De vaste route van Hennie Koopman, door Durgerdam

Hennie Koopman (82) woont sinds 1972 in Durgerdam. Het dorp en het land eromheen kent hij op z’n duimpje. De verhalen komen als vanzelf. Ook over zijn eigen bestaan als ‘jager en verzamelaar’, zoals hij zich nu noemt.  

Hennie Koopman heeft een vast rondje door het dorp, over de dijk en door de polder. “Normaal ga ik van mijn huis langs de Durgerdammerdijk over het fietspad naar het Tuinpark Kweeklust, langs het talud van de A10. Dat is net een duinlandschap, een struweel met bramen – ik oogst er in het najaar wel van – en dat geluid van de auto’s is eigenlijk net de branding. Vandaar loop ik dan terug, door de polder, over het Kerkepad. Een prachtig rondje, vier kilometer, net een uur onderweg.” Alleen is het nu nog net broedseizoen en de toegang tot de paden door de weilanden verboden.  

Die paden in het land spelen al lang een rol in Hennie’s leven. In 1983 opperde hij eens, in een beleidsnota, in de polders wandelpaden voor het publiek te openen. “In de agrarische wereld ligt dat moeilijk. De boeren hebben liever geen mensen in het land. Het duurde nog dertig jaar, maar dat is wel gelukt. Soms gaan dingen gewoon langzaam.”  

Hennie is betrokken bij het natuurbeheer. Hij doet ‘nestbehandeling’ in het vogelreservaat van Staatsbosbeheer rond het Kinselmeer, tot aan het Blijkmeer, zo’n 80 hectare. “Nestbehandeling betekent het rapen en prikken van ganzeneieren, zodat er niet te veel van komen. Vanaf eind mei barst het van de weidevogels, die duiken boven op je – dan moet je er niet meer komen, dan verstoor je ze te veel.”  

Hij vist op aal, maar jaagt zelf niet. Jagers brengen hem geregeld ganzen – waarvan hij het vlees achter zijn huis op vurenhout, zwarte els en turf rookt. Zijn ganzenburgers en -worst zijn populair bij zijn buren. Hij rookt ook paling, maar waar die vandaan komt, blijft wat minder helder. Een enkele keer vraagt hij of ik de opname even wil onderbreken. Dan vertelt hij dingen over fuiken en hoeken (haken) “die sommige mensen misschien verkeerd zouden kunnen begrijpen”.

Hooien 

De liefde voor het buitenleven zat er al vroeg in. “Ik ben geboren in de Staatsliedenbuurt, tegenover de Westergasfabriek, maar eigenlijk groeide ik al heel vroeg buiten op. Mijn moeder was de oudste van tien kinderen, haar broers waren fervente vissers, en die namen mij al heel jong mee, op snoeken. Dat heeft een basis gelegd.  

“En ’s zomers gingen we op vakantie naar Doornspijk. Dan hielpen we ook met de roggeoogst. Dat ging nog met de zeis, de sikkel en de vingermaaibalk, waarachter de vrouwen en de jongens de bossen rogge tot schoven bonden. Het was allemaal heel coöperatief, je ging met z’n allen van de ene boer naar de andere. Ik was twaalf jaar, een pittige knaap; als mijn ouders teruggingen, bleef ik nog een paar weken bij zo’n boer werken.  

“Ik verhuisde in 1948 naar Nieuwendam. Als ze aan het hooien waren in de polder, ging ik meehelpen. ‘Je krijgt er niks voor, hoor’, zeiden ze, maar dan antwoordde ik: ‘Daarvoor doe ik het niet.’ Ik vind het mooi, zoals dat ging, in zo’n gemeenschap. Dat heeft mijn hele leven verder bepaald.” 

Hennie kent het dorp van haver tot gort en is een volleerde gids. Hij vertelt dat in de dijk voor het Damrak vroeger een sluis lag, gebouwd in 1422, toen graaf Jan van Beieren het dorp dijkrecht verleende, en dat in de sloot daarachter de Okkerman schuilt, een legendarisch monster dat kinderen naar het water lokt. “In Amsterdam heet-ie de Bullebak, in Marken de Nokker, in weer andere streken de Krolleman, maar hier de Okkerman. Mensen uit mijn generatie hadden er een heilig ontzag voor.”*  

In de protestantse kerk kerkt Hennie twee keer in de maand (“Ik ben zéér vrijzinnig”) en zingt er in de cantorij. De gemeente verhuurt het gebouw voor concerten en bijeenkomsten van andere religieuze organisaties. “Zo heb ik een keer vanaf het balkon een bijeenkomst van Santo Daim Religion Amsterdam met ayahuasca-rituelen meegemaakt. Ze moesten vreselijk kotsen!” We passeren het weeshuis, het diaconiegebouw van 1925, nu verbouwd tot woningen, het oude Drenkelingenhuis, en het pand waar de spuit van de vrijwillige brandweer stond. Hij was daar lid van.

Goedjaarseinden 

Op de dijk wijst hij op de details van de Durgerdammer huizen, hoe ze ‘op de vlucht’ gebouwd zijn, dat ze op de verdieping grote deuren hebben om visnetten binnen te halen. “In Buiksloot en Nieuwendam heb je mooiere huizen, met van die sierlijke klokgevels. Hier woonden geen kapiteins, maar vissers, en gewone opvarenden van zeeschepen uit Amsterdam. Tot 1872, toen de Oranjesluizen kwamen, kwamen er vooral veel schepen voorbij: Durgerdam had zeven herbergen! Langs de dijk stonden vroeger de netten te drogen, hele piramides van fuikenstokken. Als je het dorp van de achterkant bekijkt, zie je hoe mooi dat is, dat patroon van de daken, de goedjaarseinden (aanbouwen), alles zonder tussenkomst van enige welstandscommissie.”  

Durgerdam is door de instroom van buitenstaanders sterk veranderd. “Toen ik hier kwam wonen in 1972 waren er zeker vijftig huizen waar mensen woonden die Porsius heetten. Allemaal met bijnamen – Jan van Ka, Jan van El(dert), Jan van Jeltje, Jan van Vrouw. Ook mijn buurvrouw is een Porsius, de dochter “van Bartel van Gerritje”. Vroeger kwamen nieuwe mensen in het dorp nog naar de kerk en gingen de kinderen hier op school. Op die manier werden de oude Durgerdammers geïnformeerd wie dat waren. De kerk is er nog, maar het is slechts een kleine gemeente, met een handvol leden. De meeste nieuwelingen sturen hun kinderen nu naar de basisschool in Rarop [Ransdorp, KK], en ontmoeten ze elkaar daar. Je krijgt zo verschillende sociale kringen. 

“De echte Durgerdammers zijn makkelijk volk. Ik woon hier pas 49 jaar, maar het is me altijd opgevallen dat de mensen op de dijk soepeler van instelling waren dan de mensen in het land. Boeren zijn gebonden aan hun eigen stek, die kwamen hoogstens een keertje in Purmerend, op de markt. Visserlui hadden misschien een bredere blik, die voeren weg, die kwamen in andere havens.”

Dagboek 

We staan op de dijk stil voor Ons Genoegen, Durgerdammerdijk 30-31, een huis met drie deuren uit 1919. “Gebouwd door Cor Harder, een visserman uit Kuinre. Kuinre kwam in de polder te liggen en toen verhuisde hij met zijn broers hier naartoe. Aan de steiger voor de deur ligt nog de schouw waar Harder en zijn zoon Roel mee visten. Die is in Durgerdam gemaakt. Toen de vader was overleden, is dat schip verkocht, maar de familie miste de schouw. Vorig jaar hebben ze hem terug kunnen kopen.” 

We klimmen aan boord. “Ik ging op vrije dagen met ze mee als opstappertje, zo had ik eerder in Schellingwou het vak geleerd. Ik zat voorin, ik zette de koffie. De vissers leegden de vangst in de bun. Met een beugel schepte ik de vangst uit de klaarzak in een houten bak met een keerlatje. De op het oog maatse aal ging terug in de klaarzak en de duidelijk ondermaatse overboord. Lastig werkje, want het zijn ontsnappers. Het is een hele techniek om ze vast te pakken en uit te zoeken. 

“De wetenschappers zeggen dat het heel slecht gaat met de aal, ze praten over een rode lijst, maar als je hier een broodvisser spreekt, dan zegt-ie: ‘Ik vis hier al veertig jaar en ik heb nog nooit zo veel gevangen.’ Ik heb jaren meegemaakt dat je heel weinig ving, maar ook dat je honderd hoeken uitzette en er vijftig had, een op twee.”  

Hennie begon na zijn pensionering met schrijven – over de stroperij, de jacht, en de legendes van Durgerdam – naar aanleiding van de boeken van Hendrik Groen. “Grappige voorvallen, maar ik vond het maar slap gedoe, ‘er het beste van maken’. Mijn leven zit anders in elkaar. Ik ben een dagboek gaan schrijven: wat beleef ik nou op ene dag? Ik weet niet of ik model sta voor iemand van 82, maar ik doe nog heel veel.”

Flats 

In het land en op de dijk zie je hoe ‘Amsterdam’ – Zeeburg en IJburg – op Waterland afkomt. Koopman ziet het met lede ogen aan. “Je moet je volledig inspannen om dit gebied zo mooi en puur mogelijk te houden. Zo’n grote stedelijke agglomeratie zal altijd behoefte hebben aan recreatiegebied. Als ik het Kerkepad afloop, kijk ik naar links zo op die flats van Zeeburg. Akelig dichtbij staan ze. Iedereen zegt: die komen wel een keer over de Ring heen. Het gaat geleidelijk. Er wordt nu heel flink gesproken over woningbouw in Waterland, 35.000 woningen. Maar dat zijn oprispingen. Daar komt de eerste vijftig jaar niks van terecht, dat ligt zo moeilijk, dat zal mijn tijd wel uitdienen. Het is net als met kaal worden, dat gaat ook niet van de ene op de andere dag, je zou je een ongeluk schrikken.” 

* LEES OOK: ‘BANG VOOR DE BULLEBAK’, PETER-PAUL DE BAAR, ONS AMSTERDAM, JUNI 2014.

 

Beeld: Hennie Koopman op de voorplecht van de schouw, achter hem de dijk en Durgerdam. Fotograaf HANS VAN DEN BOGAARD

 

WIE HENNIE KOOPMAN (Amsterdam, 82). Noemt zichzelf vooral jager en verzamelaar. Was beleidsambtenaar bij de Centrale Dorpenraad Waterland en werkte bij het Gemeentevervoerbedrijf. Woont sinds 1972 in Durgerdam. Schreef Uitgewerkt, je zou er moe van worden (2019), Durgerdam op de scheling tussen IJmeer en Waterland (2021) en verhalen in en rond het dorp in Een tijd om te oogsten. Vissersverhalen uit Waterland en Holkoppen en Wintergasten (2018).  

Verkrijgbaar in de Stadsboekwinkel (Stadsarchief) en bij www.gigaboekshop.com

 

Koen Kleijn

Septembernummer 2021

Delen:

Buurten:
Noord
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
September
Jaargang:
Rubriek:
Vaste route