De vaste route van Lisette Lewin

Helemaal Juliette Gréco!


092002_RouteZe was eenzaam toen ze eind 1958 – net terug uit het warme Indonesië – een kamertje betrok op de hoek van de Eerste Jan van der Heijdenstraat en de Ferdinand Bolstraat, boven de HEMA. Haar vader zat nog in Indonesië, met haar Amsterdamse tantes was ze (tijdelijk) gebrouilleerd en het weer werkte ook niet mee. Wel had journaliste en schrijfster Lisette Lewin ( Den Haag, 1939) een leuk baantje weten te bemachtigen bij de Nederlandse Opera Stichting, die kantoor hield in de Stadsschouwburg. Vanaf de Eerste Jan van der Heijdenstraat liep ze regelmatig naar het Leidseplein – eerst naar haar werk en niet veel later naar café Reijnders.


Lisette Lewin stopt de gebruinde Russische accordeonist die voor de HEMA staat te musiceren wat kleingeld toe. De zon schijnt. In haar herinnering regende het vooral in de Pijp. “Maar het was dan ook een deprimerende periode.” Met haar hospita, mevrouw Elders, boterde het niet. “Ze kwam zo maar je kamer binnen. Als je overdag op bed lag, kreeg je te horen dat ‘fatsoenlijke meisjes dat niet deden’. Maar ondertussen kon haar echtgenoot zijn handen niet thuishouden.” Lewin miste haar vader en moest als negentienjarige rondkomen van een zeer karig loon. Ergens een kopje koffie drinken kon er niet af. HEMA-worst voor het avondeten wel: niet duur en – zo had haar vader haar al voorgehouden – de beste.


Het was niet alleen kommer en kwel in de Eerste Jan van der Heijdenstraat. “Want,” glimt Lewin, “ik heb voor de huisdeur óók vre-se-lijk staan zoenen. Écht dat de mensen omkeken.”


We lopen richting Albert Cuypstraat, waar destijds op nummer 76 slagerij De Vries zat. Lewin kocht er wel eens een paardenbiefstukje. “Heel taai. Op een dag gaf die slager me ongevraagd runderbiefstuk. ‘Kwaliteit, juffrouw’, zei hij. Maar ik had helemaal niet om kwaliteit gevraagd, daar had ik het geld niet voor!” Ze is nóg verontwaardigd. Nostalgisch terugblikken naar “die kleine middenstanders van vroeger” is haar sowieso vreemd: “Als zo’n winkelier je niet mocht, kon ik er erg tegenop zien de winkel binnen te gaan. Ik vind die supermarkten veel makkelijker.”


Hoe kom ik aan een jongen?


In de Ferdinand Bolstraat passeren we onder meer de Turkse bakker, de sushibar en een Ierse pub – een metamorfose, constateert Lewin. “Vroeger zag je hier alleen blanke mensen en bij exotisch eten dacht je hooguit aan de Chinees. Nu is het heel levendig, maar toen was de hele Pijp een saaie burgertruttenbuurt, een doffe ellende.” Café Berkhout, op de hoek met de Stadhouderskade, komt Lewin nog wel bekend voor. Niet dat ze er ooit kwam: er zaten alleen maar oude kereltjes en bovendien had ze er – zeker de eerste jaren – helemaal het geld niet voor.


We slaan linksaf de Stadhouderskade op. Veel oog voor haar omgeving had Lisette Lewin destijds niet. “Waar nu het peper-en-zoutstel staat, stonden toen nog die mooie villa’s. Maar ik herinner ze me niet. Ik had slechts één overheersende interesse: hoe kom ik aan een jongen.” Die jongen vond ze tenslotte in de Groene Kalebas, een artistiek verantwoord eethuisje in de Tweede Weteringdwarsstraat 71-73 sous, waar het voor één gulden goed warm eten was. Het souterrain is nu kaal, de omgekeerde chiantiflessen aan het plafond zijn verdwenen, maar alternatief is het pand nog steeds. “Soldaten sind Mörder” lezen we op de deur.


Bij het Leidsebosje groeten we even het gehavende standbeeld van de (toneel)schrijver Herman Heijermans, een oudoom van moederskant. Met die welgestelde tak van de familie – zelf groeide ze op in “nette armoede” – dineerde Lewin als kind wel eens in het American. “Sinds American in buitenlandse handen is, is het ontzettend verpest. De sfeer is weg. Kijk,” knikt Lewin verbolgen naar de strakke terrasstoeltjes, “daar horen rieten fauteuils te staan!”


Op de hoek van de Marnixstraat en het Leidseplein kijken we omhoog naar de eerste verdieping van de Stadsschouwburg. Daar op het hoekje tikte Lewin in twaalfvoud Die Fledermaus uit voor de Opera Stichting. Euforisch was ze met die baan tussen “allerlei interessante mensen”. Maar dat was van korte duur: al de tweede werkdag werd ze ontslagen. Ze was vergeten de pagina’s te nummeren.


Linkse samenzweringen


Op het Leidseplein – dat volgens Lewin “echt walgelijk” is geworden – bracht ze vele uren door. Ze kwam wel in café Cloche Merle (nu: Dan Murphy’s) en stond bij het Leidseplein Theater in de rij voor de nieuwste nouvelle vague-films. Een broodje bij Kootje was een zeldzame luxe. “De broodjes waren hier altijd rijkelijk belegd. Een van mijn tantes was nogal zuinig en verdeelde dat beleg over onbelegde broodjes. Waarop een andere tante haar altijd toebeet: ‘Jij weet niet te leven!’” Een paar deuren verder zat De Zuil, een handel in grafzerken. “En dat op het Leidseplein!”


Maar het Leidseplein was vooral Reijnders op nummer 6, een poel des verderfs, zo had ze ooit van haar tantes begrepen. Maar dat viel reuze mee. Aan de grote tafel achter in de nis – hij staat er nog steeds – was men was vooral “existentialistisch”. Lewin had van haar vriendje een grote zwarte kabeltrui geleend, waaronder ze een kort zwart rokje droeg. Ze was “helemaal Juliette Gréco”, de Franse chansonnière. “En we paften vanzelfsprekend Gauloises. Een gevleugelde uitdrukking was: ‘Dat is hélemaal Kafka’, maar vrijwel niemand had Kafka gelezen.” Jaren later, toen ze student was, ging het vooral over politiek, al mocht daar van de eigenaar niet over gesproken worden – want dat gaf maar (linkse) samenzweringen. “Maar we deden het natuurlijk toch. En dat was een heerlijk gevoel: we pleegden wel verzet tegen rechts, maar eigenlijk kon je niets overkomen. Het was zo heerlijk veilig.”



Tekst: Marcella van der Weg


September 2002




Lisette Lewin begon haar journalistieke carrière bij de Volkskrant. Daarna volgde het Algemeen Handelsblad (1973) en – zo’n tien jaar later – een ongelukkig avontuur bij Vrij Nederland. In 1989 debuteerde ze met de autobiografische roman Voor bijna alles bang geweest. Van haar roman Een hart van prikkeldraad zijn inmiddels de filmrechten verkocht.


Delen: