De vaste route van Marian Donner. Niet met de stroom mee

Het Zelfverwoestingsboek van Marian Donner is – onbedoeld – een eerbetoon aan haar vader, schrijver en schaakgrootmeester Hein Donner. Hij overleed toen ze veertien was. Zijn wereld van kroegbezoek, non-conformisme en het dorpse ons-kent-ons in de binnenstad is er een van vervlogen tijden. Het is ook de tijd van haar jeugd.

Op het stoepje voor Wolvenstraat 21 rookt Marian Donner een sigaret. Ze trekt het liefst een rookgordijn op tussen haar geboortehuis en de winkels in deze smalle straat, ingeklemd tussen de Keizersgracht en Herengracht. In het huis waar ze tot haar achtste woonde, zit nu een ‘experimental store’ van Ecco met sneakers. Alles binnen is van ruw beton. Ze vindt het deprimerend. Hoe het er uitzag in de jaren zeventig, toen het nog een woonhuis was naast een doodgewone slager, ze weet het nog precies. “Mijn vader had zijn bureau achter het raam en tikte daar zijn stukken voor NRC en Elsevier. Er was een trapje naar de woonkamer en de keuken beneden. Een wenteltrap omhoog leidde naar de slaapkamer van mijn vader en die van mijn moeder. Ze sliepen apart, omdat mijn vader heel hard snurkte en ze een compleet ander levensritme hadden. Mijn moeder werkte overdag als rechter, mijn vader werkte ’s nachts. Helemaal daarachter was mijn slaapkamertje met uitzicht op het binnenplaatsje.”

Het was er een stuk shabbyer dan nu. “Ik herinner me van die huizen gestut met houten palen, omdat ze bijna gingen inzakken. Ik wil niet meedoen aan een soort valse romantiek, instortende huizen zijn niet goed, maar er moet een soort middenweg zijn. Nu is dit pand zo gestript van binnen dat het inwisselbaar is en die negen straatjes zijn een soort openluchtwarenhuis geworden. Alles draait om geld.”
Het was geen straat voor stoepkrijttekeningen, weet de schrijfster nog. “Om de hoek zat kraakpand de Groote Keijzer, waar volgens de overlevering molotovcocktails gemaakt werden. Mijn vader vertelde me over een halve veldslag tussen de politie en de krakers. De krakers wilden voor recht onze deur een barricade bouwen. Hij vroeg vriendelijk of ze die iets meer naar links wilden neerzetten. ‘Ja, natuurlijk meneer Donner.’ Hij was wel een beetje bekend toen. Of het verhaal helemaal betrouwbaar is, weet ik niet. Mijn vader kon goed sterke verhalen vertellen.”

Nicotine

Hein Donner zag en hoorde alles, want hij was de thuisman. Hij bracht de kleine Marian naar de crèche en later naar school en haalde haar ook weer op. Tenzij hij nog op bed lag met een kater. En ze maakten uitjes, naar de film of naar Artis. Niet zelden combineerde hij zijn dagelijkse wandeling met een kroegbezoek aan journalistencafé Scheltema aan de Nieuwezijds Voorburgwal. Zijn dochter nam hij gewoon mee.
“Dat het nog bestaat”, roept Marian opgetogen. “Vóór dit café heb ik leren fietsen. Mijn vader hield me aan mijn nek vast, wat ik niet wilde. Ik wilde los fietsen. Ik hou heel erg van cafés. Ze geven me een warm gevoel. Niet omdat mensen heel erg met mij bezig waren. Maar ik had een heel lieve vader, heel warm. Dus ik denk dat ik zo af en toe op schoot zat, naar de verhalen luisterde, wat rondstruinde, met de cafépoes speelde.” Binnen valt haar oog meteen op de leestafel die er nog steeds staat in Scheltema. Een witte poes bestudeert ons aandachtig. “Hier is niks veranderd”, zegt ze opgelucht. Daar is kroegbaas Wim de Lange jr. het niet helemaal mee eens. “Het is állemaal geschilderd, binnen en buiten. Het is nog nooit zo mooi geweest. Toen tante corona langskwam, zijn we de hele boel gaan schoonmaken. Alles in oude stijl. Daarom zie je het niet.” We kijken naar het donkerbruine plafond, dat ooit wit was. Hij grijnst. “Pure nicotine. Er zitten ook nog wat lekkages in. Moet je gewoon houden zo. Anders haal je het leven eruit.”

Marian vertelt dat haar vader hier bijna elke dag kwam. “Hij was schaker en schrijver.” De Lange knikt: “Ja, alles kwam hier natuurlijk, dit was ooit het Mekka van de journalistiek. Toen de kranten wegtrokken, was dat voor ons een grote aderlating. De terugkeer van NRC Handelsblad zet niet veel zoden aan de dijk. Die jongelui staan er heel anders in.” Ze moeten zo hard werken, dat ze geen tijd meer hebben om hun roes uit te slapen, beaamt Marian.

Voorbeeld

In haar Zelfverwoestingsboek bekritiseert ze de succescultuur en het streven om steeds een betere, mooiere en gezondere versie van jezelf te worden. Aangemoedigd door het neoliberale kapitalistische systeem komt de lat steeds hoger te liggen, schrijft ze, en wie wordt daar nou gelukkig van? Marian zelf in ieder geval niet. “Ik ben slordig, lui, niet zo ambitieus en heb een hang naar het caféleven.” Vader Hein is haar grote voorbeeld. Ze waren ook aan elkaar gewaagd. “Ik was vijf en zag iets in de etalage liggen dat ik wilde hebben. Hij zei ‘nee’ en toen zei ik dat als ik het niet mocht hebben, ik heel hard ging schreeuwen en zeggen dat die oude man me aan het ontvoeren was. Heel erg, eigenlijk. Toen heb ik het toch gekregen. We hadden vaak ruzie of we Sesamstraat of het journaal gingen kijken. We hadden één grote stoel voor de tv. Daar pasten we precies met z’n tweeën in, maar ik werd steeds iets groter. Dus dat werd wel wringen.”

Marian had als kind niet echt door dat ze uit een bijzonder gezin kwam. De moeder van haar beste vriendin Sanne werkte immers ook, was documentairemaakster. Pas toen ze Vrouwenstudies ging studeren en hoorde hoe weinig vrouwen er een betaalde baan hadden in de jaren zeventig besefte ze dat de taakverdeling thuis niet vanzelfsprekend was. “Nu ik zelf meer in de media ben, krijg ik ook weleens stukken opgestuurd. Ook een stuk over het Nederlands kampioenschap schaken. Mijn vader was de gedoodverfde winnaar. Hij heeft dat volgens de analisten niet gehaald, omdat hij veel te snel voor remise koos, omdat hij naar huis wilde, naar mij, zijn baby. Heel geëmancipeerd eigenlijk. Schaken heeft hij me nooit geleerd, want twee schakers in huis was er een te veel. Hij vond ook dat vrouwen te rationeel en te weinig intuïtief waren om het spel goed te beheersen.”  

Ziek

Rond haar achtste verhuisden ze van de Wolvenstraat naar de Johannes Verhulststraat in Oud Zuid en dat neemt ze haar moeder nog steeds kwalijk. Die vond op haar beurt dat de kleine Marian te mondig werd en te plat Amsterdams sprak. Het was tijd voor wat bijsturing. “Zij was echt een doener. Niet zeiken, maar aanpakken. Ik bewonder haar. Zeker met terugwerkende kracht. We hadden vroeger veel ruzie. We zijn zo anders. Mijn moeder stuurde me naar het Barlaeus Gymnasium en niet naar een scholengemeenschap. Ze vreesde dat ik anders door mijn luiheid zou afzakken van vwo naar mavo.”

Leidsekruisstraat 1 is het adres waar haar beste vriendin Nica al op haar 15de zelfstandig woonde. Het Barlaeus is er vlakbij, maar laten we nu links liggen. Iedereen kent dat gebouw toch wel, oppert de schrijfster, en haar herinneringen aan die school zijn allesbehalve warm. Ze heeft zich er nooit thuis gevoeld. Haar vader was ernstig ziek. Hij kreeg een hersenbloeding en woonde vijf jaar in een verzorgingshuis in Buitenveldert.
Ze sprak er met niemand over. “Mijn moeder was niet zo’n prater. Op mijn 14de verloor ik hem, maar kwam ik wel Nica tegen op school. Dat bood troost. Nica had een hele stomme vader die leefde, en ik een hele leuke, die niet meer leefde. Iemand zei dat mijn boek een groot eerbetoon aan hem is. Op een bepaalde manier wel. Ik wil niet terug naar vroeger. Dat iedereen weer massaal gaat roken en naar de kroeg gaat. Maar ik bekritiseer wel the survival of the fittest. Eenzaamheid en depressie nemen toe. Hoe kunnen we het beter maken? Hoe kan de stad weer wat gevarieerder, gemêleerder en betaalbaarder worden? Niet alle kroegen moeten vervangen door koffiebars met gratis wifi, en fitnessscholen.”

Tafelvoetbal

Het is nog een wonder dat Marian met een lijst vol zessen en één vijf het Barlaeus op het nippertje heeft gehaald. Ze was er weinig, des te meer in Nica’s huis. Op de deur zit een ouderwetse klopper met een leeuwenkop. Hier was het een zoete inval. Marian had een wereld buiten school ontdekt, waar het niet om presteren ging, behalve als er fanatiek getafelvoetbald werd en de twee vriendinnen de ene na de andere mannelijke tegenstander inmaakten. Daar – of in Coffeeshop Hardrock aan de overkant – werd geblowd en eindeloos gefilosofeerd. “Nica was mijn plaatsvervangende familie. Mijn moeder had het niet door. Die was te druk aan het werk en ze vertrouwde Nica ook heel erg. Als ik haar niet was tegengekomen, was ik denk ik gewoon meegegaan in de stroom van school, studie, drukke baan, hoge huur, veel stress.”

In plaats daarvan is Marian schrijver en publicist, niet gebonden aan kantoortijden. Ze woont in de Kinkerbuurt met haar man Reimer en hun vierjarige zoontje Ronin. “Het ouderschap vergde wel een beetje aanpassing en nog steeds”, lacht ze. “Toen Ronin naar de crèche ging, trokken mijn man en ik overdag wel naar de kroeg en dat zat meteen goed. Ik vind het ook zo leuk met mijn zoontje. Maar ik mis het nachtleven en de nacht wel, het hangen en niks doen, de tijdloosheid. Maar dat komt nog wel.”

Katja Kreukels

December 2020

Beeld: Marian Donner, door Hans van den Bogaard

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right
Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
December
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Vaste route