Dichtende herbergier voorspelde eindtijd

Tegelijk met de nieuwe biografie van Vondel is een proefschrift verschenen over zijn illustere tijdgenoot Jan Zoet. Hoewel deze schrijvende, dichtende en vuilspuitende herbergier minder fraaie letterkundige werken heeft nagelaten dan Vondel, is zijn levensbeschrijving ongeveer twee keer zo dik. Zijn biograaf Rudolf Cordes legt dan ook bijna alle pennenvruchten van de minor poet onder de loep, en dat zijn er nogal wat.

Zoets eigenaardigheden zijn een vuistdikke pil zeker waard en Cordes corrigeert en verheldert het beeld van zijn held op verschillende punten. Zo kennen we eindelijk Zoets echte geboortejaar: 1609. Op 8 september van dat jaar is hij gedoopt. De jonge Zoet, toen nog Soet, maakte naast satirische gedichten en rijmprenten talloze loftuitingen op de Oranjes, zoals zijn verloren gegane debuut Meyspel. In zijn kluchten werd flink gevoosd, zoals in de 'chronique scandaleuse' Grove Roffel onder meer achter de gordijntjes van de schouwburgloges. Die schouwburg wilde Zoets seksueel getinte kluchten niet op het toneel hebben, maar bracht wel zijn serieuzere toneelstukken en het blijspel Clorinde en Dambise op de planken. Hierin nam de auteur zelf als acteur een belangrijke rol voor zijn rekening.
Na Zoets 'bekering' in 1643 kwam hij met merkwaardige religieuze denkbeelden op de proppen, die hem de flauwe bijnaam 'Jan Zot' opleverden. In het spoor van wederdoper David Joris verwachtte hij dat het Duizendjarig Rijk van Christus spoedig zou komen. Zoet zou daarbij zelf een rol spelen als voorbereider, waarna Hij zou neerdalen in het uitverkoren Nederland. Volgens Zoet zouden dan alle talen vergaan, behalve het Nederlands. Vandaar dat hij zoveel mogelijk in eenvoudig en puristisch Nederlands ging schrijven. De pasgeboren Willem III, de latere koning-stadhouder, voorspelde Zoet een grootse toekomst als Verlosser in de eindtijd. Daarop moest hij nog wel lang wachten. Na de mislukte aanslag op Amsterdam van Willem II (1650) kwam Zoet in de problemen vanwege een pamflet waarin hij de ontslagen burgemeesters Bicker beschimpte. Een lofdicht op diezelfde broers mocht hem niet meer baten: Zoet was voor zes jaar uit de stad verbannen. Tijdens zijn ballingschap verbleef hij nu en dan stiekem in Amsterdam, waar hij zijn schamele kost verdiende als aanplakker.
Na zijn terugkeer werkte Zoet als tapper in herberg De Rust op de Haarlemmerdijk, waar ook zijn filosofische fanclub 'Parnassus aan 't Y' samenkwam. Biograaf Cordes suggereert dat Zoet daar ook is vereeuwigd, op het schilderij Prinsjesdag van Jan Steen. Aan de deur van zijn herberg had Zoet in 1672 een rijmprent opgehangen. Hierop stond de dood van de gebroeders De Witt aangekondigd: drie maanden vóór hun gruwelijke einde. Twee jaar later legde de voorzienige veelschrijver zelf het loodje.

Rudolf Cordes, Jan Zoet, Amsterdammer. 1609-1674. Leven en werk van een kleurrijk schrijver, Uitgeverij Verloren, Hilversum 2008.

Maarten Hell
Juli/augustus 2008

Beeld: Jan Zoet. Stadsarchief Amsterdam

Delen:

Buurten:
Centrum
Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
2008 60
Rubriek:
Recensie
Tijdperk:
1600-1700