De zwerftocht van Remco Campert

Als geboren Hagenaar werd Remco Campert, net als Simon Carmiggelt, een hartstochtelijk Amsterdammer en ook hij verkende de stad lopend. In ‘IK, IK, IK’ schreef Campert: “ik heb kilometers straat aan de huid van mijn voeten”. Nu hij 67 is, en na talloze adressen, heeft Campert zijn draai gevonden in een prachtig huis in de Jan Luijkenstraat.

“De AJP- puddingfabriek in de Huidekoperstraat, een van die twee straatjes langs Alhambra en uitkomend op de Nicolaas Witsenkade, lag tegenover ons huis op nummer 23. Als ik op mijn twaalfde, denk ik, tussen de middag uit school kwam, zaten de meisjes uit de fabriek altijd op onze stoep te zonnen. Van die brutale meiden met witte mutsjes en witte jassen. En daar moest ik dan tussendoor stappen. Voor de hoek was ik al bang en kwam ik de hoek om, dan zag ik… ja hoor. Mijn moeder [actrice Joekie Broedelet – red.] had een engagement in Amsterdam en in verband daarmee verliet ik Den Haag, waar ik op 28 juli 1929 ben geboren. We woonden boven een oude paardenstal, die als fietsenstalling werd gebruikt en waar de NSB eenmaal per week liederen kwam zingen, maar het was een fijn buurtje. Schaatsen op de Nicolaas Witsenkade – daar heb ik nog een gedicht over gemaakt; dat ik samen met mijn vriendje een briefje van ƒ 25 op het ijs vind. En dan had je de resten van het Paleis van Volksvlijt op het Frederiksplein, waar de prachtige galerij nog van over was.
Ik heb even op het Frederiksplein op school gezeten, maar dat was echt heel kort. Daarna kwam het Amsterdams Lyceum op het Valeriusplein. Over de Weteringschans liep ik naar lijn 16 op het Weteringcircuit, die me keurig voor school afzette – áls ik instapte. Ik spijbelde nogal. Dan liep ik over de Weteringschans, twijfelend of ik wel of niet. Vaak sloeg ik resoluut rechtsaf, richting binnenstad.

Vooral de laatste maanden ging ik nauwelijks meer. Ik vond die school verschrikkelijk, helemaal toen ze me een klas terugzetten. Ik had er goeie vrienden, zoals Rudy Kousbroek, met wie ik in het Lyceum Café (op de hoek Okeghemstraat, het is nu een restaurant) rondhing. Niet voor pils of zo, want daar waren we nog niet aan toe. Voor de schoolkrant Halo, waar we aan meewerkten. Maar dat hele onderwijs… ik heb het examen niet eens gedaan. Ik heb me op school nooit op mijn gemak gevoeld.

Van Eeghenlaan, Kerkstraat
Een groot deel van de oorlog woonde ik in Epe op de Veluwe, maar in 1945 was ik weer terug in de Huidekoperstraat 23, terug in Amsterdam. Ik ben van die stad gaan houden, het is echt mijn stad geworden, al is er één ding dat ik wel altijd gemist heb: de zee. Je kon wel naar zee, natuurlijk. Dan ging je met de blauwe tram. Waar nu Athenaeum Nieuwscentrum is, op de hoek van de Spuistraat en het Spui, was het beginpunt van de tram naar Zandvoort. Maar de zee zoals in Den Haag onder bereik, nee.

Ik werd verliefd op Freddy Rutgers, een Wassenaars meisje dat aan de tekenacademie studeerde, en dat was voor mij het moment om het huis uit te gaan. Bij Bert Schierbeek, die ik uit de dichterskringen van Reijnders en Eylders op het Leidseplein kende, konden we een kamer krijgen in zijn huis, Van Eeghenlaan 7. In die tijd was zoiets niet gepast, maar Bert was zeer ruim en zeer behulpzaam. Ook mijn moeder deed er niet echt moeilijk over en ten slotte zijn Freddy en ik ook netjes getrouwd. We woonden in de Van Eeghenlaan en zaten veelvuldig in Parijs tot we in 1952 een verdieping in de Kerkstraat konden krijgen.

Op nummer 15, vlakbij de Leidsegracht, kregen we een benedenverdieping met een souterrain dat helemaal volgestouwd zat. Onze huisbaas woonde boven ons, een reusachtige aardappelboer met handen als kolenschoppen. Zulke grote handen had ik nog nooit gezien. En heb ik sindsdien ook niet meer gezien. Het was een aardige man met een pet. Geen Amsterdammer, hij kwam geloof ik uit Nood-Holland. Onze woonkamer was vrij behoorlijk, wel laag, en daarachter hadden we een klein keukentje met een wc in de hoek, waarvan de deur niet dicht kon als je erin ging. Dan was er nog een piepklein binnenplaatsje. Aan de straatkant hadden we een klein voorkamertje, wat mijn werkkamer was. In die tijd werkte het GEB nog met munten voor gas en licht. Munten die je bij de melkboer kon kopen. Als het licht plotseling uitging, stopte je een munt in de meter en dan liep het zaakje weer. Bij ons is het meer dan eens voorgekomen dat na zessen het licht uitfloepte, melkzaak al dicht, dus dan zat ik in mijn werkkamer bij het licht van de lantaarnpaal die voor ons huis op de stoep stond te werken. Vlak voor de Kerkstraat hebben we nog korte tijd op tochtige kamers in de Bethamiënstraat gewoond, waar we onder een karpet lagen wegens de kou. Ook in de Kerkstraat was het altijd koud. Van die hele periode herinner ik me dat het altijd koud was.
De stormnacht van de ramp in februari 1953. We waren naar een feest geweest en kwamen heel laat of heel vroeg – hoe moet je het noemen – door die razende storm naar huis. Toen we ’s middags wakker werden, hoorden we pas van de ramp.

Catskade, Vondelstraat, Bloemgracht
Tot 1955 heb ik in de Kerkstraat gewoond, maar toen werd ik verliefd op Fritzi ten Harmsen van der Beek, bij wie ik in Blaricum introk. Het huwelijk met haar liep al gauw stuk en na twee jaar was ik weer terug in Amsterdam. Samen met Jan Vrijman kon ik op de Jacob Catskade wonen, in het oude huis van Gerrit Kouwenaar. Jan had de grote kamer, ik de zijkamer en we hadden wel een leuke tijd, alle twee weer zonder vrouw. Beetje jongensachtig. Maar het was klein. We wilden groter wonen. Jan wou een kantoor en na een advertentie in De Telegraaf, waartegen ik nog zwak – en vergeefs – protesteerde, konden we het huis in de Vondelstraat huren. Nummer 65. Goedkoop was het niet, maar het was op te brengen. Jan werkte hard en ik schreef verhalen, had een paar columns en ik had De Bezige Bij achter me. Als ik erg omhoog zat, kreeg ik wel weer een voorschotje van Lubberhuizen.

In 1958/1959 trokken we erin en al gauw woonden we er samen met onze vrouwen, die we in de Bamboo Bar van Hans Gruyters in de Lange Leidsedwarsstraat waren tegengekomen. Lucia en ik, Jan en Nicole, de vroegere vrouw van Kouwenaar. Gerrit was inmiddels met mijn eerste vrouw Freddy, die ik had verlaten. In 1960, in een en dezelfde week, bevielen onze vrouwen van een dochter. We hebben het daar heerlijk gehad. Ik heb daar dan ook ‘Het leven is verrukkulluk’ geschreven.

Maar met die baby’s en thuis werkende mannen ging het niet langer. Het werd te vol in de Vondelstraat en met onze Manuela trokken Lucia en ik naar Bloemgracht 189. Van 1961 tot 1963 hebben we het weten te redden daar in dat nieuwbouwhuis op de Bloemgracht. Die woning beviel me helemaal niet. Er was geen kraak of smaak aan, ik voelde me daar niet lekker en bovendien hadden we een kankerende onderbuurman. Dat was wel een Amsterdammer, maar dan van het vervelende soort. Over kleine dingen vallen. Opmerkingen over de vuilnis of te hard stampen, terwijl je je helemaal niet bewust was dat je stampte. Cleo is nog op de Bloemgracht geboren, maar toen zij drie maanden was, zijn we naar Antwerpen verhuisd. Een verademing. Huizen te kuest en te keur. Eindelijk een behoorlijke ruimte

Valeriusstraat, Van Breestraat
Daar heb ik het niet helemaal goed gedaan. Ik trok vaak naar Amsterdam. Ik was toegetreden tot de redactie van De Bezige Bij, waarin onder anderen Morriën en Schierbeek zaten, en eenmaal per twee weken was er wel een redactievergadering die dan weer uitliep, zodat ik bleef logeren. Nou was het huwelijk al een beetje scheef, maar toen ging het helemaal scheef. Ik leerde Deborah Wolf kennen, die een woning had in de Valeriusstraat en als een soort koekoek heb ik me daar in 1966 genesteld. Deborah heeft twee kinderen, ongeveer in de leeftijd van Manuela en Cleo, en het leek me verstandig om nu niet weer te gaan trouwen. Na drie keer word je daar toch een beetje voorzichtig mee.

Valeriusstraat 144-huis lag tegenover de rouwkamers van Pothoff, waar we voortdurend lijken in en uit zagen dragen. Schuin tegenover ons zaten Frank Govers en Uwe, en in ons blok was het Indonesisch consulaat in de Brachthuyzerstraat gevestigd. Tijdens de bezetting door Molukse jongeren, eind 1975, moesten we door versperringen heen ons huis zien te bereiken. Je moest je identificeren en dan werd je als een kind door een agent thuisgebracht. Op een ochtend klonken er knallen en vanachter mijn raam zag ik een agent die verdekt achter een auto lag te schieten.

Het was een fijn huis, begane grond en eerste verdieping, maar ik had er geen eigen plek. Van literair agente Carla van Splunteren, die veel in het buitenland zat, kon ik een ruimte op de Elandsgracht krijgen en daar heb ik Liefdes schijnbewegingen geschreven. Na veertien jaar moest ik weg uit de Valeriusstraat. De conflicten stapelden zich zo hoog op dat ik het tijd vond om te vertrekken. Gelukkig kon ik een bovenverdieping krijgen in het huis van Vera Beths en Werner Herbers, Van Breestraat 18. Aan de achterkant kon ik zwaaien naar Willem van Malsen die op de Willemsparkweg woonde, en ik heb daar tweeëneenhalf jaar fijn gewoond. Met die prachtige muziek. Vera studeerde wel vijf uur per dag, in de kamer onder mijn werkkamer, en ik genoot.

Alexander Boers- en Jan Luijkenstraat
Toen ze zelf die verdieping nodig hadden, verkaste ik naar Frans van Mierisstraat 47, naar een achterkamer op de eerste verdieping met een zijkamertje. Daar begon ik genoeg te krijgen van het op kamers wonen, ik werd een dagje ouder en op mijn 56ste kocht ik de tweede etage van Alexander Boersstraat 22, vanwaar ik kon zwaaien naar Vera schuin tegenover in de Van Breestraat. Van 1985 en 1996 heb ik daar prima alleen gewoond, maar Deborah en ik begonnen over trouwen te denken. We hebben het contact met elkaar nooit verbroken: we hadden het huis in Noord-Frankrijk, waar we elke zomer met de kinderen onze vakanties doorbrachten. Toen we over trouwen begonnen, wilden we ook meteen een mooi huis hebben. In Amsterdam.

Deborah hoorde dat deze woning, Jan Luijkenstraat 25, vrij zou komen. Voor minder doen we het niet. Ontzettend veel geld natuurlijk, maar we hadden allebei een huis in eigen bezit en ik kreeg net de Volkskrant-column. Alles leek opeens op zijn plaats te schieten. Een column driemaal per week, dat kan ik niet, dacht ik. Maar ik blijk zonder moeite die discipline op te kunnen brengen. Een raar soort ruggengraat. Het huis konden we kopen, de eigen huizen werden verkocht, we trouwden en nu zitten we hier, zo vorstelijk als een mens zich maar kan dromen. En wat ik nooit had verwacht: de Alexander Boersstraat ben ik prompt vergeten. Geen heimwee, niets. Prachtige, ruime en lichte werkkamer, ruimte in het hele huis en toch weer die Concertgebouw-buurt. Als een insect rond de lamp cirkel ik om dat Concertgebouw heen. Maar nu blijf ik graag even zitten."

Jojanneke Claassen & Jochem Brouwer
Mei 1997

Beeld header: Nationaal Archief/Anefo.

Delen:

Buurten:
Centrum Jordaan Zuid
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Mei
Jaargang:
1997 49
Tijdperk:
1950-2000
Rubriek: