De zwerftocht van Theo van Gogh

Het waren vrijwel altijd logeerplekken

Zijn zeegroene herenfiets met zijtassen en kinderzitje staat tegen de omheining van het perk voor de deur. De gevierde én gehate filmer, regisseur, journalist, interviewer, columnist Theo van Gogh opereert per fiets vanuit de Pythagorasstraat. Na talloze logeeradressen en samenwoonhuizen heeft hij een basis gekozen omwille van zijn vierjarige zoon Lieuwe, die op de hoek naar school gaat en het eerste deel van de week bij hem woont.

“Ik kom uit een Amsterdamse familie, ben op 23 juli 1957 geboren in Den Haag, woonde vanaf mijn zesde in Wassenaar en ging op mijn zeventiende naar Amsterdam. Via een meisje uit Wassenaar kwam ik op Haarlemmerdijk 95, vlak bij The Movies, in een vegetarische commune terecht, boven slagerij Pouw. Niet dat ik vegetarisch was, maar daar zat ik. Ik werkte in de bouw – ik heb jaren in de bouw gezeten en ben ook schoonmaker geweest – en ging eind 1976 op een woonschip wonen in het Oosterdok, tegenover Prins Hendrikkade 143. Dat schip ligt er geloof ik nog, de Jannieto. Ik woonde er met een meisje. Niet als liefdespaar, maar om de huur te kunnen betalen. We hebben nog actie gevoerd om stroom te krijgen voor de woonboten. Hoofdkabel afgetapt en daar overheen een betonnen sokkel gezet waarop een beeld dat Miletic heeft gemaakt van twee vrijende mensen. Een stroom van liefde heette het.
 

Westerdok, Sarphatistraat, Brouwersgracht

Na weer een blauwe maandag in Wassenaar gewoond te hebben, keerde ik in 1978 terug naar Amsterdam en woonde afwisselend op de boten van Erik Masthoff en Detlev Hensel, die alle twee op een hoek in het Westerdok lagen, vlakbij het spoorwegviaduct. Ik had een weekendtas, wat kleren en boeken en logeerde een poosje bij Erik, die nu als ontwikkelingswerker bij Pronk zit, dan weer bij de beeldhouwer Detlev, wiens broer Reiner componist is en altijd de muziek voor mijn films maakt. Het was er niet comfortabel, het kon er ontzettend koud zijn want een kachel was er niet, maar het had iets romantisch en ik heb nergens zo lekker geslapen als daar.
Vervolgens zat ik een flinke tijd in Sarphatistraat 62, vlakbij de hoek Weesperplein, boven galerie Anus bij Gretchen Gestapo ofwel Diana Ozon. Detlev en ik zijn daar neergestreken vanwege de kou en in zo’n pand zit je dan beter. Daar heb ik het fascisme van de kraakbeweging van nabij meegemaakt. Als je het ergens kon meemaken, dan was het daar wel. Ik houd niet van het woord fascisme, maar sinds de NSB is er geen ondemocratischer beweging geweest dan die van de krakers.
In arren moede wilde ik rechten gaan studeren om echtscheidingsadvocaat te worden. Mijn havodiploma had ik tijdens de bouw aangevuld met staatsexamen athenaeum en mijn ouders vroegen: “Zullen we een huis voor je kopen?” Mijn opa (ingenieur Vincent Willem ja, die de Vincent van Goghstichting ter ere van zijn oom oprichtte) was overleden, er was geld en dat werd in de kleinkinderen geïnvesteerd.
Dat leek me een goed idee, want gemak dien de mens. Het werd Brouwersgracht 30 huis. Naast me woonde Willem Klein, alias Willy Wortel, het rekenwonder dat sneller kon worteltrekken dan een computer. Een merkwaardige kobold in een matrozenpakje, die ik in mijn eerste twee films heb laten opdraven. Met hem ging ik af en toe een borrel drinken in Bellefleur, dat nu Avignon of iets dergelijks heet. Een treurige bedoening met allemaal stukzuiperds. Van die vaste ploeg van twintig mensen – hebben we laatst uitgerekend – zijn er nu nog vier in leven. Het fenomeen Willem is geëindigd als vermoord. Een van de schandknaapjes bij het Centraal Station heeft hem in zijn eigen huis [op 31 juli 1986-red.] de hersens ingeslagen voor 50 gulden of daaromtrent. Ik heb niets gehoord.
 

Prinsengracht, Raamgracht, Nieuwezijds

Na een jaar rechten hield ik de studie voor gezien, verkocht het huis en ging aan de overkant, op Brouwersgracht 21, samenwonen. Het was het lappenpaleis van Julia Hazenberg, een optimistische junk, altijd omringd door figuren met vleugels en slangekleren. De filmacademie kwam ik niet op. Toen ik ze mijn eerst twee filmpjes vertoonde, kreeg ik de vraag: “Wie is uw psychiater?” Daar hoefde ik dus niet te zijn; ik ging gewoon zelf door. Verderop op de gracht stond een haringkar – “Stubbes haring, een openbaring” – en er was een bakker met een Amerikaanse slee die ik leende voor mijn film Luger. De man van de haringkar herinner ik mij als een oprechte CPN’er.
Na de Brouwersgracht verhuisde ik naar Prinsengracht 675, naar Gied Jaspars, boven de hologrammengalerie. Raamstraat 10 was vanaf eind 1985 mijn volgende slaapplaats. Het was het kantoor van uitgever Ger van Wulften, waar ik ’s nachts en in het weekend terechtkon. Verder heb ik in de Rustenburgerstraat gezeten en op de Nieuwezijds Voorburgwal vrijwel altijd logeerplekken, omdat ik het veel te druk had voor wonen. Ik was bezig met film, interviews, stukjes schrijven. Spullen had ik nauwelijks, een schrijfmachine had ik niet. Als filmrecensent en columnist van Het Parool kon ik nog niet eens typen. Dat werd voor me gedaan door een redacteur en waarschijnlijk werden zo ook mijn teksten een beetje in de gaten gehouden.
 

Via New York naar de Pythagorasstraat

Ik werkte en ik sliep. Of ik zat in café De Pieper, verderop op Prinsengracht 424. Huis, bezit – het zei me niets. Na de Nieuwezijds woonde ik in 1990 negen maanden te New York in een poging om daar te filmen. Dat is niet gelukt, waarna ik weer terugkeerde naar Amsterdam. Die twee steden zijn niet te vergelijken. Amsterdam is zoveel kleiner, zoveel provincialer – waar ik overigens niets tegen heb. Het is een dorp vergeleken met die wereldstad. Maar ik vind Amsterdam een fijne stad, nergens anders in Nederland zou ik willen wonen dan hier.
Met de komst van Lieuwe begon er wat regelmaat in mijn behuizing te komen. Heleen en ik woonden in Noorderstraat 39A toen we gingen scheiden. Ik vertrok in het voorjaar van 1992 naar een grotere woning in de Van Reigersbergenstraat, nummer 798, het appartement van Parool-columnist Martin Bril, en sinds april 1993 woon ik hier, op de eerste etage van Pythagorasstraat 133, als vrijgezel en part-time vader. Het is een beetje Appingedam 1955 met een zekere sociale controle, ruime stoepen waar de kinderen op kunnen spelen, een gemengde bevolking, wat ik heel aardig vind, weinig auto’s en de school op de hoek. De groenteman zit daar en de slager zit daar. Precies goed dus.”

Ook zo geboeid door de Amsterdamse geschiedenis? Kies dan voor voordeling kennismakingsabonnement op Ons Amsterdam -- dan krijg je er nog cadeautjes bij ook!


Jochem Brouwer & Jojanneke Claassen
Januari 1996

Beeld. Warmoesstraat 131 met een geschilderd portret van Theo van Gogh op het pand. De spuitbusschildering werd gemaakt door Donovan Spaanstra direct na de moordaanslag en is later in de stadscollectie opgenomen van het Amsterdam Museum. Fotograaf Martin Alberts. Collectie Stadsarchief Amsterdam

Delen:

Gerelateerd

Amsterdam, 5 juli 1895. Artis laat weten:
Amsterdam, 5 juli 1895. Artis laat weten:
5 juli 2020
2 juli 1917. Aardappeloproer in de Marnixstraat
2 juli 1917. Aardappeloproer in de Marnixstraat
Actueel 2 juli 2020
1 JULI KETI KOTI
1 JULI KETI KOTI
Actueel 1 juli 2020