De vaste route van Gerbrand Bakker

Al dertig jaar woont Gerbrand Bakker in Amsterdam, maar eigenlijk is de schrijver een man van het buitenleven: een boerenzoon, een schaatser, een hovenier. Hij heeft een tweede huis in de Eifel, Duitsland, met een grote tuin. Zijn leven in Amsterdam werd lange tijd bepaald door zijn hond, Jasper, de hoofdpersoon van het boek Jasper en zijn knecht uit 2016.

De Walvis                                   Nora              Uitzicht

Baron G.A. Tindalplein- Ertskade - P.E. Tegelbergplein - Pythonbrug - Stokerkade – 

 

                       Plantsoen

Borneokade - Feike de Boerlaan - Van Eesterenlaan - Panamakade - Baron G.A. Tindalplein

 

 

Sinds 2000 woont schrijver Gerbrand Bakker in een appartement in de Walvis alias de Verstandskies, het frappant hoekige gebouw op Sporenburg aan het Baron Tindalplein. Hij heeft ‘een rondje door de buurt’ zoals hij dat met Jasper liep. “Ik ben hier in 2000 komen wonen. Ik ben binnen tien minuten op Centraal Station, maar dit is een deel van Amsterdam dat volstrekt losstaat van Amsterdam. Het is niet duur, het is hier rustig en omdat wij hier geen winkels hebben, is het ook nog stil. Pal boven mij woonde Eberhard van der Laan, voor hij burgemeester werd. Die vond het hier ook fijn. Hij wilde eigenlijk helemaal niet weg, zei hij een keer, omdat z’n kinderen hier zo fijn op school zaten.”

We lopen op de Ertskade. Op een paar honderd meter van zijn huis is net een nieuw flatgebouw gereedgekomen, de Steltloper, een toren met 126 appartementen. “Dat staat er dan zomaar opeens, pal in mijn uitzicht.” Maar erg is het niet: hij vindt de voortdurende verandering in de omgeving goed. “Ik weet nog dat het hier, toen ik er kwam, helemaal kaal was: geen bomen, geen tuintjes, geen bloembakken. Alleen steen en lucht en water, prachtig. Ik denk ook dat ik vroeger Amsterdam veel leuker zou hebben gevonden dan nu. Toen er nog veel meer water was, en het eigenlijk nog een soort Venetië was.” 

Voel je je eigenlijk Amsterdammer?“Nee.” Nee? “Nee. In mijn ogen is een Amsterdammer nog altijd zo’n vervelend stuk vreten dat op de markt staat en als je daar een beetje chagrijnig iets gaat kopen, van die ‘leuke’ Amsterdamse gebbetjes met je maakt. Dat vind ik niet plezierig. Natuurlijk, ik woon hier, en er is een Amsterdam waar ik naar de film ga, waar ik mijn vrienden heb. En dan, wat is het echte Amsterdam? Als ik door de stad fiets, neem ik van die kleine tussendoorweggetjes, zodat je leuk fietst. De Nieuwe Herengracht, bij de Hermitage, dat stuk vind ik zo prachtig! Door het tunneltje naar de Plantage, langs Artis, naar de Kadijken – dat vind ik een ontzettend mooi stuk Amsterdam. Maar het Damrak vind ik echt walgelijk, zoiets vreselijks, een goot vol toeristen. De Nieuwendijk of de Kalverstraat, daar ga ik echt niet heen, ik word daar helemaal gek.”

 

Hondenbaasjes

“Ik kwam naar Amsterdam om te studeren, en dan blijf je gewoon hangen. Eerst een tijdje in de Rustenburgerstraat, toen lange tijd in de Atjehstraat. Geen fijne buurt – ik had een hele vervelende buurman, die me een keer echt aangevlogen is – maar pas toen ik weg was, realiseerde ik me dat. Er kwam een enorme woede in me omhoog: wat een vreselijke buurt is dit eigenlijk! Ik moest er nog voortdurend langs, op weg naar de Jaap Edenbaan, door die vreselijke Molukkenstraat. O, wat een treurigheid!” Hoe lang heb je daar geschaatst? Ik denk wel veertien, vijftien jaar, tot mijn lies stuk ging en ik geen wedstrijden meer kon rijden. Weet je wie ik daar schaatsles gegeven heb? Kajsa Ollongren. Die kon heel goed schaatsen.”

Hoe kwam Jasper in je leven? “Jasper kwam vooral vanwege het huis in de Eifel. Ik ben daar in mijn eentje en het is er lekker buiten, dus toen kon ik eindelijk een hond nemen. Dat wilde ik al heel lang. Toen bleek dat die hond totaal niet gezeglijk was. In de Eifel liep hij altijd weg, dus hier moest-ie altijd aan de lijn, en dat betekende weer dat-ie heel agressief was naar andere honden. Iedere keer als ik hier zo mijn vaste rondje liep, werd dat een zenuwengedoe. Ik was altijd als de dood dat ik andere honden tegen zou komen.

“Andere hondenbaasjes waren heel aardig, die zeiden nog: ‘O, wat een leuke hond’, maar dan zei ik: ‘Nee! Nee! Weg!’ Dan ging-ie toch tekeer! Vreselijke dingen. Hij maakte gehakt van ze. Het avondrondje was eigenlijk het rustigst. Ik probeerde zo laat mogelijk te gaan, want dan heb je verder geen andere honden meer op straat.” Op de Ertskade begroeten we een hond, met haar bazinnetje. De hond heet Nora, weet Bakker, en hij kent de vrouw aan de lijn ook. “We wandelen zonder Jasper”, zeggen wij. “Ah, daarom zie ik je nooit meer”, zegt zij vriendelijk. 

 

Gingko’s

Met een hond leer je je buren kennen. “Je leert ontzettend veel mensen kennen die je voorheen niet kende. Hier woont die hond, hier die andere, en daar woont Peer, het baasje van Nora, een kunstenaar, en dan raak je een gesprek over dit en dat. Ik denk ook wel eens dat dat komt omdat ik dat dorpse nog gewend ben.”

We bereiken het P.E. Tegelbergplein, op de kop van Sporenburg. Een wijd en winderig uitzicht over het water naar het Amsterdam-Rijnkanaal en het Zeeburgereiland. Een kunstgras trapveldje, bomen, een kunstwerk van Mark Manders, een steiger. In de verte: Waterland. “De Sluisbuurt aan de overkant gaat ook volgebouwd worden, ja, maar dat is toch net ver genoeg om ruimte te houden, denk ik. Er wordt hier heel veel gezwommen, wist je dat? Jasper poepte hier graag in de rietkraag, handig, want dan hoefde ik dat niet op te rapen.”

Je boek Boven is het stil speelt daar in de verte, in Waterland, maar het is hier in de stad geschreven. Hoe ging dat? “Ik zat aan mijn werktafel met mijn rug naar het raam, maar achter m’n rug voelde ik de hele tijd dat Waterland. En ik kon uit het raam kijken. Dan zag ik dat het sneeuwde en dan dacht ik: ja, nu sneeuwt het Waterland dus ook, want dat is zo vlakbij. Volgens mij schrijf je altijd beter over iets waar je niet ín zit. Als je er wel in zit is het te echt. Als je d’r niet bent, kun je je nog vrijheden permitteren.”

Kijk je hier ook naar de natuur? “Tuurlijk! Zeker op het Java-eiland, daar heb je ontzettend mooie tuintjes en hele speciale binnenpleinen. Het staat er bijvoorbeeld vol met gingko’s, Japanse notenbomen, prachtig. Ik merk dat ik veel omhoogkijk. Ik weet niet waarom, in de stad heeft bijna niemand de neiging om omhoog te kijken. Het is wel leuk, want heel veel mensen die hoog wonen wanen zich onbespied. Dan betrap je iemand die zomaar uit het raam hangt, of in z’n blootje voor het raam staat.”

 

Liefde

We klimmen over de hoge Pythonbrug (“Daar springen kinderen zomaar van af!”) naar Borneo. Vanaf de Borneokade staren we naar de helverlichte panden op Cruquiuseiland, de Harbourclub, het kantoor van Amvest. Bakker vindt ze mooi. Het rondje heeft zo zijn herinneringen. Op de Feike de Boerlaan is een fijn plantsoentje, maar met een hek eromheen: verboden voor honden. 

Was je ondanks de problemen op Jasper gesteld? “Ja, ja. Ik denk ook juist omdat het zo’n moeilijk, lastig kreng was. In die hele korte tijd dat hij leefde, zag ik steeds aan die hond dat-ie het heel moeilijk had. Op een gegeven moment merkte ik ook wel aan hem dat hij wel van alles wou, misschien zelfs wel liefde aan mij geven, maar hij kón het gewoon niet. Had-ie niet geleerd. Hij was een gekregen hond, uit Griekenland en ik kreeg hem pas toen-ie al ouder was dan een jaar. Nou dan kun je geluk hebben hoor, maar je kan dus ook ongeluk hebben.” 

 

GERBRAND BAKKER(Wieringerwaard, 1962) is auteur, columnist en hovenier 

STUDEERDE in Amsterdam Nederlandse taal- en letterkunde

Zijn eerste JEUGDROMANPerenbomen bloeien wit, verscheen in 1999 en was vooral in Duitsland een succes. 

Debuteerde als romanschrijver met BOVEN IS HET STIL (2006), dat vele malen werd bekroond, in dertig landen verscheen, voor toneel is bewerkt en in 2013 is verfilmd. Voltooide in juli 2006 de opleiding tot VAKBEKWAAM HOVENIER

Was SCHAATSINSTRUCTEUR en was columnist bij De Groene Amsterdammer en Trouw

In 2016 verscheen Jasper en zijn knechtDEEL 287 in de reeks Privé-domein.

BLOG: gerbrandbakker.wordpress.com

 

Kader

PYTHONBRUG

Kinderen die zomaar vanaf de hoge Pythonbrug het water van het Spoorwegbassin inspringen – om bang van te worden! De brug uit 2001 kronkelt als een gigantische slang tien meter de lucht in, vandaar natuurlijk de naam. Felrood is-ie en ongeveer 90 meter lang. De voetgangersbrug verbindt de Panamakade op Sporenburg – voorheen rangeerterrein van de Nederlandse Spoorwegen – met de Stuurmankade op het Borneo-eiland. De architecten van West 8 maakten het ontwerp.

 

Beeld: Fotografie Hans van den Boogaard

Maartnummer 2019
Delen: