De zwerftocht van Jan Sierhuis

Gastvrijheid over en weer

“Mijn moeder zei: ‘Jij moet werken en kostgeld betalen. Tien gulden per week.’ Dat was knetterhard. Maar ik zei: ‘Ik heb jouw karakter en ik geeft het schilderen niet op.’ Ook knetterhard.” Daarmee begon schilder Johannes Alfonsus Sierhuis op 16-jarige leeftijd aan zijn zwerftocht door de Amsterdamse binnenstad.

“Vanuit de Jordaan verhuisden mijn ouders midden jaren twintig naar Bestevaerstraat 149, vlakbij de wetering van Sloterdijk. We hebben de nieuwe Markthallen nog zien bouwen. Mijn vader, die een fietsenstalling had, stierf op 31-jarige leeftijd aan tuberculose. Ik ben geboren op 21 december 1928 en was twee toen hij overleed. Mijn moeder heeft altijd hard gewerkt, want ze wilde geen cent van de sociale dienst. Via de Cemsto maakte ze kantoren schoon, maar ze had ook privé-adressen. Bij een deftige mevrouw op de Admiraal de Ruijterweg en bij de politiek tekenaar en schilder Johan Braakensiek.
In de Bestevaerstraat had je trapportalen met aan beide zijden woningen; drie verdiepingen met een zolder. Iedereen had een loper aan de voordeur, ook de melkboer. Vergelijk dat eens met de huidige voordeurbeveiliging. Bij ons op de trap woonde de familie Zandvoort met een kind of tien en daar kon ik altijd terecht. Ik werd in Wees en Zegen in de Marnixstraat geplaatst toen mijn moeder opgenomen werd wegens tbc, maar ik ging daar half dood van heimwee. In die anderhalf jaar van haar opname werd ik opgevangen door mijn grootouders op de Lauriergracht en de familie Zandvoort.
Een buurman van ons was huisschilder, maar in zijn vrije tijd maakte hij schilderijen. Enorme doeken. En naast hem zat een man die 17de-eeuwse scheepsmodellen bouwde, waarvan er een paar in het Scheepvaart Museum staan. Dat zie je nu niet meer, die echte hobby’s. Mijn vader maakte meubels en hij kon prachtig kunstfluiten op z’n vingers.

Valkenburgstraat, Nieuwe Achtergracht
Al heel vroeg begon ik met schilderen. Op de Van Rijnschool, mijn lagere school, waar Robert Jasper Grootveld een klas onder mij zat, kwam ik altijd met mijn schilderkistje en als het heel mooi weer was zei de onderwijzer tegen me: ‘Zou jij niet buiten gaan schilderen? Dat rekenen komt later wel.’ Na de lagere school ging ik naar de ambachtsschool aan de Baarsjesweg. We woonden inmiddels in de Valkenburgerstraat, een rotbuurt in de oorlogstijd. Mijn moeder was een rare, die ineens genoeg van een woning kon krijgen. Iets met de buren of wat ook – dan wilde ze verhuizen. De Valkenburgerstraat lag in de binnenstad en dat was makkelijker voor haar, voor haar werk. Meestal liep ik naar de Baarsjesweg, soms nam ik de tram. Dat joodse Viertel was heel naargeestig. Het was rondom afgezet met rollen prikkeldraad en veel huizen stonden leeg. Bij ons op de trap woonden nog wel mensen, maar op straat hing een akelige sfeer. De SS kon de boel afzetten en een inval doen en de Schalkhaar-politie, foute Nederlanders met zwartgespoten helmen, hebben mij een keer meegenomen toen ik op mijn moeder stond te wachten die nog iets van boven haalde. Kwam ze beneden – was ik weg.
Mijn moeder kreeg genoeg van die buurt en we verhuisden naar Nieuwe Achtergracht 113 eenhoog. In die periode heb ik op de Prinsengracht de Westertoren staan schilderen terwijl hoog in de lucht een vliegtuig rondvloog. Een poosje later hoorde ik een gigantische dreun: dat was het bombardement van de Euterpestraat. Altijd moet ik daaraan denken als ik dat schilderij zie. Het is trouwens wel aardig en ik had nog nooit les gehad toen.
Soms hielp ik mijn moeder. Dan ging ik stofzuigen en zo zag ik op het hoofdbureau van politie, in de kamer van inspecteur Adema, een reproductie van Cézanne hangen. Mijn moeder vertelde Adema [P.J.J.M. – red] dat ik zo graag schilderde. Dat wilde hij zien. Adema was bevriend met professor Jan Bronner, aan wie hij mijn werk liet zien en beiden vonden dat ik naar de Rijksacademie moest op de Stadhouderskade. (Ik heb Adema een ‘Brouwersgracht in de regen’ geschonken. Kort geleden kom ik zijn kleinzoon tegen; ik heb hem gevraagd me een polaroid van dat schilderij te sturen.)
Op de Nieuwe Achtergracht heb ik de Hongerwinter meegemaakt. Ik weet nog dat ik houten lambriseringen uit de Hoogduitse synagoge heb gesloopt, voor de stook. De ambachtsschool sloot in die tijd, dus de tweejarige opleiding heb ik niet afgemaakt. In het bevrijdingsjaar kreeg ik wrijving met m’n moeder; ze zag mijn schilderkunst als hobby en wilde dat ik ging werken en kostgeld betaalde. Maar ik wilde schilderen en zocht onderdak bij een pottenbakker aan de Amstel vlakbij de Magere Brug. Hier bereidde ik me voor op het toelatingsexamen voor de Rijksacademie. Op voorspraak van Bronner en Heinrich Campendonk (van kunstenaarsgroep Der blaue Reiter) werd ik aangenomen. Al na een paar maanden was ik er weer weg. Directeur Van den Bergh zei me op hoge toon dat een student aan de academie geen klompen droeg en geen kolen sjouwde. (Ik had even een paar centen verdiend door cokes te helpen storten in het academiegebouw.)

Oudekerksplein, Kolksteeg
Toen ging ik lessen volgen aan de rijksnormaalschool voor tekenleraren in het Rijksmuseum, bij Van Tongeren, en aan de kunstnijverheidsschool in de Gabriël Metsustraat, bij Bauhaus-architect Mart Stam. Stam vroeg op een dag: ‘Waar woon je en wat stook je?’ Ik was net van Nieuwe Keizersgracht 33 af, waar ik bij kunstschilder Anton Witsel had gewoond. Samen met Anton Martineau zat ik nu in het keldertje van Oudekerksplein 25. Dus ik zeg: ‘Oudekerksplein en ik heb net de kapok van mijn matras opgestookt.’ Toen kregen we een mud kolen van hem. Die kelder werden we uitgegooid, maar voor zes,zeven gulden in de maand konden we op Oudekerksplein 38 tweehoog terecht. Op eenhoog woonde acteur Siem Vroom. Die moest op tournee naar West-Indië en hij vroeg Anton en mij om zijn antieke secretaire de trap af te brengen, want die wilde hij veilig stellen Hoe we het voor elkaar kregen, weet ik niet, maar we kwamen klem te zitten met dat antieke stuk en wel zo dat Siem zijn deur niet meer uit kon. Alleen als we de poten er af zaagden, konden we hem ontzetten. Drama.
Met klusjes en met schilderen scharrelde ik mijn geld bij elkaar. Schilderen op straat zie je nu haast niet meer, maar tientallen kunstenaars werkten toen op straat. In 1944 zag schilder/beeldhouwer Jan Heijens mij bij het Kolkje bezig. Hij nam me mee naar z’n huis op de Oudezijds Voorburgwal en riep: ‘Ina, ik heb een nieuwe Breitner ontdekt.’ Als je stond te werken, kreeg je commentaar als: ‘Alleraardigst.’ Of: ‘Is dat te koop?’ De mensen vonden kunstschilders een beetje raar. Droeg je een baard dan werd er ‘beh’ tegen je geroepen. Toen ik op de Nieuwe Keizersgracht woonde, heb ik veel mooie, arme straatjongens geschilderd. Jongetje in blauw, jongetje in geel. Op een dag vertrok Anton met zijn ouders naar Den Haag, dus ik ging op zoek naar nieuwe woonruimte.
Ik kwam terecht in Warmoesstraat 5, bij schilder Chiel Stassen, dan Nieuwe Kerkstraat 7 – via Theo Wolvecamp (later Cobra) die vree met de mevrowu van de Nieuwe Kerkstraat – daarna de zolder van Kolksteeg 4. Daar kreeg ik onverwacht huisbezoek, vanwege mijn aanvraag voor een maanduitkering. Een dame tilde om half twaalf het luik open en daar lag ik, nog prinsheerlijk te slapen onder een hoop vodden. Zij adviseerde negatief.

Amstel, Paarden- & Spuistraat, Prinseneiland
Verder heb ik samen met veel andere kunstenaars in een groot, geel, 19de-eeuws pand aan de Amstel gezeten. Dat was nummer 3-5, dat met de hele rij ernaast gesloopt is voor de Stopera. Op het volgende adres, Paardenstraat 3, heb ik een paar jaar gewoond. Daar heb ik een zelfportret gemaakt. Na een verblijf in Parijs kwam ik die woning niet meer in: degene die haar had geleend, weigerde te vertrekken. Ik heb toen een kamer met een erker gehuurd in Spuistraat 21. Daar heb ik Tine [Nieuwenhuizen, 1925, levensgezellin van Sierhuis-red.] voor het eerst uitgenodigd. In de vrieskou las ze me er gedichten voor van Gerrit Achterberg. Op Prinseneiland is ze ook een keer geweest, maar pas toen ik op de Stromarkt zat, is ze gebleven.
Prinseneiland was prachtig. De zandhoek was nog niet gerestaureerd en er woonde vrijwel niemand. Jozef Verheyen – leermeester van Karel Appel – zat er, en Kees Maks, de beeldhouwers Wezelaar, Eido, de broers Hettelaar en ik. Dat was het. Ik woonde op 37, een pakhuis van het Leger des Heils. Nog twee schilders hadden er hun atelier, maar zij sloten alles af. Ik moest inbreken voor de wc en voor de lichtmeter. Om mijn gulden in de meter te doen, schroefde ik de boardplaten los. Er was geen schoorsteen, dus geen kachel. Ik had een klein straalkacheltje aan het plafond hangen.

Stromarkt, Amsteldijk, Oudeschans
Van het Prinseneiland ben ik verhuisd naar Stromarkt 15. Tine vond mijn plattebuiskachel daar een hele vooruitgang. Water had ik er af en toe niet, maar dan liep ik naar de schipperspomp op het Singel. Ik heb nog altijd een Louis Seize-stoel van Remco Campert, die een half jaar bij me heeft gewoond. Ik trok niet alleen bij anderen in, iemand anders die omhoog zat kon even goed bij mij terecht. Tine en ik mochten dan op Remco’s scooter, een Vespa, gaan toeren. Die stoel, bekleed met Schotse ruit, mocht ik van hem houden. De Stromarkt zijn we uitgewerkt omdat Bouw- en Woningtoezicht de zaak onbewoonbaar verklaarde. Ik moest er onmiddellijk uit. bij de Silveren Spieghel vertelde ik mijn verhaal en een journalist van Het Vrije Volk, dat toen nog op het Hekelveld zat, bood me zijn woning aan op Amsteldijk 20, waar hij net vandaan ging. Sandro en César waren al geboren (1960 en 1961, die zijn inmiddels allebei ingenieur), en wij pakten onze spullen. Diezelfde middag kreeg ik een telefoontje dat schilder Boogaard ons pand op de Stromarkt betrok. Dat was een gemeen spelletje. Boogaard woonde aan de Amstel en architect Trapman van de Bouw- en Woningdienst wilde zijn huis hebben, dus parkeerde hij Boogaard in de woning waar hij mij uit liet zetten. Omdat ik voor de Amsteldijk een woonvergunning nodig had, heb ik de hele Bouw- en Woningdienst bij elkaar geschreeuwd dat ze daarvoor moesten zorgen, want anders trapte ik een rel over de streek die mij was geleverd. De vergunning werd meteen in orde gemaakt.
In 1969 heb ik Oudeschans 18 gekocht. Zes mille had ik op de bank, terwijl dat pand afgemijnd werd tot ƒ 13.500 – meteen af te rekenen. Dat had ik dus niet. Bernstein in Philadelphia, die veel Cobra kocht en ook werk van mij, had gezegd: ‘Als je ooit iets vindt aan een gracht, bel je me maar.’ Zo werd het geld geregeld. Toen volgde het opknappen, met subsidie van Monumentenzorg, dat toen veel geld had. Voor de borg stonden garant: Willem Sandberg, de directeur van het Prins Bernhard Fonds en beeldenverzamelaar Van der Wal. (Die Van der Wal regelde later het afscheid van Sandberg, omdat de relatie tussen de Stedelijk Museum-directeur en de gemeente toen zo slecht was er van gemeentezijde niets aan werd gedaan. Kunstenaars hebben ieder een eigen werk gegeven: de Sandberg-collectie.)
Ik heb die Oudeschans-woning vanaf 1969 en ik ga er nooit meer weg. Tine, als echte Zaanse, zit liever buiten en bij haar in de buitenschuur in Ransdorp heb ik een ruim atelier, waar ik graag schilder. En dan heb ik nog mijn atelier in Lutmastraat 271, waar Rudi Fuchs me kortgeleden is komen interviewen voor de VPRO. (Hij heeft een mooi inleidinkje geschreven voor mijn boekje Jan Sierhuis 65 jaar.) Ik sta op goede voet met deze directeur van het Stedelijk, net als met zijn voorgangers Wim Beeren, Edy de Wilde en Willem Sandberg.
De Rijksacademie heb ik overigens nog wel afgemaakt, medio jaren vijftig – ik vond toen dat ik gedisciplineerder moest gaan leven. Al heel jong had ik zo’n idee dat je moest léren schilderen. Om negen uur ’s morgens beginnen en doen. Inspiratie…niets mee te maken. In september heb ik een tentoonstelling in Hoofddorp, samen met beeldhouwer Jos Wong. En begin volgend jaar exposities in museum Van der Togt en bij de Gasunie in Groningen. Ik ga maar door. Steeds weer zoeken: wat dunner, wat voorzichtiger, dan weer helderder, getormenteerder. Ik wil geen producent van mezelf worden. Nu werk ik weer veel met zwart, grijs en wit. Maar het is altijd Jan Sierhuis.”

Jochem Brouwer & Jojanneke Claassen
September 1995
 

Beeld: Jan Sierhuis in zijn atelier op de Lutmastraat, Ino Roël, Collectie Stadsarchief Amsterdam

Delen:

Editie:
September
Jaargang:
1995 47
Rubriek: