De vaste route van Marjan Berk

Occohofje– Nieuwe Keizersgracht – Plantage Kerklaan – Plantage Doklaan – 

                               

                                           Het Zwitserse huis

                                           Beeldhouwersatelier Proeflokaal De Druif

Anne Frankstraat – Rapenburg – Rapenburgerplein

 

Met schrijfster en theatermaakster Marjan Berk (1932) gaan we meer dan zestig jaar terug in de tijd. Vanuit het Occohofje, waar ze tegenwoordig haar pied-à-terre heeft, gaan we langs de huizen waar ze in de jaren vijftig leefde. Op haar 26ste had ze al drie kinderen, ondertussen veroverde ze haar plek in de theaterwereld.  

“Jullie komen toch eerst wel even naar binnen voor een kopje thee?” Marjan Berk laat ons via de intercom binnen in het Occohofje, dat zijn statige ingang heeft aan de Nieuwe Keizersgracht. Eenmaal door de toegangspoort blijkt de verborgen tuin imponerend groots. De 86-jarige Berk wenkt ons richting een deur helemaal achteraan. Ze is gewapend met een stok in roodzwart gevlekt pantermotief, waarmee ze zich behoedzaam voortbeweegt. “Ik zie eruit als een heel zielig vrouwtje, en dat ben ik natuurlijk ook.” 

Opgewekt vertellend over het hofje en haar eigenzinnige stichtster Cornelia Occo – “‘Waarom zou ik trouwen, we hebben geld genoeg’, zei ze eens.” – brengt Berk ons via een krap liftje naar haar eveneens bescheiden appartementje op de eerste etage. Je moet er voorzichtig laveren, rond het eenpersoonsbed in het midden en tussen de vele parafernalia die zij in haar lange, uitermate productieve leven heeft verzameld. 

De tomeloze inzet voor haar werk wist ze te combineren met een al even tomeloze liefde voor haar familie. Vijf kinderen kreeg ze met twee echtgenoten, foto’s van haar vele kleinkinderen omringen ons. Hoewel ze opgroeide in Amersfoort en tegenwoordig woont in het Overijsselse dorpje Kalenberg, ziet Berk Amsterdam als haar ‘biotoop’. Hier bracht ze haar kinderen groot, hier ligt de basis van haar carrière.

 

Leeuwen

Na de thee gaan we op pad naar die eerste jaren in Amsterdam. Via de Nieuwe Keizersgracht die uitmondt in de Plantage Kerklaan lopen we richting Artis. Het is rustig op straat, onderweg zegt Berk de schaarse passanten vriendelijk gedag. Voorbij de dierentuin is linksaf de Plantage Doklaan, waar ze als jonge moeder op nummer 40 woonde, een groot witgepleisterd huis.

“In 1954 begon ik op de Toneelschool in de Marnixstraat, samen met elf andere eerstejaars, onder wie Shireen Strooker en Nelly Wiegel (later Frijda). Drie weken later bleek ik zwanger van mijn vriendje, meegekomen uit Amersfoort, een psychologiestudent. Ik woonde op een zolderkamer zonder water en licht op de Oudezijds Voorburgwal. We zijn toen hier gaan wonen, op de beletage, in de voorste kamer. Onze eerste zoon is hier geboren. Als baby heeft hij nog gefigureerd in de allereerste Ciske de Rat-film; Kees Brusse en Lies Franken speelden zijn ouders. Hij is uiteindelijk uit de film geknipt, maar we hebben er een prachtige Engelse kinderwagen aan overgehouden."

“Je hoorde hier de leeuwen van Artis brullen als ze gevoerd werden. Nu is het een heel behoorlijke buurt, in de tijd was het totaal vervallen, half afgebroken, heel shabby. Aan de overkant van de straat was een spoorwegemplacement. De woningnood was enorm groot. We leefden allemaal boven op elkaar. De wc deelden we met een stel dat in het achterhuis woonde. Zij was ooit weggelopen van haar dertien kinderen. Hij zat altijd te roken en de krant te lezen op het toilet, waardoor wij ons heil buitenshuis moesten zoeken. Naast ons, gescheiden door schuifdeuren, woonde een tramconducteur die vaak ruzie maakte met zijn vrouw. Hij mocht dan niet bij haar in bed slapen en smeekte de hele nacht of hij er weer bij mocht.”

 

Spoor

Ze dacht de buurt goed te kennen, maar tien minuten later raakt Berk aan het eind van de Anne Frankstraat opeens het spoor bijster. Ze wil naar het Rapenburg, waar ze na een jaar Plantage Doklaan vier jaar woonde en nog twee kinderen kreeg – “Op mijn 26ste had ik er al drie.”–, maar herkent de omgeving niet. We kunnen het Rapenburg niet vinden. Google Maps biedt uitkomst. Aan de overkant van de brede, druk bereden Valkenburgerstraat en IJtunnel komen we terecht in een smal en stil zijstraatje. 

Opgelucht herkent Berk direct het huis waar ze op de krappe, lekkende zolderverdieping woonden. “Nummer 44, hier was het. Kijk, het grenst aan de achterkant aan de Uilenburgergracht. De directeur van Steenhouwerij Weegewijs woonde beneden. Ernaast was een loods, waar beeldhouwers als Willem Reijers, Shinkichi Tajiri en Pearl Perlmuter werkten. Het marmer werd met schepen aangevoerd.” 

Het pand staat bekend als het Zwitserse huis en valt op door de ver uitstekende dakdelen. Berk wijst naar de zolderramen aan de grachtkant: “Daar ben ik in een dronken bui bijna uit gesprongen – ik kon helemaal niet tegen alcohol, drink bijna nooit. De was die ik er ophing, gooiden de kinderen naar beneden. ’s Nachts kieperden we er ons afval het water in, dozen vol, iedereen deed dat. Er lagen bankstellen in, het was zo’n gore zooi." 

 “Of ik toen gelukkig was? Dat kan ik niet echt zeggen. Iedereen was arm, het was een sobere tijd. Een auto had ik niet, geen fiets, we liepen alles. Telefoneren deden we bij de melkboer aan de overkant van het straatje. Toen ik eens met een reclame 25,- verdiende, ben ik direct een straalkacheltje gaan kopen, zodat ik de kinderen warm kon houden als ze in bad gingen. Het was net na de oorlog. De vele Joden in deze buurt waren verdwenen, alles was kapot. Mijn moeder was in 1951 na een jarenlange, slopende ziekte overleden. Met mijn vader had ik zo min mogelijk contact.” 

 

Energie

“We hadden een ongehuwde moeder inwonen, die op de kinderen paste. Mies was rooms-katholiek. Zonder boterbriefje een kindje krijgen, was een schande in die tijd. Als ze bij familie waren, moest het meisje tante tegen haar zeggen. Ik had heel leuke kinderen, maar moest ook veel weg voor werk. Als lid van het gezelschap rond Wim Kan reisde ik het hele land door. Het voordeel van zo vroeg moeder worden, was wel dat ik nog zo energiek was. Ik was nooit moe. En ik kon daarna volop carrière maken.” 

Het weer wordt kouder: tijd om de wandeling te beëindigen. Marjan wil nog even wat drinken om bij te komen en zoekt naar het café dat zich in haar herinnering op een pleintje aan het eind van Rapenburg bevond. Weer zijn we gedesoriënteerd. Tot we aan de overkant van de weg naar de IJtunnel opeens Proeflokaal De Druif zien liggen. Het kwartje valt. Rapenburg is bij de aanleg van de tunnel letterlijk doormidden gehakt. Dat was in 1968. Berk heeft die ingrijpende verandering niet meer meegemaakt. In 1960 was ze al met haar gezin verhuisd naar de Valeriusstraat. 

 

WIE MARJAN BERK, GEBOREN MARIE-JANNE VAN BAAREN (1932)
IS schrijfster 
WAS 27 jaar werkzaam in de wereld van cabaret (Wim Kan, Lurelei, Jaap van der Merwe), toneel, musical, film en televisie. 

SCHREEF sinds 1977 voor radio en televisie, en vanaf begin jaren tachtig columns en (inmiddels over de veertig) boeken. 

KOMENDE ZOMER verschijnt Hofdames. Verhalen over het Occohofje bij Atlas Contact.
HEEFT geen pensioen of alimentatie en blijft daarom maar doorwerken.

 

KADER

HET OCCOHOFJE

Stichteres Cornelia Elisabeth Occo (1692-1758) was een uitzonderlijke zakenvrouw. Ze handelde in aandelen, obligaties, diamanten, nam deel in de Compagnie des Indes en had beleggingen in meerdere landen. Ook besteedde ze veel tijd en geld aan liefdadigheid en armenzorg. Haar startkapitaal had ze te danken aan de erfenis van haar ouders.

Occo bleef bewust ongehuwd. Bij testament had zij het grootste deel van haar kapitaal bestemd voor de bouw en inrichting van een voorziening voor “arme weduwen sonder kinderen en arme vrijsters boven de vijftig jaar oud”. De bouw van het Occohofje ging in 1774 van start (de tekening is uit 1801). Nu bestaat het uit 23 woningen, een kapel, een regentenkamer en een ontmoetingsruimte voor de bewoners.

 

Beeld: Marjan Berk door Hans van den Boogaard

 

Meinummer 2019

Delen:

Buurten:
Centrum
Editie:
Mei
Jaargang:
2019 71
Rubriek:
Vaste route