De vaste route van Edgar Vos

“Als ik opkwam, floten de dames”

Voor sommige jonge modeontwerpers behoren hij en zijn generatiegenoten tot het “oud roest”, zo is hem wel eens ter ore gekomen. Couturier Edgar Vos kan er smakelijk om lachen. Tenslotte wordt hij ook ‘de keizer’ van de Nederlandse ontwerpers genoemd. “Ach, zo’n titel… Ik ben gewoon de oudste.” In 2000 stopte Vos na 43 jaar met de couture en verkocht zijn winkel in de P.C. Hooftstraat 132-134. Voor zijn stoffen liep hij jarenlang naar de Kalverstraat. “Ik kwam dat pand nauwelijks uit, dus dat loopje was voor mij een soort gymnastiek. En dan onderweg natuurlijk even kijken naar wat de concurrentie deed.”

11122004_Route

De loop is er uit, in de P.C. Hooftstraat, zo heeft Vos ondervonden. “Vroeger was de P.C. een gezellige buurtstraat, met een bakker, een visboer, twee slagers. Nu is het om elf uur nog een dooie boel. De eigenaars van al die nieuwe zaken staan zelf niet in de winkel; ze zetten er telkens weer andere meiden in. Mijn zaak loopt nog goed, dankzij de vaste klanten.” Edgar Vos heeft de couture weliswaar vaarwel gezegd, maar hij zit nog steeds in de P.C. Hooft, op nummer 136, met confectie. Zijn oude stek is ingenomen door de strak vormgegeven parfumeriezaak Ici Paris XL.

Vos begon hier zijn opmars als etaleur bij kledingzaak Novelette. Daar liep de (bestelde) collectie meestal achter de modieuze feiten aan en Vos, die wel eens écht werk van zijn carrière wilde maken, vond dat het anders moest. Er kwam een atelier en toen de eigenaresse een aantal jaren later overleed, nam hij de zaak over. Hij had de tijdgeest mee én zag er goed uit. “Dat helpt voor het plaatje.” Bovendien was hij al redelijk bekend door zijn modellenwerk. “Ik liep voor C&A en Margriet en als ik opkwam, floten de dames.” De zaken begonnen écht goed te lopen toen hij er confectie bij ging doen. “Als couturier moet je het ergens van hebben. Zo had Frank Govers die Robijnreclames.”

‘Uw smaak verkopen wij niet!’

Dagelijks kreeg Vos zo’n vijf “patiënten”. Op afspraak, want bij een couturier loop je niet zo maar naar binnen. “Soms was ik net een psychiater. Dat passen is iets heel intiems. Door zich uit te kleden ontluisteren vrouwen zichzelf en uit gêne gaan ze kwebbelen. Ze vertelden altijd te veel.” Vos leefde mee en hielp zijn klanten soms ook uit de brand. Zo verzorgde hij voor een ambassadeursvrouw die Moskou ging bezoeken niet alleen de kleding, maar ook een rooster van wat ze bij welke gelegenheid aanmoest, inclusief accessoires. “Toen belde ze vanuit Moskou op: er was onverwacht een partij ingelast en ze kwam er niet uit. Ik had die kledinglijst nog, dus ik heb het hier uitgekiend, tot de juwelen aan toe. Want niemand mocht natuurlijk zien dat ze die spullen al eerder had aangehad.”

Aan de overkant zat in Vos’ jonge jaren Madame de Nie, een van de eerste couturiers in Nederland. Nu huist Leeser op 117 – en daarmee was het aanvankelijk kinnesinne. “Als daar klanten binnenkwamen met tassen van mij, zeiden ze gelijk: ‘Uw smaak verkopen wij niet!’ Met mannequins was dat ook lastig; als ze voor jou liepen dan wilde een ander ze niet. Tegenwoordig ligt dat allemaal niet meer zo persoonlijk.” We lopen richting Stadhouderskade en passeren op 102 de couturezaak van Paul Schulten, de oud-werknemer aan wie Vos zijn boedel én klanten heeft doorgegeven. “Zo heb ik ze goed achtergelaten. Ik ben wel eens gebeld door een hoogbejaarde klant die zich niet wilde uitkleden voor zo’n ‘jonge jongen’, dus dan spring ik bij.”

Bij het Spiegelkwartier – als blanc de Chine-liefhebber en ‘bloemetjesboeddhist’ mag Vos er graag neuzen – schiet hem een ‘jeugdzonde’ te binnen. De dochter van een klant uit Amsterdam ging trouwen en er moest een “moeder-van-de-bruidgebeuren” komen. Vos maakte een Kennedy-hoedje en handschoenen van zwart satijn en een blauwe jurk met zwarte kraaltjes. “Een bijzondere kleurencombinatie. Dus toen er een mevrouw uit Groningen kwam voor een soortgelijke bestelling, dacht ik: dát is zo ver weg, ik maak hetzelfde ensemble voor dat mens. Maar zij bleek de moeder van de bruidegom; stonden die vrouwen daar in hetzelfde! Dan kun je kletsen wat je wilt, dat komt nooit meer goed.”

‘Dát bedoel ik nou!’

Via de Herengracht en de Heiligeweg nadert de Kalverstraat. De mode in het straatbeeld is er niet mooier op geworden, vindt Vos. “Dat komt doordat moeders eruit willen zien als hun dochters. Daar zetten die jonge meiden zich weer tegen af, waardoor ze er vaak lelijk uitzien. Ze letten niet meer op of iets ze staat, maar of het van nú is. Daarom bestaan zaken als Gerzon niet meer en heeft de Bonneterie zo’n ommezwaai gemaakt. Die waren vroeger te chic om te schijten.”

Ook AGB - eens “de beste stoffenwinkel van de stad” - is ter ziele. Kalverstraat 132 biedt nu onderdak aan The Phone House. Vos kocht er tot ongeveer 1980 luxe stoffen en gaf op 44 bij Alie Courant (nu Lady Sting) aanzienlijke bedragen uit aan kant en organza. Des te meer stak het toen mevrouw Courant eens een pak bij hem bestelde en na het ‘doorpassen’ toch maar van de koop af zag. “Het was zogenaamd niet naar haar zin. Maar kort daarop opende Courant ook een zaak in de P.C., dus zij was gewoon komen kijken hoe het in zo’n couturezaak toegaat. Ik ben naar de opening geweest en zei: ‘Ik heb helemaal niets meegebracht, want ik heb nog geld van u tegoed.’”

Terug in de P.C. Hooftstraat stappen een moeder en dochter in een geparkeerde auto. De oudere, zongebruinde vrouw steekt in strak wit, de jongere in glimmend zwart, met opzichtige toeters en bellen. “Kijk,” knikt Vos met een schuin oog naar het stel. “Dát bedoel ik nou!”

Tekst: Marcella van der Weg
Foto: Doriann Kransberg/Stadsarchief
November-December 2004

Edgar Vos (Makassar, 1931) is met ‘pensioen’, maar heeft nog steeds 16 confectiezaken. Midden jaren vijftig studeerde hij cum laude af aan de modeafdeling van de Rietveldacademie. Na wat rondsnuffelen – onder meer in Parijs waar hij korte tijd voor de modehuizen Dior en Balmain werkte en in Den Haag waar hij hoeden maakte - trad hij in dienst bij Novelette. Hij nam de zaak over en vestigde zijn naam als couturier. In 1994 ontving hij van de Nederlandse Vereniging van Modejournalisten de Max Heymansring.
Delen:

Dossiers:
Amsterdammers Kunst en Cultuur Mode
Editie:
December November
Jaargang:
2004 56
Rubriek:
Vaste route
Tijdperk:
1950-2000