De zwerftocht van Johannes van Dam

De twee ijzingwekkend steile trapjes van zijn huis in de Spuistraat daalt hij af als een balletdanser met zijn voeten in de tweede positie. Toch houdt Johannes van Dam (49) het op deze woning al ruim zes jaar uit, wat een record betekent voor de culinair journalist die op zijn twintigste al acht keer binnen Amsterdam van adres had gewisseld.

In het Annapaviljoen van het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis kwam ik op 9 oktober 1946 ter wereld en van de eerste paar maanden van mijn leven, toen het ouderlijk huis in de Warmondstraat in Amsterdam West stond, kan ik me natuurlijk niets herinneren. Eind 1946 kochten mijn ouders het huis Valeriusstraat 256, in het blok tussen Hendrik Jacobszstraat en Amstelveenseweg, en daar heb ik zo’n dertien jaar gewoond (tot ongeveer 1960). Het bovenhuis werd verhuurd en wij woonden op de parterre en eenhoog: mijn ouders en ik met mijn zes jaar oudere broer en drie jaar jongere zusje én de huishoudster.

Valeriusstraat
Mijn vader en moeder werkten hard in hun bedrijfje, de firma Alfred van Dam, waar plastic luierbroekjes, luiermandjes, schorten en dergelijke gemaakt werden. Daarbij lieten ze ons over aan elkaar afwisselende huishoudsters. Een hele strenge was juffrouw Dijkstra, die de kinderen maar lastig vond en mijn zusje in de kelder opsloot en mij de straat opstuurde, omdat ze anders niet aan haar werk toekwam. Maar zij kon kroketten maken als de beste. Toen zij wegens kind-onvriendelijkheid (de buren lichtten onze ouders in) was ontslagen, misten wij juffrouw Dijkstra’s kroketten bij de zondagsbrunch. De ongebakken kroketten die we op zaterdag haalden bij banketbakker Sweenen, schuin tegenover ons, op de hoek van de Hendrik Jacobszstraat, háálden het niet bij wat we gewend waren en vanaf die tijd sierde ik, als achtjarige ongeveerd, de brunch op met mijn zelfgemaakte omeletten.

Naast onze kelder is vlak na de oorlog een wapenkelder gebouwd, die onder de woonkamer liep en waar je toegang toe had door een loodzware kast van het luik weg te schuiven. Mijn vader hield zich in die tijd bezig met het opsporen van in de oorlog verloren gegane kunstvoorwerpen en hij was lid van de vrijwillige burgerwacht. Omdat hij werd gezien als een betrouwbaar persoon, werd hij ingeschakeld door een ’n beetje Gladio-achtige organisatie die zich wilde wapenen tegen mogelijk gevaar in de toekomst. Zelf heb ik alleen over die kelder gehoord, nooit gezien, en wapens zijn er nooit in geweest. Ons huis wordt nu bewoond door Jan Stavinoha, waar Rik Zaal ‘over de vloer’ is geweest [titel van Zaals tv-programma voor AT5 – red], en op de plaats van de zware kast staat nu een vleugel.

Op de Koninginneweg ging ik naar de kleuterschool met juffrouw Lily Petersen, van het toenmalige radioprogramma Kleutertje Luister. Daar had ik mijn eerste vriendinnetje (later de vrouw van Bernard Haitink). Vervolgens ging ik naar de schakelklas van juffrouw Nonhebel in de De Lairessestraat, vlakbij de Lassusstraat. Dankzij die schakelklas kon ik de eerste klas van de Cornelis Vrijschool in de Van de Veldestraat overslaan en beginnen in de tweede . Naar die school gingin ik meestal met lijn 2, halte Koninginneweg, en dan in de achterste wagen met opstap in het midden waar je links omhoog of rechts omhoog kon kiezen. Na schooltijd liep ik naar huis, maar met de katholieke meisjes verderop in de Valeriusstraat mocht ik niet meelopen, want volgens dat gezin was ik schuldig aan de moord op Jezus. Dit in tegenstelling tot de katholieke ouders van Tatje Smits (later getrouwd met Hugo Brandt Corstius) met wie ik al heel jong op straat speelde en die ik voor ging zitten lezen uit de kinderbijbel. Van Adam en Eva had ik toen nog nooit gehoord. Dus bij Adam dacht ik dat het, net als op het telefoonboek, een afkorting van Amsterdam was.

Na juffrouw Dijkstra heb ik nog wel in de buurt gezocht naar de juiste kroket, maar Sweenen was alleen goed in kaashoorntjes – daar kon mijn vader met een hele doos voor zijn maag geweldig van zitten snoepen – en banketbakker Geluk op de Koninginneweg was meer gespecialiseerd in hazelnootgebak. Toch heb ik nog een aardig adres ontdekt naast het Haarlemmermeerstation op de Karperweg, een raar zijstraatje van de Amstelveenseewg met allemaal werkplaatsen. Een paar huizen van de hoek zat brood- en banketbakkerij Felix de Borst die prima kroketten bakte. De vraag (onder  andere van busreizigers die op Maarse & Kroon stonden te wachten) was zo groot dat bakker Borst een moderne automatiek opende, net om de hoek van de Karperweg: de eerste Febo. Voor thuis was deze vondst niks, want kroketten komen niet uit de automaat, maar van de banketbakker.

Valkenstein, Groningen, Stadionweg
Na de Vrijschool ging ik naar het Amsterdams Lyceum. Toen ik in de derde klas zat, gingen we plotseling verhuizen. Het huis in de Valeriusstraat werd verkocht, terwijl onze Buitenveldertflat nog niet was opgeleverd, dus toen zaten we tijdelijk in een huurhuis op de Willemsparkweg. Een paar maanden later betrokken we Valkenstein 75, een kale flat in een kaal gebied, waar ik niets aan vond. Het enige lichtpuntje was dat het woongedeelte op eenhoog lag met nog een kamertje beneden aan de tuinen achter. Dat werd mijn kamer. Of ik een bureau had weet ik eigenlijk niet. Hoogstens iets Tomado-achtigs.

In 1962 vertrokken we naar Winschoten en vervolgens naar Oude Pekela. Ik weet nog die vreselijke eerste zondag, dat ik me daar in die bovenvoorkamer van God en iedereen verlaten voelde. Mijn vader, met wie ik nauwelijks contact had, merkte het en probeerde me te troosten. Dat hij het hier ook vreselijk vond, maar dat dit nu eenmaal moest voor de zaak. Figuurlijk raakte hij me aan (van geknuffel was thuis geen sprake) en voor mijn gevoel ontstond er toen iets tussen mij en mijn vader, die altijd ontzettend hard werkte en nauwelijks tijd had voor ons.

Kort daarna is hij verongelukt. Niet ver van ons huis moest hij met de auto op de weg langs het Pekelerhoofddiep uitwijken voor twee fietsers. Hij raakte van de weg, kantelde op het ijs en is onder het ijs geraakt. Mijn zusje en ik zaten bij hem in de auto – haar heb ik kunnen redden, mijn vader niet. Ik graaide in dat smerige diep, waar strokarton- en aardappelmeel-fabrieken op loosden, maar mijn vader was te zwaar en hij zat klem achter het stuur. Nog jarenlang hebben mijn Homerus en Livius naar dat stinkwater geroken. Vijftieneneenhalf was ik toen.

We verlieten Oost-Groningen meteen en ik trok in bij de beste vrienden van mijn ouders, de familie Gijselman in de Jacob Obrechtstraat. Later in dat jaar 1963 konden mijn zusje en ik terecht bij moeder, die de woning van haar moeder, Stadionweg 103 driehoog, had weten te bemachtigen. In de eindexamenklas kwam ik op mijn verjaardag thuis en trof een raar bed met springveren matras op mijn kamer aan. De lits-jumeaux-helft had mijn moeder geconfisceerd voor haar vriend. Ik was razend. “Een mooi verjaardagscadeau. Ik ga weg.” Als ik er een zaak van had gemaakt met ‘hij eruit of ik eruit’ had ik het toch verloren.

Koninginneweg, Jan Luykenstraat, boot
Mijn volgende adres werd Koninginneweg 7, bij Hein Fieldeldij Dop. Hein Joost werd hij genoemd, want zijn vader, de kinderarts, heette ook Hein. We deden allebei gymnasium-bèta en na het examen ging ik medicijnen studeren. Toen ben ik terugverhuisd naar de Stadionweg, maar nu naar de dienstbodekamer op vierhoog, waarvoor ik mijn moeder huur betaalde van mijn beurs. Na een jaar kon ik ruilen met een jongen die het ouderlijk huis in de Jan Luykenstraat wilde verlaten, waardoor ik op een zolder aan de voorkant, Jan Luykenstraat 102 vierhoog, terechtkwam.
In maart 1967 ben ik eventjes in dienst geweest, om precies te zijn veertien dagen Ossendrecht, inclusief het paasweekeinde. Een jaar later kocht ik een boot van een medestudent, een drugsdealer van zwaar gereformeerde huize. De boot was een Westlander met opbouw, twee kamers, toilet, keuken. Ik heb toen twee katten genomen, want die horen in het leven van een vrijgezel, en tot op de dag van vandaag heb ik altijd twee katten gehad. De boot lag op een leuk plekje in de Lijnbaansgracht, even ten zuiden van de loopbrug Tuinstraat. Maar het ding is water gaan maken en gezonken.

Houttuinen, Westerstraat, Wittenburgerstraat
Nieuw onderdak vond ik in de Haarlemmer Houttuinen, een inpandig huis, dat op de nominatie stond om gesloopt te worden. Na de voordeur had je drie treedjes en vervolgens moest je een 40 meter lange gang door, dwars door een fabriek. Het had wel iets spannends. Toen de zaak twee jaar later inderdaad tegen de grond ging, kreeg ik van Herhuisvesting een tweekamerwoning in de Westerstraat aangeboden, boven houtzagerij Goedkoop op nummer 35. De huisbaas begon zijn huurder te lastig te vinden met hun eisen en weigeringen en verkocht het pand aan Goedkoop. Die dacht aan onze eisen tegemoet te kunnen komen met nieuwe vensterbanken van resthout en ander bedrijfsafval. Mij probeerden ze eruit te pesten, want ze hadden geen trek in mij, omdat ik altijd de puntjes op de i wil hebben. Als ik kwam klagen, kreeg ik meteen al die grote zonen met hun werktuigen om me heen staan, maar ik deed alsof ik absoluut niet bang voor ze was.
Na vier jaar ben ik vertrokken, niet om die sterke zonen, maar omdat ik het allemaal niet meer zag zitten. Ik dacht dat het aan Amsterdam lag. Ik studeerde allang niet meer, had uiteenlopende baantjes gehad en wist niet hoe het verder met me moest. Van 1976 tot 1978 heb ik in de Pyreneeën gewoond, waar ik erachter kwam dat het niet aan Amsterdam lag, maar dat ik de allerdiepste symptonen van depressiviteit vertoonde. Vanaf het moment dat ik daarachter kwam – door een Engels radioprogramma nota bene – heb ik die verschijnselen leren herkennen en blijkbaar leren hanteren.

Terug in Amsterdam ben ik op Kleine Wittenburgerstraat 4 komen te wonen. Een huisje met een binnenplaats waar veel afval lag, met de daarbij behorende ratten. Dankzij de katten had ik daar weinig last van, maar ik weet dat de volgende bewoonster steen en been klaagde.

Koninginneweg, Runstraat, Spuistraat
Na vier jaar, in 1982, verhuisde ik naar het souterrain van Koninginneweg 9. In dat huis woonde een oude mevrouw die zelfstandig wilde blijven wonen en als ik daar zo’n beetje toezicht op hield, kon dat. Maar ik was nogal slordig in het huishouden en verhuisde het jaar daarop naar Spuistraat 247 vijfhoog. Daar heb ik nauwelijks gewoond, omdat ik vrijwel altijd in mijn kookboekwinkel in Runstraat 26 zat. In datzelfde jaar verhuisde ik mijn eigen boeken (mijn woning bestaat voornamelijk uit boeken) ook naar de Runstraat (12 tweehoog). Daar heb ik ruim vijf jaar gezeten en nu woon ik sinds 1989 op de bovenwoning van Spuistraat 301, vlak bij het Spui.

Zes jaar geleden was dit een vrij dure woning, maar ik verdiende destijds behoorlijk, onder ander door mijn dagelijkse columns voor Het Parool. Toen die column werd stopgezet, heb ik hem zwaar zitten knijpen omdat ik de huur nauwelijks meer kon opbrengen. Het was een hele verademing toen de huuradviescommissie uitspraak deed dat de prijs veel te hoog was: geen platje, geen balkon, delen van het huis die niet hoger zijn dan anderhalve meter en dat soort waardepunten. Nu is het te betalen en ik zit hier goed. Voor een krant of een boek loop ik even naar beneden, tegenwoordig heb ik zelfs een Albert Heijn in de buurt en het is natuurlijk een van de leukste punten in Amsterdam, het Spui.

Als journalist met gastronomische inslag eet ik geregeld buiten de deur, maar koken heb ik vrijwel mijn leven lang gedaan. Met mijn tweepitsgasstel op de dienstbodekamer op de Stadionweg en in de Jan luykenstraat, waar mijn tweepitter achter een kast stond opgesteld. Kant-en-klare lekkernijen kocht ik steeds minder, want zelf maak ik ze lekkerder. En de kroketten die die van juffrouw Dijkstra het meest benaderen, zijn de mijne.

Jojanneke Claassen & Jochem Brouwer
November 1995

Beeld: Johannes van Dam bij de presentatie van zijn boek. Wikipedia

Delen:

Buurten:
Centrum West Zuid
Editie:
November
Jaargang:
1995 47
Rubriek:
Tijdperk:
1950-2000