De zwerftocht van Maarten van Traa

"Eens ga ik terug naar de Utrechtsebuurt"

PvdA-kamerlid Maarten van Traa (1945) was dit jaar vaak in het nieuws als voorzitter van de parlementaire enquêtecommissie die de opsporingsmethoden van de politie onderzocht. Van Traa woont sinds zijn studententijd in Amsterdam. Hij huurde onder meer een kamertje op de Wallen, volgens zijn rapport een crimineel eldorado.

“Amsterdam was voor mij een ver buitenland. Ik werd geboren in Oegstgeest, mijn familie komt uit Rotterdam, mijn grootouders woonden in Rotterdam, dus als ik aan een stad dacht, dacht ik niet aan Amsterdam. Ik had wel een tante die bij Het Parool werkte, maar daar ging je hooguit één keer per jaar naartoe. Later, toen mijn oudere zusje in Amsterdam muziek studeerde, kwam ik twee keer per jaar in de Henri Polaklaan, bij Artis.

James Wattstraat
Ik wist dus heg noch steg toen ik door mijn moeder in september 1962 naar Amsterdam werd gebracht. Samen met een vriendin die een auto had, reed ze me naar de Casa Academica, waar ik via studentenhuisvesting werd gedumpt. Met een rotanstoel en een slechte pick-up zat ik op kamer negenhonderdzoveel, die ik bij aankomst nauwelijks kon vinden. Dan krijg je dus het inrichten van de margarinevakjes en het probleem van brood opruimen. De gewone verhalen van kamerbewoners, maar alles bij elkaar vond ik het toch wel angstig. Leiden was ver weg en wat moest ik precies in Amsterdam?
In dat studentengebouw, waar ’s zomers hotelgasten verbleven, hing onder de bewoners – het was gemengd – een wat broeierige sfeer. Broeierig in gedachten, want je dronk alleen keurig een kopje thee bij elkaar. Als je de Casa uitkwam, stond je in een waaierig soort bouwput en je maakte dat je zo gauw mogelijk naar de stad kwam. Op de fiets. Mijn eigen fiets, die ik in de tweede klas van de middelbare school gekregen had, maar die werd al gauw gejat. Als treinliefhebber wist ik dat je heel goed Amstel-Centraal Station kon reizen, dus van die mogelijkheid maakte ik gebruik als ik weer eens geen fiets had.
Na twee maanden Casa had ik nog maar één vraag die me bezighield: ‘Hoe kom ik hier zo snel mogelijk vandaan?’ Ik was inmiddels ontgroend, dus kaalgeschoren, en voor het weekend had ik een grote pet gekocht. Ik ging, onvoorstelbaar nu, natuurlijk ieder weekend naar huis, naar Leiden, waar mijn vader hoogleraar was en waar ik dus niet naar de universiteit wilde. Het Amsterdamsch Studenten Corps was net in het nieuws door het ‘Dachautje spelen’ en ik herinner me nog wel dat ik een keer ben opgestaan met de mededeling ‘dat dit niet kon’, maar veel verder kwam ik niet. Politiek zei me nog maar weinig en als ik iets ouder en bewuster was geweest, zou ik waarschijnlijk bij het veel linksere Olofspoort terecht zijn gekomen, waar jongens als John Jansen van Galen zaten. Maar ik was net zeventien, altijd de jongste, omdat ik een jaar eerder naar school ben gestuurd, en als jongste der foeten was het al heel wat dat ik zwak protest aantekende.

Oudezijds Voorburgwal, Taksteeg
Dolgelukkig was ik, toen ik een kamer kon krijgen op Oudezijds Voorburgwal 191, boven het Noordhollands Koffiehuis van Ome Ko. Het was een kamer van twee bij drie, maar nu zat ik voor mijn gevoel eindelijk in de grote wereld. Ik ontmoette mensen van de net opgerichte filmacademie en als ik op zaterdag vanaf tweehoog uit het raam hing, zag ik de bruidsparen over de binnenplaats van het oude stadhuis gaan en dan had ik zo mijn gedachten. Mijn bed stond daar dwars voor het raam, met ernaast een oude petroleumkachel waar ik af en toe een pannekoek op bakte. Brandgevaarlijk als de pest was dat hele pand.
Bij Ome Ko kon je op rekening bestellen en ik heb daar heel wat boterhammen met gebakken ei naar binnen zitten timmeren. Vrouwen waren na tien uur niet toegestaan en lawaai ook niet. Ik speelde trombone en dat maakte lawaai en het was waarschijnlijk na tienen. In ieder geval: ik werd na een jaar ongeveer van die kamer af gezet.
Tot mijn grote geluk kon Tabare Monzon me helpen, een Antilliaan die ik uit het koffiehuis kende en die ik jaren later als een zeer geslaagde ambtenaar op de Antillen heb teruggezien. Tabare had een huis op nummer 11 van de Taksteeg, een steegje parallel aan het Spui, waar ik de meest vreemde behuizing kreeg die je je kunt voorstellen. De voorkamer had een raam, zo hoog, dat je er niet door kon kijken. Een soort kerker was het, waar ik 100 gulden per maand voor betaalde. Dat was de helft van mijn maandgeld, dus ik had baantjes: in Weesp, in de haven en in de horeca, als ober.

Reguliersgracht, Utrechtsedwarsstraat
In dat zelfde jaar, 1964, kon ik een kamer krijgen in het dispuutshuis van Unica, op Reguliersgracht 34B. Los van hospita’s, een fantastische bovenruimte met drie ramen aan de gracht – een heerlijke vrijheid. Dat was het begin van mijn ‘Utrechtse periode’. Ik ben jarenlang rond die Utrechtsestraat blijven hangen. De bakker op de hoek van Utrechtsedwars, Fred de Leeuw, die veel gewoner was dan nu, het Rembrandtplein met Schiller en de Monico, een onvergetelijke tijd. De bakker kwam met zijn kar aan huis, de melk werd gebracht en eenmaal per week gingen we met het dispuut bij Schiller een boterham kroket eten. Wij werden daar met nauw verholen minachting met ‘De Heren’ aangesproken.
Het dispuutshuis was nogal een krakkemikkige boel (aan de achterkant van mijn kamer stond een houten flexibel wandje, waar je dwars doorheen ging als je er tegenaan liep) en toen het een keer heel hard vroor, zijn we ons bij Schiller gaan scheren. In die ruime toiletten met mooie wasbakken in dat sjieke hotel. Maar daar werd snel een eind aan gemaakt.
Veel vaker zaten we bij de Monico, tegenover Schiller, waar we nooit verder kwamen dan het eerste tafeltje. We gingen dansen bij Casablanca op de Zeedijk en bij de Lucky Star in de Korte Leidsedwarsstraat, waar een uitsmijter stond die na een behoorlijke fooi ons overstelpte met goede raad. We aten in de mensa voor ééntachtig of in de Halvemaansteeg bij ‘de Tsjech’ (Ik spreek slecht Nederlands, neem me niet kwalijk). Een uitje was in die tijd Van Dobben. Dat was weer een klasse hoger.
Als jongetje uit de provincie, hoe je Amsterdam dan beleeft! Het doorzakken, de nacht halen. Ik was vanuit Leiden wel naar Noordwijk geweest, waar een café tot vier uur open was, maar dit was anders. Exotischer. De Cotton Club op de Nieuwmarkt, waar veel Surinamers kwamen, durfde ik niet goed in, maar D’Oude Herbergh in de Handboogsteeg: vaste plek tot half drie. Ieder zal op zijn eigen manier die stad ontdekken. Ik was heel roekeloos, ik riep en zei alles en heb dan ook wel eens een klap voor mijn kop gekregen. Een heel erg opgeschoten jongetje was ik toch in die eerste Amsterdamse tijd.
Na drie jaar dispuutshuis wilde ik op mezelf wonen en ik huurde een kamer in Utrechtsedwarsstraat 67. Voor korte tijd, omdat ik graag naar Parijs wilde, verliefd als ik was op een Française. Ik meldde me keurig bij het Instituut Neerlandais, waar toen ook Herman Tjeenk Willink, nu voorzitter van de Eerste Kamer, studeerde. Ik zat in hotel Molière voor tien franc per dag (als ik ruimte moest maken voor toeristen schoof ik mijn boeltje bij elkaar in een hoekje) en ik was heel eenzaam. De verliefdheid werd niks en ik miste Amsterdam met alle sociale gedoe en netwerkjes. Ik ging toen vanzelf wel meer studeren. Als toeschouwer van de Parijse mei-revolutie werd ik gekatapulteerd in de journalistiek. Ik schreef voor het Algemeen Handelsblad en werd het land uitgewezen toen ik stencils rondbracht in een 2CV met slechte remmen. In juni 1968 had De Gaulle aangekondigd dat alle buitenlanders eruit moesten, dus heb ik even in een cel gezeten en werd vervolgens het land uitgezet.

Amstel, Koninginneweg, Lijnbaansgracht
Terug in Nederland moest ik weer een kamer zien te vinden en daarvoor zette ik een advertentie: ‘Jong jurist met Franse artistieke vrouw zoekt woonruimte. Atelier zou ook heel leuk kunnen zijn.’ Op zoiets krijg je reacties. Samen met mijn latere vrouw kon ik een souterrain krijgen op Amstel 165 en daar hebben we twee jaar gewoond. Toen kreeg ik een grote beurs voor Amerika, waarvan we twee jaar in New York hebben kunnen leven.
Na New York woonden we korte tijd in op Koninginneweg 95. Dat was mijn eerste kennismaking met Zuid en ik had maar één ding in mijn hoofd: terug naar het centrum. In die tijd werkte ik voor de VPRO-televisie en via Roelof Kiers hoorde ik dat er een etage vrij kwam op Lijnbaansgracht 391, vlak om de hoek van de Reguliersgracht. Een rijkdom van een huis was dat, met een vensterbank op het zuiden. Vandaar kon je op het water zitten kijken en op de achtertuinen met platanen van de Weteringschans. Ik was terug in mijn Utrechtsebuurt.
Het was er in zekere zin versjiekt, maar minder opgelegd veranderd dan de Jordaan. De Reguliersgracht en de grote grachten, de Noorderstraat en Fokke Simonszstraat, het was een interessant en stabiel deel van de stad. Ik weet nog dat er van gemeentewege een boom moest worden omgehakt. Wij riepen ‘schande’ en vormden een actiecomité voor het behoud van de boom. Via de fractie wisten we de boom in de raad te krijgen, we wonnen en twee dagen later is die boom spontaan de gracht in geflikkerd.
De Partij van de Arbeid, waarvan ik in 1979 internationaal secretaris werd, zat nog in de Tesselschadestraat en ik bestond het om van mijn huis op de Lijnbaansgracht met de auto naar de Tesselschadestraat te gaan. Over politiek correct gesproken! Ik kende alle parkeerplekjes in de stad. Het hoekje bij het Handelsblad op de Nieuwezijds, het plekje pal naast de politie-Volkswagen voor bureau Leidseplein, en bij het Centraal Station had ik een aantal plaatsjes tussen de fietsenstalling en de westelijke onderdoorgang.

Nieuwe Spiegelstraat, Michelangelostraat
Van 1973 tot 1990 heb ik op de Lijnbaansgracht gewoond. Na de scheiding vond ik korte tijd onderdak in de Jan Luykenstraat en via een kennis van een kennis kon ik een flat krijgen, 22D in de Nieuwe Spiegelstraat, waar ik deels samen met mijn dochter woonde. Het was daar heel best, met uitzicht op de Keizersgracht, maar toch een groot verschil met de Utrechtsebuurt. De viswinkel op de hoek van de Kerkstraat was natuurlijk erg prettig, maar ik kreeg niet hetzelfde als in mijn eigen buurt. Net te veel toeristen bij al die antiquairs, denk ik.
In 1992 heb ik samen met Andrée dit huis Michelangelostraat 107 driehoog gekocht, voornamelijk omdat het ruimte biedt die nog te betalen is. We hebben verschillende plekken in de binnenstad voor verschillende tonnen te koop gezien – allemaal gekheid. Hier kan ik mijn trein in de kamer uitleggen, hier kunnen kinderen in de lagere schoolleeftijd op straat spelen (wat mijn dochter op de Lijnbaansgracht absoluut niet kon), en hier hebben we geweldig zicht op de lucht. Vooral boven, waar de werkkamers zijn, kijk je overal overheen.
Ik heb altijd mazzel gehad met huizen in Amsterdam. Achteraf denk ik: ik had er meer van moeten genieten. Die Utrechtsebuurt…ik had er meer uit kunnen halen. Maar als je steeds harder en harder werkt, verandert je binding met de stad. Een nacht doorhalen zit er niet meer in, voor cafébezoek is geen tijd. Waar ik vroeger de auto gebruikte, fiets ik nu, en ik loop in acht minuten naar Station Zuid. Kortom, ik ben me aan het verzoenen met deze buurt. Want in het begin was het even slikken. De eerste aanblik van het Minervaplein associeerde ik met de Oostberlijnse Stalin Allee, die tegenwoordig de Karl Marx Allee heet. De betaalbaarheid, de ruimte binnen en buiten dit huis maken veel goed. En iedere keer dat ik nu naar het centrum ga, is het voor mij een uitje. Eens, wanneer weet ik niet, maar eens ga ik terug naar de Utrechtsebuurt. Dat weet ik zeker.”

Jojanneke Claassen & Jochem Brouwer
September 1996
 

Beeld: De Utrechtsestraat. Bekijk de hele foto in de Beeldbank

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
September
Jaargang:
1996 48
Rubriek:
Tijdperk:
1950-2000