Drank maakt meer kapot dan je lief is

De pioniersjaren van de Amsterdamse verslavingszorg, 1909-1933

Alcoholisme was een groot probleem in 19de-eeuws Amsterdam. Met het Medisch Consultatiebureau voor Alcoholisme legde Theo van der Woude de basis voor de moderne verslavingszorg, de voorloper van het huidige Jellinek-instituut. ‘Pappen en nathouden’ was ook toen al het devies.
 

In 1892 bekeerde de 29-jarige onderwijzer Theodorus van der Woude zich tot de geheelonthouding. Hij had lang geaarzeld voor hij deze stap nam. Zijn schoonvader dronk graag gezellig een bittertje met hem voor het eten. Durfde hij deze momenten van alcoholische verbroedering wel te verstoren? Hij besloot het erop te wagen. Van der Woude beschouwde alcohol als de “allerverschrikkelijksten geesel der Menschheid”, door wat hij jarenlang had meegemaakt tijdens zijn werk onder het Amsterdamse proletariaat.
Sinds 1883 was hij onderwijzer op volksscholen in de Jordaan en op de Oostelijke Eilanden. Bij veel ‘boefjes’ die hij in de klas had bleek drankmisbruik thuis een probleem. De moeders waren opgebrand, de kinderen werden verwaarloosd. Tot zijn dood in 1943 was Van der Woude een zeer actief drankbestrijder. Van 1909 tot 1933 was hij bovendien directeur van het Medisch Consultatiebureau voor Alcoholisme in Amsterdam – de voorloper van het huidige Jellinek-instituut voor verslavingszorg. 

Het loopt storm
Van der Woude stond omstreeks 1900 aan de wieg van de Nederlandse verslavingszorg. Sinds 1850 was de drankconsumptie in Nederland explosief toegenomen, samenvallend met de verstedelijking. Drankzuchtige arbeiders leidden vaak een waar ‘junkie-bestaan’. Ze brachten hun spullen naar de Bank van Lening, sloten leningen af tegen woekerrentes, en vervielen uiteindelijk tot diefstal en pauperisme. Recht op armenzorg hadden drinkebroers en hun gezinnen niet, vond men toen.
Veel alcoholisten belandden met een delirium in het krankzinnigengesticht. Of ze kwamen wegens openbare dronkenschap terecht in de beruchte Rijkswerkinrichtingen in Hoorn en Veenhuizen, speciaal voor landlopers, pooiers en drankzuchtigen. De specifieke alcoholistenzorg begon met de Volksbond voor Drankbestrijding. Deze vereniging van rijke sociaal-liberalen – typische ‘volksverheffers’ – stichtte in 1891 het eerste sanatorium voor drankzuchtigen, Hoog-Hullen.
In 1908 kwam de Amsterdamse afdeling van de Volksbond met een tweede plan. Men riep Van der Woude bij zich en psychiater Karel Herman Bouman. Die werkte in het Wilhelmina Gasthuis en had geregeld met alcoholisten van doen. De heren kregen het verzoek om een Consultatiebureau voor Alcoholisme te beginnen, naar analogie van de consultatiebureaus voor tuberculose die toen overal werden opgericht. Een andere inspiratiebron waren de Duitse ‘spreekuren’ voor alcoholisten, waarin politie-inspecteurs en artsen lastige drankzuchtigen eens duchtig onder handen namen. Was dat ook niet wat voor Nederland? 
Van der Woude en Bouman waren enthousiast, al wilden ze niet zo nauw samenwerken met de politie als in Duitsland gebeurde. In september 1909 hielden zij hun eerste spreekuur, op zaterdagavond: de grootste risico-avond voor drinkers. Aan de inrichting van de wachtkamer was veel aandacht besteed, want “tegenover den machtigen invloed van de kroeg moet onze wachtkamer een nog sterkere aantrekkingskracht bezitten.” Het moest een “tegen-attractie” zijn, met een leestafel en schaak- en damspelen.
Al snel ging men over op twee avondspreekuren, want het liep storm. Het duurde vaak tot half twee ’s nachts voor de laatste klant naar huis ging. Veel bezoekers waren vrouwen van alcoholisten, die kwamen vragen om een wondermedicijn dat ze door het eten van hun man konden mengen. Ze werden snel uit de droom geholpen, maar mochten wel blijven om hun verhaal te doen. Volgende keer je man sturen, moesten ze beloven.

Denk toch aan je kinderen!
De alcoholisten op de spreekuren waren laaggeschoolde handarbeiders van zo’n veertig jaar. Ze hadden altijd een probleem: ze dreigden hun huis, baan, vrouw, kinderen of vrijheid kwijt te raken door hun drankmisbruik. Het Bureau bood bemiddeling en praktische hulp. In het begin werd iedere nieuwe patiënt eerst door Bouman gezien en daarna door Van der Woude. Maar door de grote toeloop werd dat onmogelijk, zeker nadat Bouman in 1915 hoogleraar werd en weinig tijd meer had. Van der Woude selecteerde de mensen waarbij hij iets bijzonders vermoedde in hun psychische of lichamelijke gesteldheid. Die stuurde hij door naar Bouman.
Overdag hield Van der Woude spreekuur aan huis. Daar ontving hij familieleden van cliënten en afgevaardigden van de vele organisaties met wie hij een goede samenwerking opbouwde, zoals de Voogdijraad en de Reclassering. Ook onderhield hij innige contacten met de Internationale Orde van Goede Tempelieren. Veel leden van deze geheelonthoudersorganisatie waren zelf ex-alcoholisten. De Tempelieren waren handige hulpkrachten voor Van der Woude. Het contact met deze lotgenoten sleepte nieuwe klanten vaak door de eerste moeilijke, nuchtere weken heen. Soms liepen Tempelieren een nieuwe klant een tijdje stiekem achterna, om te kijken of hij niet toch de kroeg indook. Dan grepen ze in. Het liefst zag Van de Woude, dat zijn klanten allemaal Tempelieren werden, na enkele maanden bij het Bureau te hebben gelopen. Bij een minderheid lukte dat.
Bouman was vooral geïnteresseerd in het verzamelen van statistische gegevens over de alcoholisten, voor wetenschappelijk onderzoek. Wat was hun sociale profiel en hoe zat het met hun familie-achtergrond: kwam daar ook al drankzucht in voor, of “zenuwachtigheid”? Van der Woude probeerde ondertussen om zijn cliënten te hervormen tot brave geheelonthouders, die hun drankzucht en “vadsige arbeidsschuwheid” zouden overwinnen. Eerst won hij het vertrouwen van zijn klanten, door in te spelen op hun persoonlijk voordeel: de belofte van een betere gezondheid, geldbesparing, het behoud van werk, het afwenden van een dreigend vonnis. Daarna zocht hij een aangrijpingspunt om het ‘betere ik’ van een klant te wekken. Denk nu toch, hield hij hen voor, “elke keer als je trek krijgt in een glas, aan je kinderen! Denk eens, dat je oudste jongen denzelfden weg opging! Wiens schuld zou dat wezen?” 

Een moeizaam en glibberig pad
De pioniers van de verslavingszorg probeerden niet alleen om verslaafden te disciplineren. Ze wilden ook de samenleving humaniseren. Ze deden erg hun best om begrip te kweken voor de drankzuchtige medemens. Dat u en ik niet verslaafd zijn, betoogde Van der Woude, is geen persoonlijke verdienste. Dat hebben we te danken aan afkomst en opvoeding, aan de invloeden van de omgeving waarin we zijn opgegroeid. Deze wetenschap moet in ons wekken “niet alleen groote dankbaarheid voor hetgeen wij hebben verkregen, doch tevens de plicht om de minder gelukkigen te steunen en ze te behoeden tegen dieper val.”
Het redden van alcoholisten was een “moeizaam en glibberig pad”, volgens Van der Woude, maar hij boekte wel succes. Hij slaagde er bijvoorbeeld in zijn klanten uit handen te houden van woekeraars, door het Bureau renteloze leningen te laten verstrekken. Ook regelde Van der Woude dat zijn klanten voortaan in aanmerkingen kwamen voor armenzorg. Vanaf 1914 werkte hij samen met de dienst voor Maatschappelijke Steun. In gevallen van alcoholisme gaf het Consultatiebureau de uitkering af, niet aan de alcoholist zelf maar aan diens vrouw – op voorwaarde dat haar man in behandeling ging op het Bureau. 

Pappen en nathouden
Zo trok Van der Woude de alcoholistenzorg uit de klei. In 1933, op 70-jarige leeftijd, stopte hij met zijn werk. Dat was het einde van de pioniersfase, waarin de alcoholistenzorg nauw verbonden was met één bevlogen persoon. In veel opzichten legde Van der Woude de basis voor de moderne werkwijze. Motiverende gespreksvoering, overgoten met een saus van praktische steun en juridische ‘drang’: het is nog altijd het recept van de sociale verslavingszorg.
Wel is er nu meer aandacht en tolerantie voor de chronische verslaafden. Van der Woude stelde nog uitdrukkelijk dat zijn consultatiebureau bedoeld was voor de ‘geneeslijke’ drankzuchtigen. De rest moest “uit de vrije maatschappij worden verwijderd en er voor goed buiten blijven.” In de praktijk diende hij de soep niet altijd zo heet op. Zo behandelde hij een oude “verzopen kerel” die niet te redden viel. Omwille van zijn “fatsoenlijke” gezin hield het Bureau een oogje in het zeil, door hem in een betrouwbaar kosthuis onder controle te hebben. Zijn kinderen, die vroeger veel last van hem hadden – hij trapte relletjes bij hen aan de deur – betaalden zijn kostgeld en waren tevreden. Van der Woude hoorde twee keer per week de “jeremiades” van hun dronken vader aan, die overigens ook redelijk tevreden was.
Dit pappen en nathouden is tegenwoordig een gevestigde behandelvorm in de verslavingszorg, ‘harm reduction’ genaamd. Doel ervan is het beperken van de lichamelijke of sociale schade die een verslaving aanricht. Hulpverlening is er tegenwoordig ook voor degenen die zorg mijden of niet te ‘redden’ zijn – ook als er geen ‘fatsoenlijk’ gezin achter hen staat. Het fanatieke behandeloptimisme van de pioniersjaren is wat vervaagd, net als het moralisme. Hulpverleners plaatsen zich niet langer als strenge leider boven de deemoedige gevallene, maar zien zichzelf als de coach van een chronische cliënt. Geheelonthouding wordt patiënten tegenwoordig soms zelfs ontraden, als de teleurstelling van het telkens maar terugvallen te groot wordt. Inmiddels is ‘gecontroleerd gebruik’ eveneens een acceptabel behandeldoel. Helaas blijkt dit voor veel mensen even onbereikbaar als het vroegere ‘abstinentie’-ideaal.
 

Delen:

Jaargang:
2008 60

Gerelateerd

Dichtende herbergier voorspelde eindtijd
Dichtende herbergier voorspelde eindtijd
Recensie 12 april 2013
Czaar Peterbuurt herleeft
Czaar Peterbuurt herleeft
Verhaal 14 december 2010
De onzichtbare hasjhandelaar
De onzichtbare hasjhandelaar
23 november 2008