De vaste route van Nadia Bouras

Historica Nadia Bouras groeide op in de Pijp. Haar lagere school was de Bouschrãschool. Elke dag liep ze met haar tweelingzus en haar moeder de lange route van huis naar de Jekerstraat. De school was een geborgen plek en gaf de kinderen zelfvertrouwen. ‘Je ging hier iets van je leven maken.’

“Tot mijn twaalfde woonde ik in de Govert Flinckstraat, vlak bij de Amsteldijk, met mijn ouders, twee zussen en twee broertjes. Een groot gezin. Ik ging naar de Bouschrãschool in de Jekerstraat, de eerste Arabische school van Amsterdam.

“De Govert Flinckstraat was toen best ruig. De heroïnespuiten lagen gewoon op de grond. M’n broertje is er wel eens mee thuisgekomen: ‘Hé, we kunnen doktertje spelen!’ Wij waren het enige Marokkaanse gezin in de straat. Mijn vader, Bram Bouras, was een van de duizenden mannen die op de bonnefooi naar Europa gingen. Hij belandde hij in 1970 in Amsterdam. Veertig jaar werkte hij als huismeester van bejaardenflat Zuidwende aan de De Boelelaan. Hij kon heel goed opschieten met die calvinistische bejaarden. Mijn moeder, Fatima Taouil, was daar kok.

“Wij werden beschermd opgevoed, maar ook heel vrij. Ik moest als kind van zeven voor mijn moeder boodschappen doen op de Albert Cuypmarkt, gewoon, hup. We waren snuggere kinderen. Mijn tweelingzus en ik kregen bijvoorbeeld geen zakgeld. Toen hebben we een schoenendoos versierd en gingen we op zaterdagmiddag bij de Cuyp collecteren ‘voor het dierenwelzijn’. Mensen vonden ons schattig, twee meisjes met dezelfde kleren aan. Soms vroegen ze: ‘Voor welke dieren, dan?’ Dan verzonnen we snel wat – ‘in Afrika’, of ‘in het asiel’. Kwamen we met een volle schoenendoos thuis.”

 

Bibliotheek

“De school lag nogal ver. Ik liep met mijn zus en met mijn moeder elke dag over de Van Woustraat, door de Diamantbuurt, langs de Jozef Israëlskade, de Churchill-laan. De kunst was om steeds een sluiproute te vinden. Er zijn van die poortjes, waardoor je kunt afsteken.

“De Van Woustraat is een rare straat. Het knapt steeds meer op, maar er blijven groezelige stukken in, belwinkels, een wasserette, een Turkse croissanterie. De Openbare Bibliotheek in de Tolstraat was heel belangrijk voor ons. Mijn moeder stimuleerde dat heel erg, boekjes lezen. Ik las Pinkeltje en De Babysittersclub, eigenlijk alles. Wij waren met vijf kinderen. Je mocht tien boeken per kind lenen, dus hadden wij steeds vijftig boeken ‘in omloop’."

We passeren het Badhuis aan het Smaragdplein, centrum van de Diamantbuurt – een buurt met een mindere reputatie. “Niet echt ‘onze buurt’, maar we liepen hier vaak langs. Er lagen naalden, jointjes overal, er zat een zwerver, maar toch speelden we hier. Een keer hadden we een politieagent in de klas en die vertelde over drugs en zo. Nou, daar wisten wij alles al van. Khalid, de stoutste jongen van de klas, had ons er alles al over verteld, hoe de junkies bij dat badhuis jointjes kwamen roken.

“Ik heb fietsen geleerd van de broer van een meisje bij mij in de klas. Ze woonden in de Vincent van Goghstraat, onze moeders waren vriendinnen. Hij had een zwart-met-gele BMX. Hij was twee jaar jonger dan ik, zat ook bij ons op school. Hij is nu een van de kopstukken van de Mocro-maffia, hij zit achter de tralies. Niet een hele grote jongen, maar...”

Trots

“Hij was eigenlijk de uitzondering. De Arabische school was bedoeld om ons zelfverzekerd te maken: je moet weten waar je vandaan komt, je bent wie je bent, daar kun je trots op zijn. Mijn klasgenoten en ik hebben dat omarmd. Maar de generatie na ons groeide op met ellende en gedoe, met 9/11, met Theo van Gogh. De kinderen uit de jaren negentig zijn in een tijdperk beland waarin alles rechts is, waarin het debat enorm verhard is, verscherpt tot ‘wij-zij’. Voor ons gold dat niet. Wij waren gewoon Amsterdamse kinderen, als wij voetbalden waren we ‘Kluivert’ en ‘Overmars’, we kenden geen Marokkaanse voetballers. Zij groeiden heel evident op als moslim, als Marokkaan, dan pas als Nederlander.”

Op de Vrijheidslaan stoppen we bij het beeld van ‘bouwmeester Berlage’ voor de Wolkenkrabber. “Als er íets is wat bij mijn jeugd hoort, is het dit beeld. Dit was het verzamelpunt van onze moeders op weg naar school en op weg naar huis. Uit de Rivierenbuurt, uit de Pijp. Zij stonden hier te kletsen, ondertussen klommen wij op het beeld. We kwamen tot aan zijn voeten en hadden dan een mooi zicht over de stad, nou ja, over het buurtje. Aan de Churchill-laan is verderop Bakkerij Blommestein, op de hoek van de Reggestraat. Daar jatten we taarten uit de keuken, heel erg. Ongeveer het ergste wat we deden aan kattenkwaad. Veel vriendjes en vriendinnetjes woonden hier, in de Schipbeekstraat of aan de Jozef Israëlskade. Allemaal uit de klas, allemaal Marokkaans.”

Poortje

We vinden het poortje naar de Jekerstraat. “Mijn zus heeft hier wel eens gevochten. Haar beste vriendin had tegen haar broer gezegd dat ze hun moeder had uitgescholden. Dat kon niet, natuurlijk. Toen zei hij: ‘Ik zie je om drie uur onder het poortje” en heeft haar toen te grazen genomen, tot bloedens toe.”

De school op nummer 86 dateert uit de jaren twintig. Er zit nu van alles in: een kinderopvang, een voorschool én een kleine moskee. In 1982 trok de Arabische School erin. “De Ecole Arabe d’Amsterdam was gesticht door twee Nederlandse dominees, Rolf Boiten en zijn vrouw Georgine Du Rieu. Zij begonnen in 1955 de Gemeenschap Oudezijds 100 in het Wallengebied. Zij zagen de eerste gastarbeiders met hun ziel onder de arm over de Wallen lopen en ontfermden zich over hen. Ze boden een tijdelijk adres, zodat hun gezinnen konden overkomen. En voor de kinderen startten ze een schooltje, eerst op de Oudezijds en toen het groter werd, verhuisde het naar hier.

“Het was nadrukkelijk een Arabische school, geen islamitische. Islam speelde wel een rol, natuurlijk, maar verder was het een gewone basisschool. Een goede school, al was het in de beleving van buurtbewoners een ‘gettoschool’ met alleen maar Marokkaanse kinderen, in een witte buurt. Er een petitie rond toen de school hier kwam. Ze waren bang voor overlast, bang dat het speeltuintje door Marokkaanse kinderen zou worden ingenomen, ‘terwijl dat bedoeld was voor hun eigen kinderen’ – dat stond er letterlijk. Er was verzet van omringende scholen, omdat de Bouschrã een grote aantrekkingskracht had op Marokkaanse kinderen, én vanuit christelijke scholen die vonden dan dominee het evangelie moest verspreiden.”

Geborgen

“Wij kregen op de klassieke Marokkaanse manier onderwijs. Dingen in je hoofd stampen, voor de klas overhoren. Er waren drie Arabische leerkrachten, twee mannen en een vrouw, Fatima. Ze spraken onderling Nederlands, maar in de klas altijd Arabisch. Fatima voerde een ijzeren bewind. Als ze boos was donderde haar stem door het hele gebouw. Ik weet nog dat we een keer allemaal op een rij moesten staan voor het bord. Ze had een ouderwetse houten liniaal, de stoute jongens kregen een harde tik op hun hand, wij meisjes een aai – maar toch.

“De idee van de Bouschrãschool was: een geborgen plek. Veilig. Je werd gezien. We vierden Kerst – al werd er niet heel veel gerept over het kindeke Jezus –, het Suikerfeest, heel uitbundig, en ook sinterklaas, maar dan had Sinterklaas geen kruis op zijn mijter. Daar had één heel conservatieve vader bezwaar tegen gemaakt. De school was een soort gemeenschap binnen de gemeenschap. Onze moeders waren vriendinnen, de vaders vrienden, we kwamen bij elkaar over de vloer, sommigen gingen met elkaar op vakantie, samen in de file richting Marokko. Zo’n school was het: solidariteit, immigranten onder elkaar."

“We waren dus Marokkaanse kinderen op een Marokkaanse school met elke dag Arabische les en op zaterdag en zondag moesten we naar de moskee, waar we dan Koranverzen moesten stampen. Maar we waren toch vooral Amsterdamse kinderen, in Amsterdam geboren, in Amsterdam groeiden we op. Geen excuses: je ging hier iets van je leven maken. Ik ben gepromoveerd, mijn tweelingzus is docente Frans geworden, mijn oudste zus is sportlerares en mijn broertjes zijn ondernemers.”

Bravoure

“De school hield er in 1996 mee op. Er was leegloop: mensen vertrokken uit de buurt op zoek naar meer ruimte. Ook wij verhuisden, naar Sloten. Ik woon nu weer in de buurt, op de Rooseveltlaan. Ik durf te wedden dat ik daar de enige echte Amsterdammer ben. Het is allemaal import, mensen die zijn komen studeren en zijn blijven hangen, kinderen krijgen en dan stoer doen alsof het hun buurt is. Nou...! Dat valt wel mee hoor!

“Voor mijn boek heb ik veel met mijn klasgenoten gesproken. Ze zijn eigenlijk allemaal goed terechtgekomen. Eentje zei iets heel treffends: “Wij waren het Ajax van 1994. De gouden generatie. Wij hadden die Amsterdamse bravoure van: ‘Wat nou?! Ik ben wie ik ben, so what?’ Wij groeiden op zonder dat gezeik van nu. We voelden ons gezien. Elke dag fiets ik met mijn dochters naar school hierlangs. Dan maakt mijn hart toch een sprongetje.”

 

NADIA BOURAS (Amsterdam, 1981) is docente aan de Universiteit Leiden bij Geschiedenis en Urban Studies. Ze is expert op het gebied van migratie en integratie van Marokkanen in Nederland. In 2009 was ze medeauteur van Marokkanen in Nederland: de pioniers vertellen en in 2012 promoveerde ze aan de Vrije Universiteit op Het land van herkomst. Perspectieven op verbondenheid met Marokko, 1960-2010. Over de Arabische School in Amsterdam schreef ze Een klas apart. Geschiedenis van een Arabische school in Amsterdam, Uitgeverij Boom, € 20,-. Ze is vertegenwoordiger van het Nederlands Instituut Marokko (expertisecentrum Marokkostudies van Universiteit Leiden) in Rabat.

 

Beeld: Nadia Bouras op het pleintje voor haar voormalige lagere school, Jekerstraat 86. HANS VAN DEN BOGAARD

Septembernummer 2020

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right
Delen:

Buurten:
Zuid
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
September
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Vaste route
Tijdperk:
1950-2000 Vanaf 2000