Kempering. Het begin van een geleidelijke verhuizing naar de hoofdstad. Menno Wigman heeft “(…) oude Santpoorters uit vuilnisbakken zien eten: het percentage patiënten onder de zwervers in Amsterdam is hoog, heel hoog”.   

Wigman fietste in 2007 nog eens over het verlaten terrein in Santpoort. Hij trof een spookstad aan. In de oude verpleegsterswoningen woonden een stuk of twintig antikrakers. “Het hoofdgebouw, vertelde iemand, werd nog een tijd lang voor brandweeroefeningen gebruikt, maar de vloeren waren inmiddels zo vermolmd dat het pand zo goed als onbegaanbaar was.” 

Het oude hoofdgebouw is inmiddels voorbeeldig gerestaureerd. Er zijn appartementen in gekomen. Op het terrein verrezen peperdure villa’s. Het geschreeuw van patiënten is verdrongen door het gezoem van tuinsproeiers en bladblazers.  

 

HARRY HOSMAN IS JOURNALIST. HIJ GROEIDE OP AAN DE BREDEROODSEWEG IN SANTPOORT-ZUID, RECHT TEGENOVER PZ. ZIJN MOEDER WERKTE ER IN DE WASSERIJ. 

Collectie Noord-Hollands Archief

 

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
December
Jaargang:
2019 71
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950 1950-2000 Vanaf 2000