De zwerftocht van Rudi Dantzig

Balletleider, choreograaf en schrijver Rudi van Dantzig is op 4 augustus 1933 geboren in het dorpse Noord. Vanwege het gevaar van bombardementen op de nabijgelegen Fokker-fabriek verhuisde het gezin in de oorlog naar Bos en Lommer. Op zijn 20ste verliet hij het ouderlijk huis, maar nadat hij in de Emmastraat was beland, kwamen z’n ouders op zijn verzoek daar ook wonen.

“Ik denk dat ik gewoon thuis, op Wingerdweg 359, ben geboren, maar ik heb het eigenlijk nooit gevraagd. Het rare is dat ik me voor dit soort dingen pas de laatste tijd interesseer. Ik vraag me ook af of ik door mijn moeder met de borst gevoed ben of niet. Ik weet dat ze mijn broertje Bob zelf voedde. Die werd op 10 juni 1944, kort voor de hongerwinter geboren – ik was toen tien, dus dat kan ik me herinneren – maar of ze dat met mij ook deed? Het zal wel en ik zal ook wel op de Wingerdweg ter wereld zijn gekomen. Het was gewoon dat kinderen van arbeiders in de slaapkamer werden geboren.
Mijn vader werkte bij Fokker. Dat was vrij dichtbij. Hij ging bij Wals, de groenteman, linksaf de Sneeuwbalstraat in. Die straat mochten wij als kinderen eigenlijk niet oversteken, omdat daar het gemeentedorp lag. Een wijk, speciaal gebouwd voor asocialen. Meestal speelden we op de stoep of we staken over naar het Florapark, naar het zwembad.
We woonden in een heel klein benedenhuis, waar ik kon spelen onder de trap of tussen het dressoir en het raam in de huiskamer. Mijn ouders hadden hun slaapkamer achter de huiskamer en dan moet er nog een klein kamertje voor mij zijn geweest tussen de slaapkamer en de keuken in, maar dat weet ik niet precies meer. Achter keuken en slaapkamer lag een grote tuin, waarin bloemen bloeiden.
Floxen, herinner ik me. En daar was mijn zandbak, vlakbij de keuken. Die had mijn vader voor me gemaakt.
Het was echt Noord. We gingen naar De Stad als mijn moeder met me naar de pont ging. Naar de Cineac of naar de Bijenkorf – dat was voor ons, dorpelingen, geweldig. Verder speelde ik met Corry Vonk en Jantje Prins, wiens vader op de etage boven ons harmonica speelde. Ik heb die muziek, die zo bij mijn jeugd leek te horen, nog eens in een ballet gebruikt. Vlakbij woonde een familie Honig of Honing, waar ze op zaterdagavond ‘broeder’ aten, meel dat in een zak boven stoom hing ofzoiets, met stroop. Ik was toen nog enig kind en broeder eten bij dat gezin vond ik een feest. Met een dochter van Honing liep ik dagelijks het hele Florapark langs, naar de Wingerdschool, een imposant gebouw dat ze nu aan het afbreken zijn, vlakbij de Duizendschoonstraat. Ruim een kilometer naar school en weer terug. De Wingerdweg is heel lang.
In het begin van de oorlog stopte een Duitse legerauto voor onze deur. Het bleek een vriend van mijn ouders te zijn. Iemand die ze voor mijn geboorte in Duitsland hadden leren kennen, toen ze daar wandeltochten maakten met de communistische jeugdvereniging. Hij was een hoge ome geworden in het leger en zorgde voor een hele consternatie. Zo’n man met een pet. Ik weet nog de paniek van mijn ouders. Ze konden hem niet op de stoep laten staan, dus ze lieten hem even binnen. Buiten zo’n rijtje mensen die stonden te loeren en binnen mijn ouders die vreesden de naam te krijgen van ‘heulen met de moffen’, terwijl ze zo fel anti waren.
We zijn uit Noord weggegaan toen mijn vader het daar vlakbij Fokker te gevaarlijk begon te vinden. Ik weet nog dat wij op een dag met de hele straat naar de hoek holden en rookwolken boven de Fokker-fabrieken zagen. Toen wilde mijn vader weg.  Eerste zijn we bij een collega van hem in Bussum op een kamer gaan wonen. De vrouw van die man was een vreselijk loederig mens, want als ik ’s ochtends vroeg zat te tekenen deed zij de deur open, zei niets en knipte het licht uit, omdat het elektriciteit kostte. Bussum heeft maar kort geduurd, maar het leek verschrikkelijk lang.

Lanseloetstraat
Bos en Lommer, een vlak voor de oorlog gebouwde wijk – nog niet eens helemaal af – lag daar in het open land als een lichte oase, toen ik met mijn moeder naar het nieuwe huis ging kijken. Ik was een jaar of acht en ik herinner het me als een visioen van geel zand en lichtgele woningen. Na dat Wingerdweg-huisje en die nare kamer in Bussum was de derde etage van Lanseloetstraat 7 licht, open en zonnig met grote vierkanten ramen. We verhuisden omdat mijn vader bang was voor bombardementen, maar toen we er net woonden, viel een stuk vliegtuig precies in een open blok bij de Marieke van Nimwegenstraat. Ook op het land stortten soms vliegtuigen neer.
Op de hoek zat een melkzaak waar Comestibles op stond – dat vond ik zo’n raar woord. Net zoals de banketbakker op de Bos en Lommerweg, Maison Pruvé, waar we ijsjes haalden. Ma-ie-zon Pruvé. Driehoog woonden we, maar het had ook daar allemaal iets dorps. Van de Erasmusgracht lag het water toen veel lager, want ik herinner me een echte helling met bosjes, waar we speelden en waar de eerste vieze spelletjes gebeurden. En in de Hongerwinter zwommen mensen over om bij de tuinders groenten te halen of te stelen. Mijn vader heeft nooit gezwommen, maar de buren wel.
Bij de brug hield de bebouwing op, verder was het allemaal land. Voor kinderen was dat spannend en griezelig, heerlijk. In feite een hele grote tuin met plassen, kikkers, moerassen. Hier begon ik als kind eigenlijk al te voelen dat ik homoseksueel was – dat wist ik toen nog niet. Tegenover ons woonde Jan, over wie ik in Voor een gestorven soldaat heb geschreven. Hij was, net als ik, naar Friesland gestuurd in de Hongerwinter. Na de oorlog zat ik dan verstolen te gluren naar die jongen. En er was een vrouw aan de overkant die ging scheiden, iets nieuws in die tijd – bij arbeiders in elk geval. Er lag in de buurt een doem over die mooie, stille vrouw. Heel geheimzinnig en erg was het, maar als ik thuis vroeg wat er met haar was, werd dat gewoon niet uitgelegd.
In de Lanseloetstraat heb ik mijn eerste balletlessen gekregen, op het hoekje. Een paar jaar na de oorlog, bij een mevrouw die danste bij Scapino. Haar meubels schoof ze ’s avonds naar de zij-suite en haar man schoof ze ook naar de zij-suite en in die lege kamer kregen wij dan les. Met uitzicht op de tuinderijen. Mijn ouders hadden heel weinig geld en buurvrouw wou graag een jongen tussen haar leerlingen hebben, dus hoefden we niet te betalen.
Ik ben nog eens bij mijn huis gaan kijken en tot mijn verbazing zag ik dat na 50 jaar nog steeds die etagecijfers op houten bordjes bij de bellen staan. Brievenbussen in steen met, uitgebeiteld, ook die etagenummers. We hadden een kelder, een berghok op de begane grond. Daar moest ik kolen scheppen en op de veranda stond de grote zinken vuilnisemmer die je eenmaal per week naar omlaag moest sjouwen. Achter de straatdeur: granieten vloer, zwarte tegels, structuurmuur – precies als toen. Niets veranderd. Tot mijn 20ste heb ik daar gewoond. Ook zo gek dat je zo lang thuis woonde. Dat was vroeger heel gewoon. Ik ging het huis uit omdat het Nederlands Ballet naar Den Haag ging. Maar in Den Haag heb ik maar half geleefd. Wat een saaie stad vond ik dat.

Spiegelgracht
In 1960/1961 kwam ik met het Nederlands Ballet, dat toen Nationaal Ballet was geworden, terug naar Amsterdam, waar ik eerst op Spiegelgracht 21 op een kamer heb gewoond. Schuin boven de boekwinkel zat ik. Mijn beste vriend – nog steeds – Toer van Schayk had een beurs en hij studeerde in Antwerpen. Ik woonde op een achterkamer met als buur een jongen voor, een student die ontzettend veel dronk, vooral ’s nachts. En ik weet nog dat ik, wat helemaal niet mijn stijl is, een keer woedend de gang op ben gegaan en geschreeuwd heb dat er ook mensen waren die overdag moesten werken. Een hele aardige jongen verder, alleen zoop hij als een idioot.
Ik liep naar de Schouwburg over de Zieseniskade, of ik maakte een ommetje over de Prinsengracht. Toen Toer na een jaar terugkwam, zijn we een huis gaan zoeken waar hij een atelier kon hebben. Hij beeldhouwde toen.

Eerste Looiersdwarsstraat
De Jordaan was ook weer een dorp, net als de Bos- en Lommerbuurt. Iedereen wist wie er op bezoek kwam, wat je deed en of je ruzie had of niet. We woonden vlak naast het café op de hoek waar we nooit kwamen. Geen geld, geen interesse. Vrij saaie, hardwerkende mensen waren we, die bijna nooit thuis waren. Maar toch wist iedereen alles van je. Heel gek. Het had iets gezelligs, maar ook iets benauwends. Toen het uitraakte met Toer en ik daar alleen zat met alle herinneringen en bemoeienis van de buurt ben ik er weggegaan.
Eerste Looiersdwarsstraat 27 was een oud pandje dat voor ƒ 10.000 te koop stond. Er had een vrouw met een grutterswinkel in gezeten, de laatste winkel in de stad met koperen handweegschalen. Haar foto heeft op de cover van Ons Amsterdam gestaan – dat las mijn vader – en Toer en ik hebben die foto ingelijst en opgehangen. Bij de huidige bewoners hangt-ie nog steeds. We vonden de prijs ontzettend hoog en alleen met hulp van Toers moeder hebben we dat pandje op het nippertje kunnen kopen. Bij mijn ouders hoefde ik helemaal niet aan te komen om zoveel geld. De bewoonster kon geen trappen meer lopen, dus die had haar bed in een klein hokje tussen winkel en keuken, met een luikje in de houten wand om te zien of er iemand in de winkel was. Maar de etage daarboven en het zoldertje, waar grutterswaren hadden gelegen, waren al jaren niet meer betreden, dus muizenkeutels, dooie muizen, skeletjes, vuilnisbakken vol, schepten we weg.
De wand met het luikje sloopten we voor Toer zijn atelier. De voordeur moest een trekbel hebben en in het bovenlicht van de deur zetten we zo’n ding, een levensboom heet dat, geloof ik. Prachtige oude tegeltjes die boven in een doos stonden, hebben we in de keuken aangebracht en ik heb er heerlijk gewoond. Een fijne tijd, ondanks veel emotionele gebeurtenissen.

Emmastraat
In het huis dat ik nu bewoon, Emmastraat 27, ligt mijn hart niet. Huis noch buurt spreken me aan. Het heeft grote, hoge kamers en er is een beschaduwde tuin. Boven me wonen gelukkig balletcollega’s.
Door opdrachten in het buitenland ben ik er vrij weinig en actie ondernemen om weg te gaan, doe ik eigenlijk niet. Sinds ik geen artistiek leider meer ben, probeer ik wel eens iets aan de tuin te doen, maar ik heb last van mijn knieën en van mijn rug – dat gezeur van ouder worden vind ik verschrikkelijk. Wat ik wel heerlijk vind is onze boerderij met Toers atelier bij Hoorn. Daar ga ik met de auto heen en knip en snoei in een poging om van de enorme boomgaard een natuurtuin te maken. (Alleen voor de boerderij stap ik in de auto. Ik fiets, ik neem de trein als ik een lezing ga geven. Ik hou vaak lezingen, dat vind ik leuk, maar parkeerplaatsen zoeken met zo’n auto, nee.) Maar echt op de boerderij gaan wonen, ook in de winter, dat lijkt me niks.
Toen zo’n zestien jaar geleden in de Emmastraat een verdieping boven vrijkwam, heb ik mijn ouders gevraagd om van de Lanseloetstraat naar mijn huis te verhuizen. Mijn vader was tegen: ‘We moeten niet op Rudi’s lip zitten.’ Maar mijn moeder wilde graag. Ik vermoed dat ze wist dat ze gauw dood zou gaan. Mijn moeder heeft, hoewel ik dat absoluut niet van haar verwachtte, mij altijd met het huishouden geholpen. Ze maakte schoon, haalde de vuile was op, deed boodschappen als ik daar in de tijd dat ik artistiek leider was van het Nationaal Ballet geen tijd voor had.
Mijn ouders zijn dus gekomen en mijn moeder is in 1980 aan longkanker overleden, terwijl ze nooit een sigaret heeft gerookt. De twaalf jaar dat mijn vader nog leefde, was het goed dat hij bij mij boven woonde. Hij at vaak bij me en hij ging soms mee naar Frankrijk. Als hij nog in de Lanseloetstraat had gewoond, was hij totaal vereenzaamd. Ik denk dat mijn moeder dat voorvoeld heeft.

Jochem Brouwer en Jojanneke Claassen
Februari 1995
Beeld: Rudi van Dantzig, choreograaf, 15 juli 1965. Nationaal Archief. 

Delen:

Buurten:
Nieuw-West Noord Zuid
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Februari
Jaargang:
1995 47
Rubriek:
Markante Amsterdammers
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000