Die Amsterdamse rotzakken

Zo lang mogelijk oorlog, of zo snel mogelijk vrede: wat moeten we aan met de oprukkende Fransen? Dit was de centrale vraag in het Rampjaar 1672. Als rijkste stad van de Republiek had Amsterdam een grote stem in dit dilemma.  

Amsterdam was in de jaren voor het Rampjaar op het hoogtepunt van zijn macht. Het had zich gekroond tot het centrum van de wereldhandel. Het nieuwe stadhuis was een wereldwonder en van een burgemeester als Gillis Valckenier werd gezegd dat hij meer macht had in zijn eigen stad ‘dan de Ottomaanse sultan in zijn rijk’. Ook het politieke klimaat was gunstig: de periode tussen 1650 en 1672 was het Eerste Stadhouderloze Tijdperk. En zonder stadhouder was er weinig tegenwicht voor regenten, die in de centrale regering in Den Haag de dienst uitmaakten.  

Dat de stad zich met ‘buitenlandse zaken’ van de Republiek bemoeide was niet zo vreemd. Steden en gewesten in de Republiek hadden zich altijd een hoge mate onafhankelijk gevoeld, en Amsterdam had in de 17de eeuw zoveel politieke en economische macht dat de stad min of meer autonoom kon handelen. Amsterdam had bovendien zo’n uitgebreid internationaal netwerk, dat de stad in sommige opzichten beter toegerust was voor internationale diplomatie dan Den Haag. Buitenlandse gezanten richtten zich af en toe eerder tot de Amsterdamse burgemeesters dan tot de heren van de Staten Generaal.  

Amsterdam was echter vooral een praktische stad: zolang er maar handel gedreven kon worden, was het allemaal best. Werd de handel bedreigd, dan was het tijd voor actie – met de Oranjes of zonder, met het (diplomatieke) woord of met het zwaard, met of zonder de instemming van Den Haag.  

Pijler van de staat 
Maar het Rampjaar 1672 was meer dan alleen een bedreiging voor de handel: het was een catastrofe. Amsterdam had het conflict met de Fransen zien aankomen en zich zorgvuldig voorbereid. De defensie van de stad was versterkt, de schutterijen extra gedrild en de onderlinge verschillen onder de regenten waren tijdelijk in de ijskast gezet. 

Een belegering bleef de stad uiteindelijk bespaard, maar na de Franse inval in juni maakte de Beurs een historische uitglijder, en de koersen van de VOC en WIC kelderden dramatisch. Handel viel terug door de oorlog en handel met Frankrijk, normaal gesproken een van de belangrijkste partners, was al helemaal ondenkbaar. Tegelijkertijd stegen de kosten van de verdediging van de Republiek en de stad tot astronomische hoogten. Een bezuinigingspakket – met onder andere een korting op het onderhoud van de stadszwanen – was maar een druppel op een gloeiende plaat.  

Iedereen was het er over eens: het conflict moest ten einde komen, maar hoe? Moesten er diplomatieke onderhandelingen worden aangeknoopt om vrede te sluiten, met mogelijk grote concessies naar de Fransen? Of was het beter de strijd door te zetten in de hoop de Fransen volledig te verslaan? En wie bepaalde dat?  

De wetten van de Republiek waren vrij duidelijk: oorlog en vrede was iets waarover in Den Haag besloten werd door de centrale regering, aanvankelijk gedomineerd door Johan de Witt, en na diens moord door de nieuwe stadhouder, prins Willem III. De praktijk was echter een stuk ingewikkelder. Als economisch en financieel centrum van de Republiek en als ‘Pijler van den Staat’ – in de woorden van Vondel – had Amsterdam zo’n groot aandeel in het spekken van de staatskas (en dus het oorlogsbudget) dat de stad automatisch een bijna doorslaggevende stem had. Als deze niet in acht genomen werd, zou de geldkraan zomaar eens dicht kunnen gaan – de burgemeesters maakten dit méér dan duidelijk. Zo eisten ze hun plek op aan de allerhoogste onderhandelingstafels.  

Buitenhuizen 
De koers die Amsterdam wilde varen slingerde echter nogal tijdens en vlak na het Rampjaar. Het belangrijkste doel was altijd het beschermen van de handel en de persoonlijke bezittingen van de Amsterdamse elite. Dat laatste werd een acuut probleem toen de Vechtstreek rond Maarssen in de frontlinie dreigde te komen. Hier hadden veel regenten hun buitenhuizen.  

Aanvankelijk was Amsterdam van mening dat het beter was om de strijd voort te zetten. De Fransen hadden een vredesvoorstel gedaan, maar de voorwaarden waren zo nadelig voor de Republiek en haar economie dat het volgens de burgemeesters ondenkbaar was er op in te gaan. Ze waren echter in de minderheid: het overgrote deel van de steden en staten van de Republiek was zo uitgeput dat het niets liever wilde dan de strijd ten einde te brengen door het voorstel te accepteren.  

De Fransen roken hun kans om nog meer onrust te zaaien in de binnenlandse politiek. Ze stelden als extra eis dat de vrede alleen bij volmacht – dus met instemming van alle steden – geaccepteerd zou kunnen worden. Amsterdam was nu de boeman; de Fransen dreigden dat ‘de Koning [Louis XIV] hier de hele winter zou blijven om Amsterdam te overmeesteren, en zou hierin geen enkele steen op de ander laten staan’. De druk werd opgevoerd. Speciale delegaties deden pogingen om de stad te overreden tóch het vredesvoorstel te accepteren. Ook binnen Amsterdam liep de spanning op: de burgers raakten onrustig, en schutters die de orde moesten bewaken toonden zich opstandig.  

Oranjeliefde Het tij in de Republiek was echter aan het keren. In de zomer werden de vredesonderhandelingen toch afgebroken; de Franse voorstellen werden steeds moeilijker te accepteren. De onrust in de Republiek leidde tot een geweldsexplosie in Den Haag die de gebroeders de Witt met hun leven moesten bekopen. Er was een nieuwe, sterke leider nodig, en Willem III was de aangewezen persoon: hij wilde de oorlog voortzetten. De agressieve expansiedrang van Frankrijk moest in de kiem worden gesmoord, want het bedreigde de politieke balans in Europa.

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Abonneer je Arrow right Geef cadeau Arrow right

Amsterdam was nooit een bijzonder Oranjegezinde stad geweest, en was nu ook wantrouwig, maar weer waren de burgemeesters vooral pragmatisch: ze besloten zich niet al te veel te verzetten tegen de nieuwe machthebber, ter bevordering van de stabiliteit die de Republiek hard nodig had. Ook zagen ze hoe de Amsterdamse bevolking wél riep om ‘Oranje’; op 23 augustus hadden enkele burgers zelfs een brief op de deur van de Beurs genageld waarin geëist werd dat het stadsbestuur gezuiverd werd.  

Willem III ging voortvarend te werk: overal in de Republiek vonden deze zuiveringen plaats, ook in Amsterdam kleurden de regenten steeds meer oranje. Erg fel was deze Oranjeliefde overigens niet, sterker nog: hij verbleekte heel snel. Ook na de zuiveringen bestond de regering van Amsterdam niet uit loyale discipelen van de stadhouder. Dit zorgde meteen voor nieuwe wrijvingen tussen stad en staat in de jaren na het Rampjaar.  

Vrede van Nijmegen 
De Franse kwestie bleef hét onderwerp op de agenda: hoewel de strijd zelf zich inmiddels had verplaatst naar de Zuidelijke Nederlanden en het acute gevaar voor Holland geweken was, bleef de vraag of het beter was om de Fransen tot het einde te bevechten of vrede te sluiten. Amsterdam veranderde van mening: de kaarten lagen nu net even anders, vrede was tóch beter voor de handel dan de dure, lange oorlog. 

Willem III was het hier pertinent niet mee eens, maar Amsterdam trok aan het langste eind. Het lukte de stadhouder niet om greep te krijgen op de stad, en het stadsbestuur verenigde zichzelf én andere steden steeds meer tegen hem. De ‘Hollandse Oorlog’, zoals het conflict uiteindelijk heette, eindigde in 1678-1679 met de Vrede van Nijmegen. Uiteraard claimden de Amsterdamse burgemeesters daar een prominente plaats aan de onderhandelingstafel én in de achterkamertjes met de Franse gezanten. Ze hadden hun zinnen gezet op een nieuw, groot, voordelig handelsverdrag.  

De vriendschap met de Fransen (en hun handel) werd in Nijmegen weer hersteld. De relatie met de stadhouder niet: deze strijd zou zich nog jaren voort gaan slepen. Voor Willem III was het onbegrijpelijk hoe die ‘rotzakken van Amsterdam’ er keer op keer in slaagden de koers van oorlog en vrede voor de hele Republiek te bepalen, terwijl het toch maar één stad was, en steden zich niet met de internationale diplomatie hadden te bemoeien!  

De verklaring is niet zo ver te zoeken: het geld regeert.  

 

Beeld header: Collectie Amsterdam Museum. De binnenplaats van de Beurs van Hendrick de Keyser 1660-1690. Schilderij Job Adriaensz. Berckheyde. Fragment

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Economie Politiek
Editie:
Mei
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1600-1700