De vaste route van Diederik Ebbinge

Keizersgracht 418 - Runstraat - Prinsengracht - Lindenstraat – Noordermarkt - Berenstraat - Herengracht – Keizersgracht 297.

 

Zijn liefde voor Amsterdam begint bij de voormalige Academie voor Kleinkunst. Wij spreken met Diederik Ebbinge af op de brug tussen de Runstraat en de Huidenstraat, of zoals hij zei: tussen De Doffer en De Pels. De stad is coronarustig. We houden netjes anderhalve meter afstand.

“Ik ben pas op mijn 21ste naar de Kleinkunst gegaan. Ik was een hopeloze puber, ben van allerlei scholen afgestuurd. Ik had altijd al wel het rare idee dat ik cabaretier wilde worden. Dat vertelde ik aan mijn vriendin toen ik echt heel ongelukkig werd door mijn werk als pakketbegeleider bij een computercentrum in Almere. Zij kwam toen met de Kleinkunstacademie. Ik wist niet eens dat die bestond.

“Je kwam er niet zomaar op. Het was eerst een jaar lang auditeren. We begonnen met 600 man, daar mochten er maar zes van naar binnen. In mijn klasje zaten onder anderen Remko Vrijdag en Rutger de Bekker, met wie ik de Vliegende Panters ben gaan doen.

“Ik woonde toen al drie jaar in Amsterdam. Mijn eerste adres was in de Czaar Peterstraat, tegen het spoor aan. Als er een trein voorbijkwam trilde het hele huis. Achter het spoor was niks: rangeerterreinen met oude verroeste treinstellen, waar van die langharige figuren woonden, met honden, die ’s avonds door de straat de stad in liepen, nomaden, bijna. De eerste avond ben ik van mijn fiets geslagen voor coffeeshop Nogal Wiedes, die zit er nog steeds. Ik ging voor het eerst uit, en pats! Door van die klotejongens die daar stonden. Ik had heel veel zin om mijn moeder te bellen: ‘Ik wil naar hui-uis!’ Het was de enige keer dat ik met zoiets te maken heb gehad.”

 

Jongensboek

De Kleinkunstacademie was een warm nest?“Het was er fantastisch. Echt dat oude pathetisch-romantische beeld van hele nachten met een groepje bij elkaar zitten, dingen maken, nummers schrijven. We hadden de sleutel, we konden onze gang gaan. Een heerlijke tijd. Daar zijn de Panters geboren. Het vierde jaar was een stagejaar, wij drieën hadden nog niks en zaten een beetje sip in het café, De Doffer of De Pels. ‘Zullen wij dan misschien zélf iets...?’ Toen deden we als stage mee aan het Amsterdams Kleinkunstfestival. We wonnen en toen werd het... een jongensboek. Twee jaar later stonden we in Carré.”

Was het nou in De Doffer of in De Pels? “Het zal De Pels zijn geweest. In het eerste jaar deden we met de hele school de West Side Story, onder regie van Kees Prins en die zat altijd in De Pels. Dus door Kees werd De Pels een beetje onze stamkroeg. We keken ook altijd naar Ajax, daar.

“Ik was toen al weg uit de Czaar Peterstraat. Eerst naar de Nepveustraat, bij het Surinameplein, daarna de Willem de Zwijgerlaan, de Geuzenstraat, de Reijer Anslostraat en de Watergraafsmeer: de Linnaeusparkweg, de Transvaalkade en nu de Keplerstraat. Na 32 jaar is Amsterdam natuurlijk volledig mijn heimat. Ik ga er ook nooit meer weg. Je denkt weleens: ik wil buiten wonen, maar ik heb een vrouw die überhaupt niet buiten de A10 wil komen, dus dat kan ik gewoon vergeten. De Watergraafsmeer is heerlijk. Het is wat vroeger de grachtengordel was. Voor mij zijn de grachten ook niet zo aantrekkelijk – leuk om er te zijn, maar om er nou te wonen...? Met kinderen is het ook niet zo handig.”

 

Belcanto

Aan café De Doffer in de Runstraat is niets veranderd.“De Pels wel, die is enigszins gemoderniseerd.” Op de brug over de Prinsengracht kijken we naar de Westerkerk. Ebbinge: “Staat-ie nou scheef, de Westertoren? Ik zie voor het eerst dat-ie scheef staat.” We maken een lange omweg door de Jordaan. Hij is geïnteresseerd in de komst van het belcanto en de voorliefde van de Jordanezen voor operamuziek.

“Mijn schoonouders zijn ook Amsterdammers, uit Bos en Lommer, het oude deel. Ze verhuisden naar de Kolenkitbuurt. Die was toen sjiek; in de oude buurt werden ze een beetje als verraders gezien. Later vertrokken ze naar Castricum. Mijn schoonmoeder ging in Bakkum op vakantie, waar ze verliefd werd op de zee en zwoer daar later te gaan wonen. Vandaar, dus. Maar ja: ze zaten allebei op zangkoren hier in de stad en reden dus altijd uit Castricum terug naar Amsterdam, voor het koor. Eigenlijk zijn zij mijn inspiratie voor mijn interesse in de Jordaan: waarom die buurt zo veranderde, waarom mensen verhuisden naar Hoorn of naar Purmerend, naar zo’n flat, acht-hoog, met uitzicht op de weilanden, en waarom ze dan tóch terug wilden naar die armoe in de Jordaan. Was het de muziek? Waarom hielden ze daar zo van?”

We staan in de Lindenstraat stil voor de deur van Piet Bos, ‘Opera Pietje’, een specialist op het gebied van opera en belcanto in Amsterdam. Ebbinge is al eens bij hem op bezoek geweest. “Hij vertelde dat ze vroeger gewoon de speakers van de pick-up in de raamopening zetten. In de hele straat was dan opera te horen. Ze maakten er onderling afspraken over – ‘Ik ga van tien tot elf, dan pak jij het na de lunch over.’ Zijn hele huis staat vol platen. Hij heeft ons urenlang over opera en operazangers verteld, tot we een beetje de slappe lach kregen. Maar ik vraag me sindsdien altijd iets af: Pietje zei dat gewone Jordanezen als hij vroeger voor een kwartje naar de opera konden, op de goedkoopste rang van de Stadsschouwburg of Carré. En nu is die tientallen euro’s in de Stopera. Daar is toch iets misgegaan, denk ik dan. Pietje zei dat het voelde alsof hem iets is afgenomen.”

 

Opa Herman

Terug op de Keizersgracht vertelt Ebbinge dat hij wel degelijk zelf ook Amsterdamse wortels heeft. “Mijn opa en oma van moederskant zijn echte Amsterdammers. Mijn grootmoeder, Everdina Götzen-Rootlieb, was al dood toen ik geboren werd, maar mijn grootvader Herman heb ik nog kort gekend. Amsterdam was zijn leven. Hij was een echte Amsterdammer, had een eigen bank, hier op de gracht. Vlak voor de oorlog zijn ze naar het Gooi verhuisd, zoals zoveel Amsterdammers met geld. Mijn moeder is net op de valreep in Hilversum geboren. De bank zat eerst op Herengracht 237, later op Keizersgracht 297.”

We gaan kijken. Keizersgracht 297 bestaat niet meer: het hele blok is nieuw en 287 genummerd. Het pand blijkt in de jaren vijftig gesloopt. In de Berenstraat passeren we nóg een legendarisch café. “Nak en Anneke! Een obscuur café, de Kwakbol. Een heerlijk tentje. Het was tot zeven uur ’s morgens open. Als De Doffer sloot, gingen we naar Nak en Anneke, saté eten.” Herengracht 237 is nog wel intact, een mooie neoklassieke gevel uit 1881, al is er niets meer dat aan zijn opa herinnert.

Erg veel weet hij niet over opa Herman. “Hij was quite a guy, dat weet ik wel. Het kantoor heeft hij vóór de oorlog door een andere Götzen laten verbouwen, misschien zijn broer? En hij heeft in het verzet gezeten.” (Die verbouwing deed opa’s broer Joop, red.) Vertelt hij zijn zoons over hun opa? “Zeker, maar ik ben nog nooit met ze hier langsgelopen. Ik mag volgend seizoen meedoen met het programma Verborgen Verleden. Ik hoop dat zij dan het een en ander voor me uitspitten. Ik ben natuurlijk wel geïntrigeerd door die Duitse namen. Waar zouden die vandaan komen?”

 

WIE DIEDERIK EBBINGE (Enschede, 1969)

IS acteur, regisseur en cabaretier

RICHTTE met Remko Vrijdag en Rutger de Bekker De Vliegende Panters op

SPEELDE in onder meer Alles is Liefde, Soof en De Luizenmoeder

REGISSEERDE Matterhorn

WOONT met vrouw en twee zoons in de Watergraafsmeer

PRESENTEERDE deze winter de satirische talkshow Promenade 

UITSPRAAK ‘Ik ben een burgerlijke huisvader geworden, die het liefst thuiszit en is gestopt met blowen en roken.’

 

 

 

HERMAN GÖTZEN

Diederik Ebbinge’s grootvader Herman Götzen (1898-1972) begon in 1922 met Johannes Hörchner een firma in effecten en verzekeringen. In 1937 betrokken ze Herengracht 237 (tekening). Götzen was een man met een brede culturele en maatschappelijke belangstelling. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werkte hij samen met Walraven van Hall aan de totstandkoming van het illegale Nationaal Steun Fonds. Götzen bracht een deel van de oorlog door als gijzelaar in Sint-Michielsgestel, waar hij een kamer deelde met Wim Schermerhorn, de latere minister-president. De firma werd in 1962 overgenomen door Oyens, sinds 1969 Oyens & Van Eeghen.

 

Koen Kleijn

Meinummer 2020

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Mei
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Vaste route
Tijdperk:
1950-2000 Vanaf 2000