De vaste route van Aat Veldhoen

“Ik ben in schoonheid opgegroeid”

Het schemert op de Bloemgracht. En het is onwezenlijk stil – totdat de Westertoren vijf zware slagen slaat. We staan aan de “goede” kant van het water. “Want,” verduidelijkt Aat Veldhoen (68), “vanaf de overkant zie je de toren niet.” Zelf keek de beeldend kunstenaar jarenlang uit op de kroon van de Wester. Eerst vanaf de beletage op nummer 40, zijn ouderlijk huis, later vanaf nummer 68 waar hij met zijn eerste vrouw woonde. Daarvandaan liep hij elke ochtend naar zijn atelier op Lauriergracht 6. Met een pakje brood.

We staan op de hardstenen trap die naar de beletage voert van Bloemgracht 40. Veldhoens ouders betrokken de etage toen Aat een jaar of zeven was en waren zo’n beetje “de eerste yuppen” in de toen nog volkse Jordaan. Zijn moeder was schooljuffrouw, zijn vader een reclameschilder met kunstzinnige ambities, die op latere leeftijd alsnog naar de Rijksacademie ging. “Dat was tijdens de oorlog. Mijn moeder betaalde het allemaal, zij was kostwinner. En ze zorgde voor ons. Ze kookte, deed de was op de hand; het was hard werken.” Van zijn vader leerde Aatje kijken. Hij was negen jaar oud toen hij hier op nummer 40 vanuit het raam van zijn kamer de Westertoren en de Bloemgracht begon te tekenen.


We lopen de uitgesleten traptreden af. “Wat een kreng,” foetert Veldhoen, wijzend naar een woonboot met gelige dakramen. “Net puisten.” In zijn jeugd was de Bloemgracht nog woonbootvrij en je kon er met een goede winter heerlijk schaatsen. “We trokken thuis voor de kachel onze schaatsen aan en kluunden over de stoep naar het ijs.”


Wij haalden ons eten uit de gaarkeuken op de Palmgracht


Op Bloemgracht 42 passeren we een donker souterrain, waar destijds een schoenmaker bij het schaarse licht van een klein lampje de hele dag op schoenzolen klopte. “De buurt had toen iets Anton Pieck-achtigs, maar wel armoedig; het was tenslotte oorlog.”


Dat beeld werd nog eens versterkt door de broodmagere witte schimmel die herhaaldelijk over de Bloemgracht sjokte. Ook nog tijdens de hongerwinter. Het dier behoorde toe aan een joodse koopman, die hem voor zijn nering gebruikte. “Gelukkig overleefde die man de oorlog, want hij was getrouwd met een niet-joodse vrouw. In tegenstelling tot Anne Frank die hier honderd meter vandaan woonde. Maar dat realiseerde ik me later pas.”


“Tijdens de hongerwinter was het hier een soort Bangladesh, maar dan een stuk kouder. Wij haalden ons eten uit de gaarkeuken op de Palmgracht en mijn vader ruilde wel eens een schilderij tegen een bloedworst of een stuk kaas. Zelfs een keer tegen witte bonen. Ik heb nog een schilderij van hem waarvan het linnen héél kort is omgeslagen. Er was aan het einde van de oorlog nauwelijks aan materiaal te komen.”


Rond zijn twintigste verhuisde Veldhoen met vrouw naar Bloemgracht 68, waar zijn eerste drie kinderen werden geboren. Door zijn vader “bewust gehersenspoeld” was ook hij kunstenaar geworden en hij oogstte met zijn etsen al vrij snel succes. Aan het ontdekken van nieuwe artistieke horizonnen – bijvoorbeeld het hippe Parijs – had hij geen behoefte. “Daarvoor was ik te jong vader geworden. Ik ben nog wel eens naar Liberia en Nigeria getuft, maar als ik met mijn zakje brood naar mijn atelier wandelde, was ik ook tevreden.”


We slaan linksaf de Bloemdwarsstraat in. Achter de smalle staldeuren van de voormalige Stalhouderij op nummer 4 stond de sneue schimmel op stal, zo vermoedt Veldhoen. “Het beest was niet uitgerust voor plezierritjes.” Het was dan ook geen plezierige tijd. Op de Rozengracht, waar het nu spitsuur is, peuterden tijdens de laatste oorlogswinter verkleumde mensen de in teer gedrenkte blokjes hout tussen de tramrails vandaan. Die waren brandbaar. Tot ongeruste boosheid van zijn moeder “scoorde” Aatje ook eens een zakje vol.


“Het krioelde echt van de mensen. Maar het was natuurlijk verboden. Op een dag kwam er vanaf de Westermarkt een mof aangelopen die dreigend een handgranaat van zijn koppel haalde, zo’n bus aan een stok. In een mum van tijd was iedereen weg. Zodra die Duitser was vertrokken, kwamen de mensen weer overal vandaan, als mieren. Ze moesten wel.”


De Blauwe Tram naar Haarlem


In gelukkiger tijden reed de Blauwe Tram naar Haarlem over de Rozengracht, “de Boedapester”, zo herinnert Veldhoen zich. Zo genoemd omdat hij van Boedapester makelij was. En bij Van der Linde, op nummer 36-38, kocht hij zijn eerste etspers. De nu goed geoutilleerde winkel in teken- en schilderbenodigdheden, was toen nog een klein zaakje dat door een oude broer en zus werd gedreven.


Veldhoen was een kunstenaar met een boodschap. Op de Prinsengracht, hoek Laurierstraat, staan we stil voor het met prullaria volgestouwde ’t Winkeltje, in de jaren zestig een uitdragerij, waar hij – anti-galerie als hij was – zijn grafisch werk te koop had hangen. Voor drie gulden. “Want dat kan met grafiek. Het is een socialistische kunstvorm waarmee je veel mensen kunt bereiken.” Derhalve bracht anti-rookmagiër Jasper Grootveld ondertussen Veldhoens erotische prenten aan de man via de befaamde ‘prentenbakfiets’ – en daar was ook weer over nagedacht, want een bakfiets produceert geen uitlaatgassen. Maar na wat onmin met de uitbater van de uitdragerij en een boete van f 25 voor zijn ‘aanstootgevende’ werk had Veldhoen er schoon genoeg van.


We lopen de Lauriergracht op waar Veldhoen op nummer 6 zijn eerste atelier had. Nadat zijn huwelijk strandde woonde hij hier nog een tijdje illegaal met zijn nieuwe gezin. Uiteindelijk vertrok hij na bijna dertig jaar uit de buurt, naar een atelierwoning in Noord. We wandelen terug via de Prinsengracht, met een mooi uitgelichte Westertoren in het vizier. Even voorbij de koffiespeciaalzaak van Simon Levelt en restaurant Sjaalman, blijven we staan op nummer 174. De groentenman die hier vroeger zijn zaken deed – meneer Vlek – poseerde samen met zijn vrouw nog eens naakt voor Veldhoen.


We kijken uit over het door straatlantaarns beschenen water en de Westermarkt. Op de tramhalte wacht een bomvolle lijn 17 op groen. Veldhoen weet zeker dat dit het mooiste stukje Amsterdam is. “Ik ben hier in schoonheid opgegroeid. Stel je voor dat je in een buitenwijk van Enschede groot moet worden. Wat een narigheid!”


Tekst: Marcella van der Weg
Januari 2003


Aat Veldhoen (1934) is schilder, graficus en beeldhouwer. Onlangs werd zijn grafiek tentoongesteld in het Rembrandthuis.


Delen:

Gerelateerd

Amsterdam, 5 juli 1895. Artis laat weten:
Amsterdam, 5 juli 1895. Artis laat weten:
5 juli 2020
2 juli 1917. Aardappeloproer in de Marnixstraat
2 juli 1917. Aardappeloproer in de Marnixstraat
Actueel 2 juli 2020
1 JULI KETI KOTI
1 JULI KETI KOTI
Actueel 1 juli 2020