De vaste route van Vincent van Rossem

Zijn hele Amsterdamse leven, dat in 1979 begon, woont hij al in de Palmstraat. Eerst zonder woonvergunning. Maar dat is dankzij een lek in de woonruimteverordening en een handige advocaat van Bureau Rechtshulp goed gekomen – hoewel die zo zijn bedenkingen had tegen Vincent van Rossem. Want hij bezat een huis en was dus een kapitalist. “In die dagen deugde je dan niet.” Dagelijks fietst hij naar zijn werk in gebouw De Bazel. Een route met verkeersergernissen.

Vincent van Rossem woonde lang in de provincie, pas op zijn 39ste verhuisde hij naar Amsterdam. Omdat zijn vrouw er schoon genoeg van had. “Mij beviel het er prima, een twee-onder-een-kap met tuin, dat is met kleine kinderen best fijn.” Maar te beleven viel er niks. “En altijd die ogen in je rug. Wij waren toch een beetje anders.” Het kostte hem jaren om aan de ‘steenwoestijn’ te wennen. “Vooral die Palmstraat, dat is natuurlijk een dieptepunt. Maar je went eraan.”
De Palmstraat is inmiddels onherkenbaar veranderd. “Toen wij hier kwamen wonen was het een achterbuurt.” En je had er “dat typische slag mens”: de Jordanees. “Als je iets verkeerd deed of klaagde over zaken die Jordanezen heel normaal vonden, zoals muziekoverlast, zeiden ze: ‘Je hoort hier niet.’” En dat het zo gezellig was in de Jordaan is ook een kletsverhaal. “De echte originele authentieke Jordanezen zijn over het algemeen rancuneuze en vervelende mensen. Een leven lang armoe en op elkaars lip zitten, daar word je chagrijnig van. In dat huis van mij wonen nu zes mensen. Ik heb eens uitgerekend dat er vroeger globaal minstens 35 mensen hebben gewoond. En ik weet hoe gehorig het is.”
Van Rossems dochter werd geschopt en bespuugd. “Ze kon niet tegen die achterbuurtkinderen op, dus speelde ze nooit op straat. Mijn zoontje wel. Die moest ik om tien uur ’s avonds van straat plukken. Met de buurjongen, wiens vader zich dood heeft gedronken. Ook echt Jordanees.”

Gezellige vriendjes
We slaan rechtsaf. Op de hoek Willemsstraat/Tweede Goudsbloemdwarsstraat nadert avondwinkel Dolf, waar Van Rossem ’s avonds laat vaak nog een flesje bier ging kopen. Dan kwam hij wel dat buurjongetje tegen, met een ‘starnakel’ bezopen vader aan de arm. “Had-ie uit de kroeg gehaald. Hij had ook van die vriendjes die in de gevangenis belandden, net zoals dat gezellige clubje uit de Staatsliedenbuurt, met Cor van Hout en Willem Holleeder. Kijk, mijn zoon is advocaat geworden, maar die jongens realiseerden zich rond hun vijftiende dat ze nooit meer iets zouden bereiken in de maatschappij. Want daar moet je toch wel voor gestudeerd hebben. Dat is nu ook zo met die Marokkaanse jongens in Amsterdam-West. De grootste lefgozers weten dan wel hoe je zonder diploma’s geld kan verdienen, maar vroeg of laat kom je dan in de bak.”
Maar een prettige woonomgeving is het ondertussen wel. Want waar anders in Nederland heb je drie alternatieve bakkers op loopafstand? Handig als je van het biologische eten bent. “Het enige waar we een afstandje voor moeten afleggen, is de diervriendelijke slager”, zegt Van Rossem terwijl we slagerij Louman passeren – dáár is niets diervriendelijk aan. “Vroeger gingen we naar een slager op de Haarlemmerdijk, maar op een dag besloot mijn vrouw dat alle vlees biologisch moest zijn.” Hij kijkt er wat moeilijk bij. “Ik vond het zielig voor die man, hij heeft vast nog lang gedacht: waar blijven ze nou?”
Even verderop slaan we links de Boomstraat in en steken schuin de Noordermarkt over, de Prinsengracht op. “Die grachtengordel is natuurlijk van een onvoorstelbare schoonheid. Als stedelijke ruimte is zo’n gracht sowieso mooi, maar er zijn bijna geen twee huizen naast elkaar hetzelfde. Daardoor verveelt het bijna niet.”

Samenscholing van fietsen
We steken links de Prinsenstraat in, waar op nummer 25 zijn kapper zit. “Eerst was dat Ruud Vogel, in de Herenstraat. Daar kwam ik al toen ik nog in de provincie woonde, want hij was een hele hippe kapper. Ja, dat is natuurlijk onvoorstelbaar geworden, maar ik was ontzettend hip.” En dan kwam Van Rossem met de auto, die hij heeft weggedaan omdat hij in Amsterdam vooral stond weg te roesten. “Ik heb dus niet uit principe geen auto, maar ik speel daar wel eens mooi weer mee. Zo van: ik heb geen auto en ga maar twee keer per week in bad. Mijn CO2-voetafdruk is zo groot als die van een konijnenpootje!”
We naderen via de Keizersgracht ‘zijn’ boekwinkel Architectura & Natura op de Leliegracht. “Toen ik nog freelancer was, zat ik alsmaar thuis. Dan ging ik hierheen, een uurtje kletsen met de toenmalige eigenaar en dan meestal met wat boeken de deur uit. Nu kan ik ze niet meer kwijt, ze komen op een stapel op de grond terecht.”
Waar hij best naartoe zou willen verhuizen, is de Herengracht. “Naar de westkant. Aan de andere kant heb je geen tuinen. Dat is nog de eerste middeleeuwse uitbreiding uit de 16de eeuw, dus die huizen staan met de ruggen tegen elkaar aan. Aan de goede kant zijn het bijna allemaal keurblokken, daar woon je riant.” Op die gracht wordt ons de weg versperd door een samenscholing van fietsen. “Kijk, dit is nieuw: de fietsenplaag. Volkomen geëxplodeerd. Die lui werken hier, komen allemaal met de fiets, het rek zit vol, dus zetten ze hun fiets voor de deur.”

Kamer met rookloket
Even na de Leidsestraat nemen de verkeersergernissen toe. Een vrachtbusje dat uitlaadt en het verkeer stremt (“Waarom zegt stadsdeel centrum niet: ‘Ja, dat moet gebeuren, maar ’s ochtends van tien tot elf, dus na de spits?’”). En: “Zie je dat?!” Een automobilist rijdt de stoep op en parkeert zijn auto in een fiets. “Ik rijd gewoon even een fietsje in elkaar. En wat voor auto is dat? Een Range Rover! En hoeveel weegt die auto? Ruim twee ton.” Energieverslindend, dus. De automobilist checkt ondertussen even of de fiets zijn wiel niet heeft beschadigd. “Dat zijn natuurlijk hele dure wielen.”
De zij-ingang van De Bazel aan de Herengracht nadert. Bureau Monumenten & Archeologie trok hier in 2007 in – en daarmee is Van Rossem erop vooruit gegaan. Hij had het niet zo op de eerdere behuizing in het Huis met de Hoofden aan de Keizersgracht. “Ik noemde dat altijd het spookhuis, veel donkere hokjes en veel namaak. Alleen de tuin was fantastisch.” In De Bazel werkt hij op de eerste verdieping, die lager is dan de andere verdiepingen en daarom ramen heeft tot op de vloer. “Het is daardoor een hele mooie ruimte. Architect Karel de Bazel heeft dat niet gedaan omdat hij vooruitstrevend was, want dat was-ie niet, maar omdat hij anders niet uitkwam met de gevel. Zoiets zie je eigenlijk alleen maar in naoorlogse, moderne architectuur, die ik veel liever heb dan die oude troep.” Mét bovendien een rookloket: een klein schuifraam, van waaruit Van Rossem kan roken. Want dat is zo’n schrijversziekte waar hij maar niet vanaf komt.

Vincent van Rossem (1950) is architectuurhistoricus bij Bureau Monumenten & Archeologie en hoogleraar Monumenten en stedenbouwkundige vraagstukken van de periode sinds de 19de eeuw in het bijzonder in de stad Amsterdam aan de UvA. Aan deze universiteit promoveerde hij in 1991 cum laude op het proefschrift Het Algemeen Uitbreidingsplan van Amsterdam. Geschiedenis en ontwerp.


 

Palmstraat. Stadsarchief Amsterdam

Delen:

Rubriek:
Vaste route
Buurten:
Centrum Jordaan
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
April
Jaargang:
2013 65
Tijdperk:
1950-2000