De vaste route van Paul Haenen

Zijn moeder voelde zich een Amsterdam-Zuidvrouw, maar ze moest het doen met een bel-etage in de Jan van Galenstraat. Daar werd Paul Haenen als jongste in een gezin van drie jongens geboren. Zijn broers gingen naar een montessorischool, maar hij moest naar een klassikale school om de hoek. Een verschrikking, vond hij. De dag dat hij alsnog naar het montessori mocht, was “een van de gelukkigste” uit zijn jeugd.

In de Jan Evertsenstraat posteert Paul Haenen zich voor de fotograaf tussen de bloemenzee op de Molenslootbrug over de Admiralengracht. Al snel krijgt hij bezoek, van de dominee van de nabijgelegen Jeruzalemkerk. Die wil even een praatje maken met zijn ‘collega,’ dominee Gremdaat. Het alter ego van Haenen heeft gisteren nog een lezing gegeven in het VU medisch centrum, dat door interne ruzies met grote problemen kampt. “Ik had als thema dat je door je leven heen steeds opnieuw geboren wordt. Je moet wel terugkijken, maar het verleden mag een nieuwe geboorte niet verhinderen.” En dan, op z’n Gremdaats: “Ook het VUmc moet hopen op een hergeboorte.” Heel subtiel, grinnikt de officiële dominee. “Wedergeboorte is voor ons ook echt een thema.”
Kort daarop slaan we rechts de John Franklinstraat in – die was, zo vond mama Haenen, nog wat verder van Zuid verwijderd dan de Jan van Galenstraat. “Bij ons in de straat spraken de mensen meer ABN dan in de John Franklinstraat. Wij mochten absoluut niet plat praten.” Dat Haenen vriendjes in deze straat had, was dan weer geen probleem en hij deed hier ook de dagelijkse boodschappen. Bijvoorbeeld bij de inmiddels verdwenen kruidenier Van Assendelft op nummer 91 en bij Puro’s bakkerijen op nummer 86.
Vanwege haar straatvrees kwam mevrouw Haenen weinig buiten. Op enkele uitzonderingen na, zoals die keer toen Paul ingezakt slagroomgebak van Puro had meegekregen. “Ze zei: ‘De slagroom is ingezakt, dat kan toch niet! Ga terug!’ Maar ik was koppig en ging niet terug.” Ondanks de zaterdagmiddagdrukte ging moeder Haenen toen zelf naar de bakker om te klagen over de slagroom. “Achteraf denk ik: waren er maar meer van dat soort momenten geweest, dat ze uit een soort rechtvaardigheidsgevoel gedwongen werd om haar angst te overwinnen.”

Luistervinkje
De Haenens woonden rechtsaf in de Jan van Galenstraat op nummer 211, de bel-etage, via de buitentrap eerste deur links. De benjamin van het gezin had zijn kamertje op zolder, waarvoor hij buitenom de tweede deur van links moest hebben. Dat was wel spannend, zo’n eigen universum. Met een pionierbouwdoos van Philips had hij zijn eigen radio in elkaar geknutseld en deze met scheldraad uitgebreid tot een heus radiostation met verbindingen naar radio Apeldoorn, Goudeket en Lankhorst, de buurjongens. Tot Haenens teleurstelling lieten deze potentiële luisteraars verstek gaan toen hij via zijn radio een liveoptreden van Marlène Dietrich in Tuschinski rechtstreeks doorzond. “Dat was tussen twaalf en twee ’s nachts, ik was daar speciaal voor opgebleven. De volgende ochtend bleek dat niemand had geluisterd!”
Technisch als hij was, had Haenen ook uitgevogeld hoe je ‘oortjes’ als microfoon kon gebruiken; hij had ze beneden geïnstalleerd zodat hij op zolder zijn huisgenoten kon horen rondscharrelen. En hij kon de telefoon afluisteren. Buurman Duyne, die bij de PTT werkte, moest niets hebben van dat geknoei met de telefoon. Met het reglement van de PTT bij de hand vertelde hij Haenen dat het illegaal was en gebood hem ermee te stoppen. Niet dus.
Van jongs af observeerde Haenen zijn omgeving, om te overleven, want de werkelijkheid thuis viel hem niet altijd mee. Zijn ouders spraken nauwelijks meer met elkaar en dat leidde er onder meer toe dat Haenen met zijn vader onderhandelde over het huishoudgeld. “Dan liet ik zien dat de pindakaas écht tien cent duurder was geworden, en dan zei mijn vader: ‘Dat is wel zo, maar je krijgt niet meer huishoudgeld.’”

Dagboek

Dergelijke dialoogjes tekende hij op in het dagboek dat hij vanaf zijn twaalfde bijhield en dat hij in de vorm goot van een tijdschrift met vaste rubrieken over onder meer de televisie en zijn innerlijk leven. “Ik verheugde me daar echt op. Vandaag deze rubriek schrijven, morgen die, heerlijk!” Bovendien hielp de journalistieke blik om met de ondraaglijke spanning thuis om te gaan. Drama’s werden opeens scoops.
We lopen richting nummer 193, daar woonde oma, de moeder van zijn vader. Vanaf de Canarische Eilanden stuurde Haenen senior haar eens een brief die per abuis bij zijn echtgenote op de mat belandde. “Mijn moeder en ik hebben ’m open gestoomd. Hij schreef dat hij daar een hele leuke vrouw had ontmoet. Dat was natuurlijk verschrikkelijk, maar ik dacht meteen met een soort Telegraafmentaliteit: Goh, wat een nieuws voor mijn dagboek. Ik schreef dan ook met een grote kop: ‘Exclusief! Brief onderschept!’” Toen zijn ouders gingen scheiden kopte hij: “Mama gaat scheiden!” Daarna werd het een stuk prettiger in huis.
In plaats van rechtsaf de Admiralengracht op te gaan, lonkt in de verte nog even de Stofzuigerkoning op 163 – die er, in sterk verstofte toestand nog steeds zit – en het uithangbord van V&B (Voordeliger en Beter) Textiel op 125. De kleine Paul haalde in deze damesonderkledingzaak wel eens telefonische bestellingen van zijn moeder op. Binnen horen we dat het familiebedrijf na 76 jaar dichtgaat. Het is mooi geweest.

Keerpunt
Dan zetten we alsnog koers naar de Admiralengracht 301, de zij-ingang van Haenens kleuterschool. Hij vond het er verschrikkelijk, mede door het  “sadistische” personeel. Zo waren er te weinig schepjes voor de zandbak, die soms ook nog stuk waren. “Als de juffrouw een fluitsignaal gaf, moesten we naar de zandbak hollen. De langzame kleuters hadden dan geen of een kapotte schep.” Ook moest hij voor straf achteraan zitten als zijn moeder hem voor de gezelligheid een dagje thuis had gehouden. “Een keer wilde een meisje met mij praten en toen zei de juffrouw: ‘Nee, je mag niet met Paultje praten, want die is stout.’”
Aan de overkant op de Vancouverschool (nu de nieuwgebouwde Rosa Broekdrukkerschool) was het niet veel beter – al zette juffrouw de Boer zich in om Haenens moeder wat actiever te krijgen. Maar van het strenge klassikale regime, de schoolbanken en het werken met griffel en lei raakte Haenen bepaald depressief. Zozeer dat hij uiteindelijk toch naar de montessorischool op het Surinameplein mocht. “Dat was een van de gelukkigste momenten uit mijn jeugd, echt een keerpunt. Opeens zat ik aan een tafeltje in plaats van in de bank, we mochten praten en de onderwijzers hadden echt aandacht voor je ontwikkeling. Ik voelde me als kind en individu erkend. Samen met mijn dagboek bracht die school echt een soort helderheid in mijn leven.”

Paul Haenen (1946) is programmamaker en televisie- en theaterpersoonlijkheid. Hij maakte onder meer furore met zijn alter ego’s Margreet Dolman en dominee Gremdaat en doet al sinds 1976 de stem van Bert (Sesamstraat). Ook schrijft hij toneelstukken en werkt hij in de journalistiek. Met een nieuwe theatervoorstelling is hij in december te zien in zijn eigen Amsterdamse theater Het Betty Asfalt Complex (www.bettyasfalt.nl).

Tekst: Marcella van der Weg

Delen: