De zwerftocht van Annemarie Grewel

Annemarie Grewel, oud-wetenschappelijk medewerker aan de Universiteit van Amsterdam, Partij van de Arbeid-raadslid en NOS-bestuurslid, kent onstuimige verhuisgeschiedenis. Maar omdat deze doctoranda in de pedagogie en ‘overlever’ alles weggooit, bleef er van al die adressen weinig anders bewaard dan selectieve, maar even onstuimige herinneringen.

“Zes jaar woon ik nu in mijn eentje op een verdieping van Keizersgracht 476 en ik moet zeggen: het bevalt me uitstekend. Ik heb een hond en een kat (en als ik er niet ben hebben zij elkaar) en ik ben de enige mens. Heerlijk. Tot de Keizersgracht heb ik vaak samen met anderen gewoond, voor de gezelligheid of domweg uit geldnood, dus ik moest nog zien hoe dit ging, maar ik ben heel tevreden.
Ik loop of ik fiets. Ik loop graag. Dan kan ik bijvoorbeeld mijn vaste fan tegenkomen die mijn antwoordapparaat heeft staan volschelden met uitlatingen als ‘volgevreten varkensblaas, vuile jodepot’ en andere prettigheden. Steeds weer die fan op mijn bandje en opeens hoor ik diezelfde stem op straat tegen me schelden. Nou, hard lopen kan ik niet, maar toen wel. Ik heb hem net zolang achtervolgd tot hij zijn sleutel in zijn slot stak en ik de politie kon bellen. Gewone doorsnee Hollander van een jaar of 35, met een sporttas. Als ik hem nu weer tegenkom, blaast hij, maar ik heb hem nooit meer op mijn bandje gehad.
Van drift had ik toen de vierdaagse kunnen lopen, dat heb ik hem ook gezegd, van woede om dat anonieme, grove gescheld, maar gekwetst voel ik me niet door zo iemand. Antisemitische brieven, pamfletten van neonazi’s vol dreigementen raken me ook niet. De officier van justitie heeft me een selectie leren maken van wat wel interessant is en wat niet, dus ik selecteer wat ik binnenkrijg en zend het naar justitie. Op grond daarvan is ook een andere fan van me gepakt Zo handel ik dat af, maar verder doet het me niets. Als ik me daardoor gekwetst zou voelen, bang zou worden, zou ik niet zo lekker wonen op die heerlijke verdieping voor mij alleen. Het is een basishouding en die heb ik van mijn vader.

Willemsparkweg
Wat ik niet van mijn vader heb: ik ben een weggooier. Mijn vader [kinderpsychiater – neuroloog Frits Grewel, 1898-1973], bewaarde alles. Alles. Hij liep veilingen af, kocht blikken speelgoed en ook al was het stuk, het ging in de kast. Bij zijn dood hebben we hele partijen sokken, linker handschoenen en de gekste dingen aangetroffen. Ongeordende post vanaf 1916 – die man moest steeds groter gaan wonen om alles wat hij verzamelde. Ik flikker alles weg. Ik heb vijf verhuisdoosjes waarin papieren zitten die Joop van Tijn wil hebben, maar verder heb ik alles weggegooid, behalve wat persoonlijke correspondentie en mijn poëziealbum met het gedichtje van juffrouw Van den Berg.
Juffrouw Van den Berg was mijn juf op de Nicolaas Maesschool en zij was hoofd van de Amsterdamse Jeugdstorm. Met een oranjezwart mutsje en in uniform. Dat uniform kan ik nog uittekenen. Hoofd van de Jeugdstorm, maar aan haar klas moest je niet komen. Van haar heb ik uitstekend rekenen en taal gehad en juffrouw Van den Berg stónd voor haar klas, stónd voor haar leerlingen. Toen een meisje een keer jood tegen mij zei, heeft juf ernstig straf gegeven en ik herinner me dat onder schooltijd iemand binnenkwam die haar iets in het oor fluisterde. Even later zei ze tegen, zeg maar, Jantje Jansen: ‘Jij gaat tussen de middag met mij een boterhammetje eten.’ Dat gefluister ging dus over het feit dat de ouders van dat joodse jongetje die ochtend waren weggehaald. Juffrouw Van den Berg heeft na de oorlog gezeten, maar sommige ouders hebben een goed woordje voor haar gedaan, want zij heeft echt kinderen het leven gered.
De Nicolaas Maesschool koos mijn vader uit principe. Niet de sjieke Willemsparkschool waar veel kinderen uit de buurt naartoe gingen, maar gewoon een openbare school. Toen ik een sterretje kreeg moest ik over naar de joodse school nummer 13 in de Jan van Eyckstraat, maar zodra ik andere papieren had, ging ik weer terug naar de Nicolaas Maes. Wij woonden op de Willemsparkweg. Daar, op nummer 44 tweehoog, ben ik ook geboren, op 13 juni 1935. Mijn broertje Charles was drie jaar eerder in het ziekenhuis ter wereld gekomen.
Tijdens de oorlog zaten mijn broertje en ik af en toe ondergedoken in de Van Eeghenstraat. Op hoogtijdagen verdwenen wij naar het huis van Lidy en Jaap Koekebakker en daar zaten wij in de loze ruimte boven de schuifdeuren. Als kinderen werd er bijzonder goed voor ons gezorgd.
Het Barlaeus Gymnasium was geen succes. Toen ik daar kwam, werd er met een vies gezicht tegen me gezegd: ‘Een zusje van Charles?’ Ik begreep dat niet. Charles was een schat. En de Franse juf zei meteen: ‘Ga jij maar achteraan zitten.’ En als ze iets tegen me zei was het: ‘Hé, jij daar achteraan.’ Ik zag geen pest van wat er op het bord stond, want die omgekeerde borrelglazen heb ik al vanaf mijn derde. Dat was nog te laat, omdat mijn moeder [1902-1975] mij niet met een bril wilde zien. Zij wilde een mooi dochtertje en niet een scheel, halfblind kind met een bril. Mijn vader is toen stiekem – kun je nagaan wat voor huwelijk het was – met mij naar de oogarts gegaan. Mijn moeder kreeg een rolberoerte toen ze mij met die jampotjes zag. En mijn vader ging gebukt onder een schuldgevoel dat hij zo lang had gewacht, toen ik verbaasd uitriep: ‘Papa, de bomen hebben blaadjes!’ Door dat brilletje schijn ik als een razende tekeer te zijn gegaan in een soort herontdekkingsreis. Alles wat ik in een waas kende, kreeg opeens vorm. Als een wilde racete ik op de driewieler.
Die Franse juf had dus gewoon een hekel aan me. Ik weet niet waarom. Misschien omdat ik toen net verbrand was. Mijn moeder lag in het ziekenhuis toen ik in de fik ging. Een van de kachels wilde niet trekken en mijn vader gooide er alcohol uit de fles in. Wij stonden samen geïnteresseerd te kijken naar de vlammen in de fles waarin het bovenkantje brandde, tot ik zei: ‘Frits, ik sta ook in brand.’ Mijn vader trok meteen zijn jasje uit, wikkelde mij erin en rolde me over de grond.
Mijn moeder, die plat in bed moest liggen en die niet zo van mij hield, kreeg enige argwaan dat ik niet in het ziekenhuis verscheen. ‘Waar is dat kind?’ vroeg ze, want zo sprak ze altijd over mij. Nou, ik liep erbij als een verschrikkelijk sneeuwmannetje, dus mijn vader en mijn pleegzusje (allen uit Bergen-Belsen teruggekeerd en bij ons ingetrokken) en Charles gingen eerst drie man sterk bij mijn moeder naar binnen. Mijn broertje zei: ‘Schrik niet,’ mijn pleegzusje zei: ‘Het is helemaal niet erg,’ en mijn vader waarschuwde: ‘Maak je niet druk.’ En toen kwam ik: twee neusgaatjes die zichtbaar waren en één oortje voor dat brilletje. Mijn moeder ging recht overeind zitten, maar de hoofdzuster die gewaarschuwd was, legde haar met één armbeweging weer plat. Ik kan er nog om lachen. Hup omhoog, bom weer neer.

Banstraat, Waldorpstraat, Prinsengracht
Tegen de zomer, toen we liepen te zenuwen of er een brief van het Barlaeus op de mat zou vallen – ging je over of niet – kwam er één envelop waarin Charles en ik met z’n tweeën afgeschreven werden. Het lag niet aan de cijfers, maar het was beter als we in het nieuwe schooljaar niet terugkwamen. Ik weet niet wat voor kinderen wij waren. Ik ging naar het Amsterdamse Lyceum waar ik bij Peter Lohr in de klas kwam en toen ik ging studeren ging ik op kamers in de Banstraat. Samen met Antoinette de Boer had ik een etage van twee grote kamers, een slaapkamertje en een keuken en als onze hospita weg was keetten we wat met de zoon des huizes. Lekker daar in bad en zo.
Toen ik op kamers ging waren mijn ouders net aan het scheiden en ze hadden vreselijke ruzie over geld. Hij zei dat zij mij  financieel moest steunen en zij vond dat hij dat moest doen, dus na een paar maanden kreeg ik niks meer. Allerlei werkjes – ik herinner me nog een lopende band met pickuparmpjes. Toen mijn vader verdwenen was, werd mijn moeder ratgek en ik heb toen de foute beslissing genomen om haar niet alleen te laten wonen. Dus terug naar de Willemspark. Dat was geen doen in dat grote huis, dus na zo’n twee jaar heb ik heel streng tegen haar gezegd dat ze daar weg moest, omdat ik dit niet vol kon houden. Zij weg, ik naar de Anton Waldorpstraat met Antoinette en Guus en Hedy. Guus en Hedy verhuisden naar Prinsengracht 181 en vandaar naar de Laurierstraat, waarna ik op de Prinsengracht kon gaan zitten. Ik was kandidaatsassistent en tegelijkertijd regieassistent bij Johan Greter. Na mijn doctoraal was ik even doctoraalsassistent en toen wetenschappelijk medewerker.

Sloterplas, Oudezijds Voorburgwal
Waarheen ben ik vanaf de Prinsengracht gegaan? Geen idee. Nou, ik heb een tijd in Ruimzicht bij de Sloterplas gewoond met Evelyne en haar zoontje van een jaar of twee, drie. Voor beiden economisch: gedeelde huur en gezamenlijke zorg voor dat jongetje op wie ik heel erg gesteld was. Maar Evelyne verdween met kind met de noorderzon en ik zat met een zware huurschuld op De Kring toen Marina Schapers en Peter Schat mij een voorkamertje bij hen aanboden. ‘We vinden het heel leuk als je bij ons komt wonen.’
Op Oudezijds Voorburgwal 119 heb ik een fantastische tijd gehad. Toen Carel Alphenaar van de zolderverdieping vertrok, mocht ik daar gaan zitten. De sfeer in dat huis, de mensen die er woonden en kwamen en vreemdgingen. Iedereen ging daar vreemd, leek het wel. Een volslagen losse boel, we liepen naakt door het huis, alles was goed en iedereen was lief. Totdat Marina een keer een amant had die bezwaar maakte tegen onze naaktloperij. Ze organiseerde een huisvergadering en vond dat we een badjasje aanmoesten. Dus wij: ‘Hoe komen wij aan badjasjes?’ want geld hadden we nooit. En verdomd, de volgende dag kregen we allemaal een roze badjas van haar. En in die badjasjes zijn we op een nacht bij haar naar binnengegaan, toen we hoorden dat er weer geslagen werd, en hebben wij haar lover klappen gegeven en de deur uitgezet.
Maar zoals we daar gelachen hebben! We hadden een beo, die keurig ‘Pé, telefoon!’ kon roepen, zoals Marina altijd op het binnenplaatsje naar boven riep. Maar toen Kitty bij ons woonde, reageerde de beo onmiddellijk zodra hij haar stem hoorde met ‘Hugo Claus, Hugo Claus’. Dat soort dingen. Iedere keer weer het afscheidsritueel met tranen als Marina nu menens naar Parijs vertrok en toch drie weken later weer terug was. Of de keer dat zij met zoon Bas in gezelschap van Kitty met dochter Gijsje en de teckel Katarina op vakantie zou gaan. Een heel gezenuw, geloop en geschreeuw en gedoe, maar eindelijk zijn ze de deur uit en de rest zit echt op apegapen rond de tafel met koffie als er een taxi voorrijdt. Met op de bijrijdersstoel Katarina! Dat dier kon niet los mee in het vliegtuig, dus Marina had haar per taxi naar huis gestuurd. Een taxi met een teckel voorin – ik kan me er nog tranen om lachen. Wij gauw geld bij elkaar schrapen voor de taxichauffeur. Schiphol: dat was een heel kapitaal. Katarina was natuurlijk van harte welkom. Uit haar nest heb ik Boris nog gehad. Zeventien jaar.
Op de Oudezijds Voorburgwal heb ik tien jaar gewoond met onbedaarlijk veel leed en onbedaarlijk veel lachen. Ik denk wel eens dat het de gelukkigste tijd van mijn leven is geweest, maar sinds de Keizersgracht begin ik me af te vragen of dat wel waar is, want nu ben ik ook heel gelukkig. Ik ben zo’n boffer. Ik heb dat vrolijke van de overlevende, wat ik ook herken bij mensen als Flap Dekking. Al diegenen die zich afvragen ‘waarom zij wel en ik niet?’ hebben niet bepaald een fijn leven. Ik vind het heel erg en heel naar wat er allemaal is gebeurd en ik heb heel sterk het gevoel van ‘godverdomme, dit nooit weer’, maar ik heb plezier in het overleven. Ik ben vrij onaantastbaar, ik ben niet bang en ik ben zo’n levensgenieter.
Natuurlijk ik ben lesbisch, maar ik ben absoluut niet anti-man, dus ik heb een hele kring van mannen en vrouwen als maatjes. Allemaal hebben we het druk en we kunnen elkaar tijden niet zien, maar dat hindert niet. Ik heb veel lieve vrienden en – ik zal nooit het woord dankbaar gebruiken, maar het is toch fantastisch dat je leeft, dat je van vrienden kunt houden? Ik ben bijna 60 en het is toch heel aardig als je iemand bent met mensen om je heen die aardig voor je zijn?”

Jochem Brouwer & Jojanneke Claassen
April 1995

Beeld: Annemarie Grewel, deelnemer aan de bijeenkomst, 1981. Bron Wikimedia.

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
April
Jaargang:
1995 47
Rubriek:
Herinneringen Markante Amsterdammers
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000