Drop uit Amsterdam

Het is winter, de kelen worden rauw, dus er wordt weer veel drop gegeten. We eten er jaarlijks gemiddeld twee kilo van. Drop is geen Nederlandse uitvinding, maar al wel generaties lang ons nationale snoepgoed. Amsterdamse fabrieken als Klene en Venco zorgden ervoor dat dit ingedampte afkooksel van zoethout zo populair werd.

In de winter van 1891 liepen de Amsterdammers te snotteren dat het een aard had. In ‘Gerrit Voornveld’s stoomfabriek voor drop’, later Venco, werden overuren gedraaid. Een medewerker schreef erover in zijn memoires: “Tijdens de influenzaepidemie van ’91 werd er doorgewerkt tot middernacht en werden de mensen fit gehouden met cognac en sterke koffie.”

Voornveld richtte zijn stoomfabriek voor drop en suikerwerken in 1878 op aan Spuistraat 145. De naam stoomfabriek was een beetje bluf, want pas in 1889 werd de eerste stoomketel aangeschaft. Samen met zijn zes medewerkers maakte hij jujubes, pepermunt en drop. In 1890 verhuisde de fabriek naar Singel 246 om ruimte te maken voor het hoofdkantoor van de post.

Bestellingen binnen de stad werden per kruiwagen afgeleverd bij apothekers en winkels. In de fabriek zelf kon ook drop worden gekocht. De huisknechten van rijke families kochten hun vellen jujubes aan de marmeren toonbank in de zaak. De vellen werden thuis op de gewenste maat geknipt.

De werknemers van de fabriek maakten dagen van dertien uur. Ook op zaterdag. De zondagsrust om naar de kerk te kunnen gaan duurde tot twee uur ’s middags. In drukke periodes werd doorgewerkt tot tien of twaalf uur. Toch was Voornveld vooruitstrevend met z’n arbeidsomstandigheden. Het personeel deelde mee in de winst, wat in goede jaren kon oplopen tot zes weken extra loon. Ook gaf hij zijn werknemers één dag per jaar vakantie met een zogenoemde uitgaanstaks van een gulden per persoon. Een van zijn opvolgers H.B. Dieperink stelde vast: “De bedoeling was dat men voor dit geld een bezoek aan Artis bracht. Meestal kwamen de mannen echter niet verder dan de eerste de beste kroeg.”

De broers Herman en Bernard Dieperink namen de fabriek in 1899 over. In 1904 verhuisden ze naar een bedrijfspand op de Lindengracht en werd de fabriek omgedoopt tot Venco, een samenvoeging van ‘Voornveld en co’.

Dropveilingen

Piet Bos (beter bekend als Opera Pietje) groeide op in de Lindenstraat naast de Vencofabriek. “De fabrieksfluit ging elke morgen om half 8. Al die jongens woonden hier in de buurt en ze moesten om half 8 binnen zijn. Door die fluit wist iedereen precies hoe laat het was. Nooit geen last van die fabriek gehad. Het rook lekker naar drop en het was in de straat altijd gezellig. En wie appelen vaart, die appelen eet, dus als je in de dropfabriek werkte dan nam je wel eens een zakkie mee.”

Fotografen Kors van Bennekom en Emile van Moerkerken fotografeerden de gezelligheid waar Bos het over heeft in de jaren vijftig. De meisjes van Venco dansten in hun stofjassen voor platenzaak ‘De Draaitafel’. Het verpakken was in veel suikerwerkfabrieken de taak van vrouwen en meisjes. Hun handen zouden geschikter zijn voor dit werk. Veel werkgevers waren van mening dat vrouwen ook minder dan mannen opzagen tegen het monotone en uitzichtloze karakter van het werk.

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Abonneer je Arrow right Geef cadeau Arrow right

Het dropje had voordat het aan zijn opmars in Nederland begon al een hele geschiedenis achter de rug. De Italiaan Giorgio Amarelli lukte het in 1731 als eerste om drop te maken van het sap van de zoethoutwortel. Een plant die al eeuwen als medicijn werd gebruikt. Het dropje was toen nog erg bitter. De Engelse apotheker George Dunhill voegde in 1760 als eerste suiker aan de vinding toe. Vanaf dat moment was drop behalve een medicijn voor keel- en maagproblemen ook een lekkernij.

Wanneer in Amsterdam voor het eerst drop werd gemaakt, is onduidelijk. Zeker is dat elke Amsterdamse apotheker de juiste ingrediënten in de kast had staan en het is waarschijnlijk dat ze lucht kregen van de droppraktijken in Italië en Engeland. Al in de loop van de 18de eeuw werden vrachtladingen Italiaanse en Spaanse drop aangeboden op veilingen in de Brakke Grond in de Nes en de Witte Zwaan op de Nieuwendijk. De Rotterdamsche Courant berichtte op 21 juni 1803 over een veiling van tien kisten drop in de Brakke Grond. Vooral apothekers en drogisten namen de drop af. Drop stond vooral nog bekend om zijn medicinale werking.

Zoute jujubes

Over de samenstelling van de drop schreef technisch directeur Herman Dieperink van Venco: “Zover wij konden nagaan, waren de eerste recepturen afkomstig uit Frankrijk, ofschoon geheel aangepast aan de smaak van het Hollandse publiek. De Fransen houden niet van drop met zout en gebruiken wat wij noemen parfum-smaken als Violet, Bergamotte en Fleur d’Orange, die hier helemaal niet gewild zijn.” Dat had zijn voorganger Voornveld goed gezien. Nederlanders hielden vanaf het begin van zoute drop.

Tegenwoordig is het niet anders. Mariska Schaefer van het ‘Oud-Hollandsch Snoepwinkeltje’ in de Tweede Egelantiersdwarsstraat (ja, dochter van de vermaarde wethouder) kent de smaak van haar klanten. “Oude mensen gaan echt voor zoute drop. Ze zijn nog steeds op zoek naar de echte zoute jujubes. Daar hebben ze herinneringen aan. Die kostten vroeger een cent. Ze plakten ze op hun hand en likten eraan. Voor de oliecrisis van 1973 werd de drop met Arabische gom gemaakt. Later vaak met plantaardige gom of gelatine.” De oliecrisis van 1973 maakte bij veel fabrieken een eind aan het gebruik van Arabische gom, verkregen uit het sap van de acaciaboom. Gelatine en aangepast zetmeel werkten ook als verdikkingsmiddel en waren bovendien veel goedkoper.

Dropfabriek Klene hield als een van de weinige dropmakers vast aan het oude recept met Arabische gom. Klene werd in 1876 in Rotterdam op een zolderkamertje opgericht door Johannes Coenrades Klene. Zoon Fredrik, die het bedrijf in 1911 van zijn vader overnam, verhuisde naar Amsterdam. In 1915 kocht hij een modern bedrijfspand, met elektriciteit en een lift aan de Looiersgracht 47. Hier beleefde het bedrijf in 1920 een primeur met het eerste snoepgoed in een rolletje: de Frujetta’s. Uit documenten over de vormgeving van deze ronde verpakkingen komt naar voren dat het geen sinecure is om op een rolletje én de soort én de merknaam goed uit te laten komen.

Griotten maken

Bijna alle medewerkers van de fabriek kwamen uit de Jordaan. De jongens maakten de drop en de meisjes stonden achter de lopende band of verrichtten inpakwerk. Jannie van der Wardt uit de Egelantierstraat bewaart warme herinneringen aan het werk in de fabriek. “Ik zou zo weer terug willen! Een sfeertje! Zo gezellig. Veel ging al met de machine, maar tante Klaar deed de griotten met de hand. Een vreselijk priegelig werk. Dat spul kleefde aanmekaar! Er gingen tien griotjes in een rolletje. Die moest je uittellen. Dan had je zo’n houtje waar een vloetje inlag, ’t was net een sjekkie draaien, en daar lag je dan die griotten in. Dicht draaien en plakken met die gom en dan in een doosje stoppen. Vreselijk naar werk vond ik. Maar die kleverige massa mocht niet in de machine. Ik zie het allemaal zo weer voor me. Arbeidsvitamine op. Al die meiden, altijd lachen, altijd zingen. En elke ochtend om acht uur begonnen de mannetjes in het tehuis voor alleenstaanden aan de overkant met hun ochtendgymnastiek. In hun blootje! Wat hebben we gelachen. Tot iemand van kantoor naar het tehuis belde en de gordijnen dicht gingen.”

Medewerkers van de dropfabriek wilden nog wel eens wat dropjes meenemen voor thuis. Bij Klene hadden ze daar iets op bedacht. Van der Wardt: “Als je de deur uitging, hing er een automaat met kauwgomballen. Als je de rooie had moest je weer naar binnen en je wist: dan hing je! Dan moest je je zakken leegmaken. Zat er drop in, kon je meteen vertrekken.” Jannie trok in drie jaar tijd nooit de rooie kauwgombal. “Maar ik heb ook nooit wat meegenomen! Ik had er geen behoefte aan. Je kon daar ook snoepen en eens in de maand kwam de chef met een lijst namen en wie werd opgenoemd mocht voor zoveel centjes snoep meenemen.” Onder de medewerkers die de verleiding toch niet konden weerstaan zitten twee opmerkelijke namen. Willy Alberti en Johnny Kraaijkamp sr. trokken rood en werden op staande voet ontslagen.

Tal van bedrijfjes

Venco en Klene waren niet de enige dropfabrieken in de stad. In 1925 richtte Solomon van Win in 1925 Dropfabriek en Importhandel De Atlas op. De fabriek had filialen op de Duivendrechtsekade, de Zwanenburgwal en de Wenckebachweg. Zoon Hugo volgde Solomon in 1955 op als directeur. Het archief van de fabriek in het Joods Historisch Museum bevat vooral reclamemateriaal, maar Hugo schreef eigenhandig geschiedenis. De Joodse familie van Win moest in de Tweede Wereldoorlog onderduiken. Via wat omzwervingen werd Hugo in 1943 door een uitzendbureau bij de Arbeitseinsatz geplaatst. Zo bracht hij de laatste twee jaar van de oorlog door in het Duitse Balingen en Berlijn. Hij schreef er in het boek Een Jood in Nazi-Berlijn over. Toen hij terugkwam in Nederland bleek dat het hele gezin Win als een van de weinige de oorlog had overleefd.

Er waren nog tal van kleinere bedrijfjes die zich bezig hielden met de productie van drop. Zoals Weijers op de Oude Schans, die bij een brand op 23 augustus 1949 in vlammen opging, volgens de brandweer door een foutieve schoorsteenconstructie. Nog andere namen zijn: H. van Amstel en Zoon in de Elandstraat, Tj. Haan en zoon in de Vinkenstraat, Dropfabriek de Magneet op de Nassaukade, de firma Hoek en Co. op de Herengracht en Paré’s fabriek van drop en suikerwerken in de Jan van Galenstraat.
Nederland is nog steeds de grootste exporteur van drop, alleen vindt de productie niet meer in Amsterdam plaats. Na de Tweede Wereldoorlog waren er voor de dropfabrieken in de stad bijna geen groeimogelijkheden meer. Venco fuseerde in 1965 met Red Band in Rozendaal en betrokt in 1969 een nieuwe fabriek in Naarden. Klene hield het ’t langst vol en bleef nog tot 1986 operationeel in het pand aan de Looiersgracht.

Drop maken

Om drop te maken wordt het sap uit de zoethoutwortel verwerkt tot blokdrop. De blokdrop wordt samen met kleurstoffen en aroma’s toegevoegd aan een deeg van suiker en verdikkingsmiddel. In Nederlandse drop gaat vaak nog zout of salmiak. Het deeg wordt in malletjes van zetmeel gegoten en 36 uur bij 65 graden bewaard om uit te harden. Om de dropjes na hun zetmeelavontuur weer glimmend te krijgen komt er een glansmolen met bijenwas of olie aan te pas. Daarna moeten ze nog een á twee dagen op achttien tot twintig graden worden bewaard. Dan mogen ze worden ingepakt en verkocht.

Beeld header: reclame voor Venco zoute drop in de Keizersgracht, 1956.
Tekst: Charlotte Goede
Januari 2011

Delen:

Dossiers:
Economie
Editie:
Januari
Jaargang:
2011 63
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950 1950-2000