De zwerftocht van Frans Rijmers

Een zwerver kiest voor vrijheid

De wooncarrière van Frans Rijmers begon heel gewoon, in een bovenhuis in de Jordaan. En ook na zijn huwelijk, op jonge leeftijd, was er op dat gebied weinig opzienbarends te melden. Maar na een val nam het leven van deze glazenwasser een andere wending: de straat werd zijn huis.

“Nu in één keer naar boven of je gaat maar iets anders doen,’ zei mijn vader. Dus als dertienjarige, in 1959, vloog ik de lange leer op, naar driehoog, om ramen te lappen. En ik heb er nooit geen spijt van gehad. Nooit, tot op de dag van vandaag niet.
Mijn ouders woonden in de Eerste Leliedwarsstraat 12, boven café De Reiger. Mijn vader was glazenwasser en ik, enig kind, ging op school op de Prinsengracht, naast de brandweer. Je had toen nog bioscoop de Nova, die afgebrand is, met om de hoek een plastiek-fabriek. Toen ik van school kwam, mocht ik kiezen tussen de kookschool bij het Amstelstation of aan het werk bij mijn vader. Die school had een wachttijd van een half jaar, dus toen ging ik bij mijn vader in dienst. Maar ik wou het zelf, dat zeg ik er meteen bij.
Om zes uur ’s ochtends op de fiets naar de Overtoom, waar pa zijn duwkar had staan. Een kettinkje om de leren en het wiel – voor de verzekering. Geen vergelijk met de zware kettingen waarmee fietsen nu worden vastgezet. We lapten aan de Overtoom en over de brug in de Haarlemmermeerstraat, Warmondstraat en rond het Hoofddorpplein. Het was een hard wereldje, met lange dagen, soms tot negen, tien uur ’s avonds, maar ik verdiende goed: 200 gulden per week. Dat geld hield mijn moeder in beheer en voor het weekend kreeg ik 50 gulden zakgeld. Met mijn moeder heb ik het altijd heel goed kunnen vinden, met problemen ging ik naar haar toe en ik mis haar nog elke dag. Twaalf jaar geleden is ze overleden. Toen sliep ik al buiten, maar dat wist ze niet. Denk ik, hoop ik. Ze had dat niet prettig gevonden, maar de fietsenberging waar ik huisde, lag bij haar om de hoek in de Nieuwe Leliestraat.
Met mijn vader had ik een heel andere verhouding. Heel vaak aanvaringen, nu nog. Hij woont in de Vinkenstraat tegenover de Rietvink en als ik bij hem langsga, hebben we in de kortste keren ruzie, terwijl we elkaar wel graag mogen. Toen ik net bij hem in dienst was, als jongste, want hij had nog twee mannen die voor hem werkten, noemde ik hem Ouwe, wanneer we met z’n allen in het koffiehuis zaten. Verder zie ik altijd pa, maar op het werk zei ik Ouwe. En altijd u, dat doe ik nog. Dat zeg ik tegen iedereen die ouder is, zoals we gewend waren in de Jordaan. Je zei Oom en Tante tegen mensen uit de buurt, die helemaal geen familie waren en je zei altijd u.

De Wittenkade tot Brug. Tellegenstraat
Met achttien jaar en drie maanden ben ik getrouwd. In één keer was het gebeurd, bij haar thuis op de bank, met condoom nog wel. En omdat er een baby op komst was, móest je trouwen in die tijd. Mijn vader was er nogal gelaten onder, maar mijn moeder vond het niks. Dat huwelijk was ook niks. We woonden op De Wittenkade 110 driehoog en toen ons dochtertje drie maanden oud was, ben ik teruggegaan naar mijn ouderlijk huis, naar mijn eigen kamer. Mijn moeder allang blij. Ze vond me veel te jong voor het huwelijk.
Mijn tweede vrouw leerde ik kennen toen ik bij de Sociale Dienst de ramen lapte. Zij zat in de wachtkamer, ik maakte een afspraakje met haar en dat kwam ze ná! We zijn een jaar later, in 1968, getrouwd en in ons huis op Ranonkelkade 3 eenhoog zijn de twee oudste dochters geboren. Het was een grote woning met vrije opgang en je keek vandaar zo tegen de Shell aan. Na een jaar of vier, vijf verhuisden we naar Pieter van der Doesstraat 110 driehoog, waar ons derde dochtertje en vervolgens onze zoon geboren is. Toen heb ik mezelf meteen laten helpen, want dat kindertal liep te hard.
We gingen over naar een zeskamerwoning in de Burgemeester Tellegenstraat, nummer 16 tweehoog. Ik maakte lange dagen, omdat we Buitenveldert erbij genomen hadden en bij de kantoren konden we pas na sluitingstijd terecht. Vooral de directiekamers waren overdag verboden terrein. We deden de ramen, maar als het moest nam ik ook werk van de schoonmaakdienst over.
Zelf heb ik een half jaar in de Burgemeester Tellegenstraat gewoond en in die tijd ben ik tijdens het werk van driehoog naar beneden gevallen. Ik dacht dat er een vensterbank was, maar die was er niet. Aan de Overtoom, tussen het revalidatiecentrum en de Hollandse manege, was ik aan de achterkant bezig. De buurvrouw van tweehoog zag me voorbijvliegen en zó lag ik beneden in de tuin. Wat je kon breken, heb ik toen gebroken. Maar ik heb alle geluk van de wereld gehad, want op een paar millimeter na was het een dwarslaesie geweest.

Fietsenberging, HVO
Anderhalf jaar heb ik in het OLVG gelegen en toen ik na twee jaar weer lopen kon, had ik geen trek meer in het huwelijk. Ik heb mijn schoonmoeder apart genomen om haar in te lichten en ik heb mijn vrouw op de hoogste gesteld dat ik dit gezinsleven niet meer aankon. Ik heb wat persoonlijke bezittingen bij elkaar gepakt en ben gaan zwerven. Dertig was ik toen. Mijn spullen heb ik bij mijn moeder gebracht en ik heb het haar uitgelegd. Ze vond het heel erg, maar ze heeft het geaccepteerd.
‘Ik zoek wel een woning,’ zei ik tegen haar, maar toen had ik al een sleutel op zak van een fietsenberging om de hoek, bij Nieuwe Leliestraat 76. In een particuliere woning mocht ik overnachten in de stalling, het kostte me niets – als ik het maar netjes hield. Een matras en een deken, dat was voor mij voldoende. ’s Ochtends vroeg op en dan meteen de stad in.
Ik zoek nogal gauw contact en je hebt zo een hele vriendenkring, als je gaat zwerven. Koffiehuizen, cafés, straatbanken – overal kom je elkaar tegen. Geld was voor mij nooit een probleem. Ik had mijn WAO-uitkering, waarvan een deel naar de alimentatie ging en de rest was voor drank en sigaretten. En kleding. Ik ben nooit slordig geweest met mijn uiterlijk. Ik heb weleens aangeklopt bij de oude Gasenburgh op de Nieuwezijds, waar ze me niet geloofden. ‘Je ziet er te netjes uit,’ kreeg ik toen te horen. Een paar keer heb ik gesolliciteerd voor werk, maar zodra ze mijn medische gegevens zagen, kon ik weer ophoepelen.
Soms gaf ik geld uit aan eten. Niet te vaak hoor, een snee brood is me genoeg, maar wel altijd zelf gekocht. Als ik iemand uit een bak zie graaien, keert mijn maag om. Geld bedelen kan ik ook niet. Zwerver zijn is iets anders dan bedelaar zijn: je kiest voor vrijheid. Maar af en toe moet je toch een warme maaltijd binnenkrijgen, als vind ik warm eten een opgave. Ik draai beter op brood.
In de zomer sliep ik altijd buiten. Langs een kade, op het strand of op een bank. Ik ben wel eens wakker geworden midden op de Dam. Geen idee hoe ik daar verzeild was geraakt. Ik wist eigenlijk nooit precies waar ik wakker werd, want er gaat veel drank door als je samen optrekt. Onder de brug bij het HVO heb ik ook heel wat nachten doorgebracht en op de oude verwarmingen in de hal van het Centraal Station, maar dat was voor de tijd dat het zo’n junkhal werd.
 Aan drugs heb ik me gelukkig nooit gewaagd. Eén keertje werd me een joint aangeboden, die ik uitprobeerde, maar het zei me niets. Ik ben blij dat ik me buiten dat circuit heb weten te houden, want ik heb er heel veel zien aftakelen aan de spuiten en de rommel. Eén keer in de week meldde ik me bij het witte-jurken-paleis – dat is het HVO in de Poeldijkstraat – om te slapen, want af en toe een bed is toch wel lekker.

Florijn
Het is een mooi bestaan geweest. Ik heb nooit iemand iets misdaan of in de weg gezeten en ik kan goed tegen kou, maar je wordt een dagje ouder en dan wil je toch wel weer een dak boven je hoofd. Dus na zeventien jaar heb ik weer een onderkomen gezocht. Ik huur bij die Lange en zijn vrouw een kamer in de Bijlmermeer, in Florijn 440. Peter, die ik altijd Lange noem, heb ik op het HVO leren kennen. We zijn een tijd lang samen opgetrokken; hij was ook bij zijn vrouw weg. We hebben nog aan het Stoelenprojekt meegedaan op de Oostelijke Handelskade – waar Parkeerbeheer zat – en waar je in een stoel kon slapen.
Als het nodig was, zijn we allebei altijd door het Leger des Heils geholpen. Dus toen de kerstmaaltijd van het Leger in de Mozes en Aäronkerk zou worden gehouden, zijn wij maar eens gaan helpen met tafels sjouwen en dekken. Dat was drie jaar geleden en dat zijn we blijven doen. Niet alleen de kerst organiseren, maar ook nachtdiensten draaien in De Gastenburgh, de opvang aan de Oudezijds Voorburgwal. Je bent met mensen bezig, je kunt mensen helpen en dat is het aardige van dit werk.
Ze worden alleen steeds jonger, die zwervenden. Ik zie ze van zestien, zeventien jaar en dat is niet goed. Voor zwerven moet je kiezen en deze kinderen nemen alleen maar de benen omdat ze het niet met hun ouders kunnen vinden. Dat is geen keuze, dat is vluchten. En de ouders krijgen van alles de schuld, maar ik probeer ze uit te leggen dat er twee schuld hebben als er twee kijven, dus dat ze ook even naar zichzelf moeten kijken.
Ik heb voor het zwerversbestaan gekozen en daardoor mijn kinderen nooit meer gezien. Eerst miste ik ze, maar ik wou en zou die vrijheid en dan raken die kinderen op de achtergrond. Maar nou word ik kortgeleden gebeld door mijn dochter, inmiddels moeder van twee kinderen. We hebben afgesproken in het Noordhollands Koffiehuis en ik wist niet dat ik het kon, maar ik kan huilen! Voor het eerst na zoveel jaar – ik wist niet wat me overkwam, toen ik dat meisje van twaalf terugzag als volwassen vrouw. Binnenkort ga ik naar haar huis, als opa om mijn kleinkinderen te zien. Gelukkig woont ze in Amsterdam. Niet dat ik de stad niet uit wil, want ik trok ook als zwerver wel naar zee, maar Amsterdam is mijn stad en ik had raar opgekeken als mijn dochter een woninkje in Hilversum had gehad. Alle hoeken van de stad heb ik als zwerver aangedaan, maar ik moet die Westertoren zien. Ik ben en blijf een Jordanees.”

Jojanneke Claassen & Jochem Brouwer
Maart 1996
 

Delen:

Buurten:
Centrum
Editie:
Maart
Jaargang:
1996 48
Rubriek:
Vaste route
Tijdperk:
1950-2000