De windvlaag des doods

Neutraal of niet, Nederland ontkomt niet aan de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog. In Amsterdam zorgen voedseltekorten voor oproer, er hangt revolutie in de lucht. Maar het is de Spaanse griep die in 1918 het sociale leven platlegt en vele levens eist. Naar schatting 2000 Amsterdammers overlijden aan het mysterieuze griepvirus.

"De ziekte welke Spanje teistert, schijnt een soort influenza te zijn, die blijkbaar een goedaardig verloop heeft. Gevallen met doodelijken afloop werden tot nu toe niet gemeld", meldde De Telegraaf op 30 mei 1918. Of er veel mensen wakker lagen van het nieuws uit het verre, ook neutrale Spanje? Waarschijnlijk niet. De helft van de Spaanse ministers en koning Alfonso XIII hield óók ziek het bed, dat was wel vermakelijk, misschien, maar de Nederlanders hadden wel andere zorgen aan hun hoofd.
De laatste twee oorlogsjaren merkte het neutrale Nederland steeds meer de gevolgen van de voortslepende Eerste Wereldoorlog in het dagelijks leven. Eerder al waren ruim 200.000 mannen onder de wapenen geroepen, een miljoen Belgische vluchtelingen opgenomen en 36.000 buitenlandse soldaten geïnterneerd. Nu was er een nijpend tekort aan aardappelen en brood ontstaan. Ook in Amsterdam nam de kans op ondervoeding toe, ondanks de nieuwe, gemeentelijke Centrale Gaarkeuken. Tweemaal per dag waren er maaltijden te verkrijgen onder de kostprijs, maar niet iedereen had daar waardering voor. Revolutionaire inwoners vonden dat deze 'Trog van Wibaut' de arbeidersklasse verdoofde voor de klassenstrijd. De vlam sloeg in de pan toen in juli 1917 groepen huisvrouwen uit de Jordaan en Kattenburg in pakhuizen en schepen op zoek gingen naar aardappelen. Bij het neerslaan van het Aardappeloproer vielen tien doden en 113 gewonden. En in het voorjaar van 1918 werden tientallen bakkerijen geplunderd, nadat het dagelijks broodrantsoen was verminderd tot twee ons per persoon.

Middeltjes

Was in de eerste krantenberichten de Spaanse ziekte nog onschuldig van aard, al rap kwamen er meldingen over de eerste dodelijke slachtoffers in Frankrijk, Engeland en Duitsland. Geen reden voor ongerustheid, meenden de Nederlandse autoriteiten. Ten onrechte, bleek al snel. In een Gronings interneringskamp voor Engelse militairen brak de Spaanse griep uit, ook mijnwerkers en gemobiliseerde militairen werden geveld en in het Twentse Losser bezweek de eerste Nederlands grieppatiënt, een metselaar die in Duitsland had gewerkt.
Begin juli begon de Spaanse griep aan een epidemische opmars langs dorpen en steden. De Centrale Gezondheidsraad plaatste in een groot aantal kranten het advies om woningen en plaatsen waar veel mensen bijeenkwamen goed te doorluchten: "Wees niet beducht voor flink wat versche lucht en bedenkt, dat eene krachtige luchtverversching de smetstof verdrijven kan, die anders in het lokaal blijft hangen en mogelijke besmetting overbrengt."
In de kranten verschenen tussen de overlijdensberichten advertenties voor allerlei middeltjes die de griep buiten de deur moesten houden. Van Abdijsiroop – "De griep is een windvlaag des doods. Zorg dat u niet verkouden wordt, want dan behoort gij tot de eersten op wie de Spaansche Griep vat heeft." – tot Menthaform-tabletten, die "keel en mond desinfecteren". Patria's Carbol Tandpoeder ("Het voorbehoedmiddel tegen Spaansche Griep!") was verkrijgbaar bij apotheken en in Magazijn De Bijenkorf. Anderen zworen bij een dieet van rode bieten of sterke drank. De jonge Amsterdamse huisarts Arnold Norden waarschuwde in zijn brochure De Spaanse Ziekte dat mensen niet moesten experimenteren met de aangeboden middeltjes, maar zorgen voor goede hygiëne.

Hoop

De gevreesde ziekte bereikte eind juli 1918 ook de hoofdstad. Vooral de arme Amsterdammers in de volksbuurten werden getroffen. Alle gemeentelijke diensten kampten met groot ziekteverzuim, met uitzondering van de brandweer. Alleen al bij de tramdienst waren 800 van de 3200 personeelsleden geveld. De politie meldde 195 patiënten (één agent overleed). De Geneeskundige Dienst (GD) had een tekort aan ziekenbroeders en ambulances. Door de schaarste aan benzine en reserveonderdelen is slechts één van de vier ambulances inzetbaar voor het vervoer van de ernstigste patiënten. De overige werden vervoerd met rijtuigen, gehuurde taxi's of rijwielbrancards. "Maak lucht!", adviseerde dr. Margaretha (?) van Riemsdijk, van de GD. "Zit, indien mogelijk niet met grote gezelschappen bij elkaar. Spuw niet en als ge met iemand spreekt, ga dan niet vlak bij zijn mond staan."
De eerste augustusweek stierven er waarschijnlijk drie Amsterdammers aan de gevolgen van het virus, de tweede week zeventien. Maar precieze cijfers zijn lastig. In juli en augustus werden diverse doodsoorzaken opgegeven: influenza (waaronder Spaanse griep), longtuberculose, acute bronchitis, longontsteking en andere ziekten van de ademhalingsorganen. Eind augustus – de griep leek over het hoogtepunt heen – maakte Van Riemsdijk de balans op. Er waren 228 personen meer overleden dan in dezelfde periode in 1917, en 244 meer dan in 1916. Cijfers waaruit zij afleidde "dat de Spaanse griep ook op andere ziekten ongunstig heeft ingewerkt, doordat zij voor zwakke personen ernstiger gevolgen heeft gehad dan voor anderen". En er was ook hoop. "De laatste week van augustus vertoont een belangrijke vermindering van het aantal sterfgevallen. En dat de ziekte thans naar het schijnt onze stad gaat verlaten."

Grauw

Het liep anders. De epidemie laaide in oktober weer op, sterker en dodelijker. Zij ging gepaard met bijzondere ziekteverschijnselen. Wat begon met de symptomen van een gewone griep (koorts, hoofd- en spierpijn en een zere keel) eindigde voor sommigen in 'verdrinking' door bloed in de longen. De dood kondigde zich aan met donkere verkleuringen van jukbeenderen, vingers en tenen en met bloedingen uit neus en mond. "Als je die paarsblauwe lichaamsverkleuring zag, wist je dat de patiënt het niet ging halen", herinnerde gemeentearts Elazar Rodrigues de Pereira zich later. De ziekenhuizen raakten overvol, er was een schrijnend tekort aan verpleegsters. "In alle wijken ziet men van de ochtend tot diep in de namiddag de rouwstoeten rijden en op de wegen die naar de begraafplaatsen leiden is het een onophoudelijk komen en gaan van begrafenissen", schreef Het Volk. Ook waren er te weinig doodgravers. "Voor het begraven komt men handen te kort", aldus een getuigenverslag.
De sfeer in de stad was nerveus. "Er zijn in de Kalverstraat restaurants, waarin zich tegen tien uur geen menschen meer bevinden. Op de trams doen de balconplaatsen opgeld; veel personen, waaronder dames, blijven buiten staan." (De Telegraaf). Maar hoe grauw ook het beeld, de meeste grieppatiënten bleven in leven. De schrijver Nescio werd met complicaties opgenomen, maar overleefde. Zo ook de vader van historicus en schrijver Geert Mak. Hij kwam op een avond het huis "binnenwankelen", leert een passage in De Eeuw van mijn vader (1999): "Het werd een klassiek ziekbed, met hevige koortsen, gebeden van familie – antibiotica bestond nog niet – en uiteindelijk een hevig crisis. Mijn vader werd zo kaal als een biljartbal, maar hij haalde het."
Talloze getroffen gemeenten hielden uit angst voor verdere besmetting de scholen dicht, Amsterdam niet. Huisarts Th. Hammes pleitte voor sluiting van scholen of minimaal ontsmetting. "Bij mijzelf en bij vele mijner kennissen was het verloop van de verbreding typisch. De gehele zomer gezond. Korter of langer na het openen der scholen, die vrijwel van de eerste dag af geïnfecteerd werden, komt een kind met influenza thuis en steekt de jongere kinderen aan."

Sterfbedden

Geneesheer-directeur Herman Ringeling van de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GG) dacht er heel anders over. Schoolsluiting kon misschien preventief werken in de provincie, maar niet in de overbevolkte hoofdstad met grote gezinnen opeengepakt in kleine woningen. Bovendien waren het vooral de gezinshoofden die de infectie mee naar huis namen. "Dan zouden we eerder banken, bioscopen, theaters, vergaderlokalen en cafés moeten sluiten en het tramverkeer moeten stremmen." Ontsmetting van schoolgebouwen was ook geen optie vanwege het gebrek aan desinfecteringsmiddelen door de oorlog. Gorgelen met een zoutsolutie of gechloroformeerd water was zijn advies. En de randen en binnenkant van de neus insmeren met vaseline om "eventueel binnendringende kiemen vast te leggen".
Ondertussen stierven de mensen bij bosjes. Overleden er normaliter in dit jaargetijde dagelijks twintig tot dertig Amsterdammers, nu bezweken er soms bijna honderd, in de laatste oktoberweek maar liefst 651. Gemeentelijke diensten raakten ontwricht door het hoge ziekteverzuim. De telefoondienst riep bij gebrek aan telefonistes op om niet te bellen, tramlijnen werden uit de dienstregeling genomen. Het overvolle Onze Lieve Vrouwe Gasthuis stelde een bezoekverbod in en ging na het overlijden van tien verpleegsters zelfs dicht. In de volksmond werd gesproken van de longenpest, een verwijzing naar de gevreesde Zwarte Dood. "Het was griezelig om dag in dag uit bij ziektebedden te komen, die aan het einde van de dag sterfbedden waren geworden", aldus de arts W. Binnendijk, die door de deprimerende situatie vraagtekens zette bij zijn werk. "Er valt niets te helpen en straks zijn er geen mensen meer! Gehele gezinnen sterven. Er wordt aan de lopende band begraven."

Kritiek

Er was nog een groot en opmerkelijk verschil met de eerste griepgolf: de meeste slachtoffers vielen nu niet in de volksbuurten, maar waren jonge, gezonde mensen uit de middenklassen. Het Volk noemde het een geluk bij een ongeluk dat de Jodenbuurt nu gespaard bleef: "Dit schijnt als het ware de vaccinatie te zijn geweest, die de bewoners dezer buurt thans immuun heeft gemaakt." Gemeentelijk onderzoek naar de ziekteverwekker bleef uit, de enige bacterioloog lag met griep thuis. Terwijl in het Bacteriologisch Hygiënisch Laboratorium van de UvA professor Rudolph Saltet zonder succes speurde naar de griepbron, zworen sommige artsen bij het injecteren van grieppatiënten met sublimaat. Wel zetten collegae hun vraagtekens bij de werking van deze verbinding van chloor en kwikzilver. Mensen verloren niet alleen hun dierbare naasten, buren en vrienden, maar ook het vertrouwen in de medische wetenschap.
De kritiek op Ringeling en zijn Gezondheidsdienst nam toe. Anonieme bronnen spraken in het Algemeen Handelsblad van een schandaal dat de scholen nog niet gesloten waren. B&W zeilde alleen op het kompas van hun enige adviseur, dokter Ringeling, meende de krant. "Het zal den leek vreemd voorkomen dat de Geneeskundige Dienst in dezen van het geven van adviezen is uitgeschakeld. De reden schijnt te zijn dat de Gezondheidsdienst de oudste rechten heeft." Volstrekte onzin, reageerde Ringeling, zo was de taakverdeling nu eenmaal. Maar daarmee was de kous niet af. Er kwam een raadsdebat over de schoolsluiting, aangevraagd door het liberale gemeenteraadslid Gai van Dien. Daags tevoren opende De Telegraaf de aanval op Ringeling: "Wij zien het dus gebeuren, dat de allerergste epidemie die in de laatste vijftig jaar onze hoofdstad teisterde, een Gezondheidsdienst tegenover zich vindt, die niets anders weet te doen dan niets te doen."

Gered

De toon was gezet. Van Dien had talrijke steunbetuigingen voor sluiting verzameld en verwees naar Rotterdam, waar de scholen wel dicht waren. Volksgezondheidwethouder Hendrik van Tienen benadrukte dat isolatie van grieplijders niet haalbaar was en dat ouders hun kinderen thuis mochten houden. De gemeenteraad stemde uiteindelijk slechts voor een beperkte schoolsluiting. Zwaar getroffen scholen konden door het gemeentebestuur worden gesloten "totdat de thans heerschende besmettelijke ziekte het karakter van epidemie zal hebben verloren" en alleen op advies van "het geneeskundig schooltoezicht". Het gemeentebestuur vroeg de Geneeskundige Dienst om een rapportage door de schoolartsen, op grond waarvan Ringeling kon adviseren.
Gelukkig begon de epidemie nu te luwen – het rapport was niet meer nodig. B&W werd gered door de bel. Maar de kritiek bleef. "Men heeft eenvoudig de zaak op de lange baan geschoven om eindelijk, nu de gevreesde ziekte enigszins begint te luwen, het van uitstel tot afstel te laten komen",' schreef een verbitterde dokter Martein Menkoo. "Ik waag het niet om veronderstellingen te uiten over deze niet te verdedigen houding. Ik weet alleen, dat bij vele, met hun patiënten meelevende artsen, het de grootste verbittering heeft gewekt, dat in onze stad, in tegenstelling met andere steden in ons land en in het buitenland, elke maatregel tegen de moorddadige ziekte is achterwege gebleven."

ONDER DE GEMEENTELIJKE GEZONDHEIDSDIENST (OPGERICHT IN 1893) VIELEN DE KEURING VAN VOEDINGSMIDDELEN, DE ONTSMETTINGSDIENST EN ALLE ANDERE TAKEN OP HET GEBIED VAN OPENBARE HYGIËNE. DE GENEESKUNDIGE DIENST (1901) MOEST DE BELANGEN VAN DE VOLKSGEZONDHEID EN DE GENEESKUNDIGE VERZORGING IN DE STAD BEHARTIGEN. ZE GINGEN IN 1923 SAMEN VERDER ALS GG&GD, SINDS 2005 DE GGD.

De Spaanse griep? Die kwam niet uit Spanje.

Het is een misverstand dat het griepvirus van het type H1N1 dat in 1918 dood en verderft zaaide, is ontstaan in Spanje. De griep woekerde aan het einde van de Eerste Wereldoorlog in verschillende landen, maar de oorlogscensuur stond berichtgeving niet toe. Spanje was echter neutraal, berichtgeving over de griep stond vrij. Mei 1918 namen alle Europese kranten het nieuws uit Spanje over de door griep gevelde koning Alfonso XIII gretig over. Overigens noemden de Spanjaarden de griep zelf "de Napolitaanse soldaat", volgens de Polen betrof het de "Bolsjewistische ziekte", Senegal werd geteisterd door de "Braziliaanse griep" en in Brazilië hield de "Duitse griep" huis.

Sterftecijfers in Nederland

De Spaanse griep behoort tot de grootste gezondheidsrampen van de vorige eeuw. En is nog steeds bron van onderzoek. In de periode 1918-1922 raakte een derde van de wereldbevolking besmet. Wereldwijd waren er tussen de 50 en 100 miljoen slachtoffers, van wie ruim 30.000 in Nederland. Amsterdam registreerde tijdens de eerste griepgolf officieel 85 influenzadoden, maar het aantal sterfgevallen aan gerelateerde longkwalen was ook opvallend hoog. De tweede griepgolf kostte 1111 Amsterdammers het leven. Rotterdam telde relatief meer doden (995) als je kijkt naar het aantal inwoners, ondanks de sluiting van de scholen.

Delen: