Dorstige stad. Watervoorziening in Amsterdam werkte eeuwenlang goed zonder buizenstelsel

Amsterdam kreeg in 1854 een waterleiding met buizen. Eerder dan de andere Nederlandse steden. Had de dorstige stad dringend behoefte aan nieuwe technologische oplossingen voor het drinkwater? Niet echt. Buizen waren technisch al geruime tijd mogelijk, maar het stadsbestuur gaf lang de voorkeur aan waterkelders.

De eerste eeuwen konden de Amsterdammers in hun waterbehoefte voorzien met regenwater en water uit de grachten. Maar toen in het begin van de 16de eeuw het grachtenwater onbruikbaar raakte door toenemende stadsvervuiling en verzilting, was een nieuwe bron nodig. Die werd gevonden in de Vecht: vanaf de jaren dertig importeerden schuiten een belangrijk deel van het stadswater per schuit uit deze rivier. In het bijzonder de brouwindustrie kon vanwege haar grote behoefte aan water niet alleen op de regen vertrouwen.

De brouwers hadden de grootste vloot en namen de leiding. In 1651 namen zij ook een ijsbreker in bedrijf om het vaarwater ’s winters open te houden, een operatie die zij grotendeels zelf financierden. Andere private waterimporteurs mochten deelnemen aan deze konvooien, maar moesten achter de brouwersschuiten aan varen en hadden geen invloed op de beslissing een konvooi te vormen. Een document van het Brouwerscollege uit 1758 laat zien dat er nog dertien andereprivate waterimporteurs waren. Zij leverden behalve aan individuele klanten, ook aan industrieën, zoals suikerraffinaderijen, schilders en hoedenmakers, die een toevoer van schoon water nodig hadden. De brouwers gebruikten een groot deel van hetwater voor zichzelf, maar leverden een deel ook aan privépersonen.

Lange tijd werkte dit systeem goed. Toch werden van tijd tot tijd nieuwe plannen voorgesteld. Al in 1654 bijvoorbeeld om een groot kanaal te graven dat Amsterdam met de Vecht verbond, deels ten behoeve van een gemakkelijke watervoorziening. In 1682 bepleitte een zekere Elias Sandra de aanleg van een kanaal, een aquaduct en een reeks diepe bronnen. En zes jaar later presenteerde de schilder Jan de Bray in samenwerking met burgemeester Nicolaes Witsengedetailleerde plannen voor een gigantisch reservoir. Het liep allemaal op niets uit, niet in de laatste plaats vanwege de hoge kosten. De voordelen waren ook nogal onzeker en beperkt. Bovendien had het stadsbestuur zijn handen vol aan de uitbreiding van de stad en de watercirculatie in de nieuw gegraven grachten.

 

Proef

Maar in de 18de eeuw nam de officiële belangstelling voor dit soort plannen toe. De thesauriers (financiële dienst) van de stad onderzochten realistisch ogende ideeën aandachtiger dan voorheen. Ene Cornelis Langevelt, bijvoorbeeld, opperde in 1748 om een pijplijn met een pompsysteem aan te leggen vanuit de Vecht nabij het plaatsje Vreeland. De thesauriers vroegen de brouwers en de andere waterimporteurs ook eens naar het voorstel te kijken, die vervolgens enkele ontmoetingen hadden met de hoopvolle uitvinder. De waterimporteurs waren uiterst negatief: zij beschouwden het als een directe bedreiging van hun levensonderhoud. Maar de brouwers waren positiever. Ze kwamen met Langevelt een vergoeding overeen voor het water en voor de locatie van kranen en inzamelpunten. Wel moest er ook een regeling komen met de stad Weesp, die een aanzienlijk bedrag aan tol op de waterschuiten inde.

Aquaducten en watersystemen met pijpleidingen bestonden al overal in Europa. Een kleine pijplijn verbond bijvoorbeeld sinds de 16de eeuw de brouwerijen van Antwerpen met het water van de stadssingel en Londen had midden 17de eeuween uitgebreid en verfijnd stelsel aangelegd. De technologie was dus bepaald geen mysterie. Als de burgemeesters van Amsterdam het nodig vonden, was zo’n systeem goed mogelijk.

De brouwers en de waterimporteurs waren echter bezorgd dat ongelukken, sabotage of slijtage moeilijk te repareren zouden zijn. De watertoevoer van Amsterdam zou buitengewoon kwetsbaar worden. Uiteindelijk adviseerden de thesauriers een proefperiode van drie jaar; de ijsbreker en de brouwersschuiten moesten in bedrijf blijven om tekorten op te vangen als het systeem faalde. Langevelt kreeg de verzekering dat hij het monopolie op waterverkoop zou krijgen, om zijn investering terug te kunnen verdienen, maar de stad zag ervan af om zelf geld in de onderneming te steken. Langevelt lijkt daarop zijn plannen te hebben opgegeven.

 

Kelders

De interesse van de brouwers voor Langevelts plan had te maken met de veranderingen in de brouwerij-industrie en met de betekenis van geïmporteerd water in de totale watervoorziening. Veel huizen in Amsterdam, vooral die van de beter gesitueerden, hadden eigen waterkelders. Ook de armen konden met vaten of andere containers enig regenwater opvangen, dat in noodgevallen een buffer vormde. De private kelders varieerden enorm in omvang: van vijf tot wel 100 vaten. Als we uitgaan van een gemiddeld huishouden van vijf personen, komt dat neer op een capaciteit van 100 tot 2000 liter per persoon. Bij consumptie van een emmer water (dertien liter) per dag was er voorraad genoeg voor ten minste een week tot meer dan vijf maanden.

Een onderzoek door de stadsregering naar alle publieke en kerkelijke waterkelders in de stad in 1755 mat zowel de bestaande capaciteit van hun kelders als de mogelijkheden (en de kosten) van uitbreiding. Er werden 124 kelders geteld, met een totale capaciteit van 2.710.100 liter – genoeg voor een dagelijkse grote slok water voor elke inwoner van Amsterdam. Het meeste water ging naar instellingen als het stadsweeshuis, de gevangenis, et cetera, maar ook werd een deel aan burgers verkocht. De registersvan de waterverkoop van de Oudezijds en de Nieuwezijds Huiszittenhuizen, die zulke kelders bezaten, geven aan dat er geen geregelde of structurele tekorten in de watervoorziening waren en dat er genoeg extra capaciteit was als zich toch een tekort voordeed.

In de armere delen van de stad ontbrak deze infrastructuur van kelders: vele huishoudens bezaten hoogstens een kleine voorraad. In een droge of in een koude periode raakte daar als eerste het water op. De armen moesten dus het vaakst geïmporteerd drinkwater kopen. Aan die terugkerende vraag konden de brouwers – de grootste importeurs – steeds moeilijker voldoen. Ze haalden minder water binnen, omdat ze zelf minder water nodig hadden. Het ging de brouwers van Amsterdam minder goed in de 18de eeuw, net als hun collega’s van bijna alle Nederlandse steden. Bierproductie en bierconsumptie namen vanaf de 17de eeuw overal af door de groeiende populariteit van dranken als wijn en jenever, maar vooral van koffie en thee. Tegen het midden van de eeuw bezaten zelfs de armste huishoudens de middelen om thee of koffie te zetten.

 

Heffing

Van de 23 Amsterdamse brouwerijen in 1685 waren er in 1750 nog zeventien over, in 1785 slechts twaalf. Een steeds kleinere groep moest de kosten van de watervoorziening dragen. Kosten die relatief vast waren, met de ijsbreker zonder twijfel als grootste. De inzet van de ijsbreker kon tot duizelingwekkende uitgaven leiden. In de extreem koude winter van 1783-1784, bijvoorbeeld, waren er 82 paarden voor de ijsbreker nodig en voor de 43 waterschuiten in het konvooi nog eens 745. Kosten: f 3313,-, tegen enkele honderden guldens in normale jaren. De ijsbreker en de waterschuiten moesten elke winter ook flinke reparaties ondergaan.

Deze gemeenschappelijke kosten werden betaald uit een heffing op elke bootlading water. Tot de jaren veertig van de 18de eeuw lag die stabiel op dertien stuivers per boot, maar daarna liep de heffing snel op, soms tot 60 stuivers. Terwijl de totale hoeveelheid water die de brouwers importeerden voortdurend daalde, bleef de stadsbevolking – en de behoefte – constant. De Amsterdammers verwachtten niet dat drinkwater zomaar gratis en onbeperkt beschikbaar was, maar wel dat zij van de brouwers water konden kopen voor een redelijke prijs, zeker in tijden van tekorten, en ze ergerden zich aan wat ze zagen als hamsteren of prijsopdrijving.

De brouwers op hun beurt vonden dat ze bij de waterverkoop niet bijster veel keus hadden. Ze klaagden zelfs dat de gemeenschap hun verantwoordelijkheden verkeerd begreep: “omdat [ze] dagte dat de ysbrecker aan de stad behoorde en dat de brouwers voor de gemeente water moesten bezorgen, ’t geene teegen de waarheid aanliep”. Zij waren geen stadsinstelling, dus formeel niet verplicht het water te leveren, maar dat deden zij toch, uit “vriendelijkheid” en “om de smalle gemeente in tranquiliteyt te doen blyven”.

 

Breekpunt

De winter van 1783-1784 was een breekpunt. Het ijs was zo dik dat de brouwers genoodzaakt waren de ijsbreker alleen uit te sturen, niet gevolgd door waterschuiten, omdat de trekpaarden de jaagpaden al volledig in beslag namen. Er was geen ruimte voor de honderden paarden van de volgboten.

Die winter vroegen de brouwers in vergadering de stad om financiële steun. Het toevalwil dat diezelfde avond een grote groep Amsterdammers hen “met vele vloeken en scheldwoorden” aansprak om de waterwegen te openen. De brouwers zagen de waterverkoop meer als een burgerplicht dan als een mogelijkheid om winst te maken – en misschien ook wel als de prijs die ze moesten betalen om een confrontatie met een woedende menigte te ontlopen. De stadsregering kwam over de brug en bood aan de ijsbreker over te nemen, wat de brouwers onmiddellijk accepteerden, onder voorbehoud dat ze gegarandeerde toegang tot water behielden. De regeling hield in dat de brouwers voor elke waterschuit die de ijsbreker volgde voortaan een vast bedrag van f 1,- (twintig stuivers) gingen betalen.

Het stadsbestuur begon nu ook aan een bouwprogramma van waterkelders: een betrouwbaar en vooral flexibel netwerk dat voorzag in een noodvoorraad water. Tussen 1790 en 1824 werden er dertig publieke waterkelders aangelegd, met een totale inhoud van 42.866 vaten (4.286.600 liter). Die voorraad was duidelijk voldoende; een rapport uit 1845 meldt dat de meeste publieke kelders vele jaren ongeopend bleven, aangezien ze alleen nodig waren in de zeldzame periodes van absolute schaarste.

Uiteindelijk koos Amsterdam in de tweede helft van de 19de eeuw voor een waterstelsel met buizen, maar niet als het langverwachte antwoord op een eeuwenoud probleem. Natuurlijk kregen de voordelen van waterleidingen veel meer aandacht, door de opkomst van stoommachines – die veel water vergden – en de bezorgdheid om hygiëne, vanwege de terugkerende cholera-epidemieën (de heftigste was in 1847-1848, met 2300 doden). Voordelen die alleen maar toenamen naarmate het systeem zich uitbreidde en water in prijs daalde. Maar belangrijker was dat de oude watervoorziening goed tegemoetkwam aan bezorgdheden – betrouwbaarheid, flexibiliteit – die later minder urgent werden.

FILIP VAN ROOSBROECK IS HISTORICUS. NA ZIJN PROMOTIE IN 2016 WERKTE HIJ BIJ HET HUYGENS INSTITUUT VOOR NEDERLANDSE GESCHIEDENIS (AMSTERDAM) VOOR EEN PROJECT OVER WATERINFRASTRUCTUUR EN WATERCONSUMPTIE IN VROEGMODERN AMSTERDAM EN ROTTERDAM. DIT ARTIKEL IS EEN BEWERKING VAN ‘THE WATER SUPPLY OF EARLY MODERN AMSTERDAM. A DROP IN THE BUCKET?’ IN TSEG / THE LOW COUNTRIES JOURNAL OF SOCIAL AND ECONOMIC HISTORY,16 (2): 71-91, 2019.

 

Project-Tekening van een Cimente Versch-Waterbak van ruim 1000 Tonnen inhoud, 1806. Collectie Stadsarchief Amsterdam

Juninummer 2020

 

Delen:

Editie:
Juni
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal

Gerelateerd

Au Palais des Modes. De chique confectie van P. Mars & Co
Au Palais des Modes. De chique confectie van P. Mars & Co
Verhaal 1 juni 2020
Bevrijdingsfeesten. Op 26, 27 en 28 juni 1945 vierde Amsterdam de Bevrijding
Bevrijdingsfeesten. Op 26, 27 en 28 juni 1945 vierde Amsterdam de Bevrijding
Verhaal 1 juni 2020
Missie geslaagd. Katholieke bibliotheek in de Jacob Obrechtstraat was direct een groot succes
Missie geslaagd. Katholieke bibliotheek in de Jacob Obrechtstraat was direct een groot succes
Verhaal 1 juni 2020