De val van meestervervalser en onroerendmagnaat Han van Meegeren

Han van Meegeren verdiende miljoenen met de verkoop van valse Vermeers. Met het geld bouwde hij in Amsterdam een klein koninkrijk van onroerend goed. De koop van Keizersgracht 321 leidde tot zijn val.

Op 29 mei 1945 werd Han van Meegeren gearresteerd in zijn huis, Keizersgracht 321, door de Nederlandse luitenant Joseph Piller. Na de bevrijding was Piller een onderzoek begonnen naar de gebeurtenissen rond Nederlands beroemdste kunstgalerie, die van Jacques Goudstikker. De Joodse eigenaar was na de Duitse inval op de vlucht naar Engeland overleden, en een van Hermann Goerings beulsknechten, de Beierse bankier Alois Miedl, had zich de galerie toegeëigend.

Piller had ontdekt dat via Miedl het schilderij Christus en de overspelige vrouw, toegeschreven aan Johannes Vermeer, voor f1,65 miljoen aan Goering was verkocht. Hij vermoedde dat de galerie gebruikt werd voor het ‘witwassen’ van gestolen kunst. Het doek was bij Miedl ingebracht door de kunstschilder Han van Meegeren, sterker nog: alle vijf Vermeers die na 1937 in de handel waren gekomen, waren van hem afkomstig. Kortom: deze Van Meegeren was een collaborateur, die Nederlands erfgoed aan de vijand had verkocht, daar was Piller heel zeker van.

Op 11 juni 1945 bracht hij Van Meegeren naar een speciale ondervragingsruimte aan de Apollolaan. Aanvankelijk gaf die niets toe, maar hij draaide bij toen Piller zei dat Miedl bereid was te verklaren dat Van Meegeren zelf het initiatief had genomen tot de verkoop van die Vermeer aan hooggeplaatste Duitsers: “Ik heb het gedaan, ik heb het geschilderd.” Hij had alle vijf ‘oorlogs-Vermeers’ vervaardigd, ook De Emmaüsgangers, dat in 1937 met veel fanfare door Museum Boijmans in Rotterdam was verworven. Vooral dat laatste sloeg in als een bom. De aankoop was wereldnieuws geweest. Het museum had er het astronomische bedrag van f 520.000,- voor betaald.

Mythe

Geldzucht was de drijfveer voor Van Meegerens zwendel geweest. Anders dan hij later tijdens zijn proces beweerde, was zijn carrière als kunstenaar heel voorspoedig verlopen. Hij verkocht goed, was een veelgevraagd portrettist en verdiende al snel veel beter dan de meeste andere jonge kunstenaars. Maar hij had ook een dure smaak, een liefde voor de fles én een gretige belangstelling voor vrouwen. Om zijn losbandige levensstijl te financieren, ging hij al in 1921 in zee met een kleine criminele organisatie, die valse schilderijen op de markt bracht. Met de winst van zijn vervalsingen financierde hij een eigen tijdschriftje, De Kemphaan, waarin hij al in de jaren twintig fascistische en antisemitische ideeën ontvouwde, sommige direct ontleend aan Hitlers’ Mein Kampf.

In de aanloop naar het proces dat in 1947 volgde, beweerde Van Meegeren dat hij het niet om het geld had gedaan, maar om persoonlijke genoegdoening: wraak op de critici van zijn schilderkunsten in de jaren twintig. Een mythe was geboren. De verkoop van de valse Vermeer aan Hermann Göring was geen collaboratie, maar een verzetsdaad: hij had de tweede man van het Derde Rijk een kolossaal bedrag ontfutseld. De pers smulde van het verhaal, maar het was een leugen. Bovendien was hij een bewonderaar van de nazi’s. Hij had een dure uitgave van zijn tekeningen aan Hitler laten bezorgen, met een bewonderende opdracht op de titelpagina.

Na De Emmaüsgangersverkocht Van Meegeren de andere valse Vermeers. Nietsvermoedende stromannen uit zijn vriendenkring brachten de doeken naar gereputeerde galeriehouders in Amsterdam, met een acceptabel verhaal over de herkomst. Hij verdiende er in zes jaar zo’n f 5 miljoen mee. Naar de toenmalige maatstaven een verbijsterend groot bedrag: hij was in feite de best verdienende kunstenaar ter wereld.

 

Koopmanie

Het financiële succes bracht hem in de problemen. De verkoop ging in contanten, in biljetten van f 100,- en f 1000,-. In maart 1943 haalde de bezettingsregering de duizendjes uit de circulatie om de zwarte markt uit te schakelen. Van Meegeren moest grote stapels bankbiljetten ter waarde van meer dan f 2 miljoen omwisselen. Het valutacontrolebureau wilde weten waar al dat geld vandaan kwam en hield de helft in terwijl een onderzoek werd ingesteld.

Hij moest nu betere manieren vinden om zijn geld vast te houden. Hij begon diamanten te kopen, juwelen, antieke meubels en kunst. Maar zijn favoriete bezit was onroerend goed. Zo bouwde hij in Amsterdam een waar koninkrijkje.

Tegen het eind van de bezetting bezat Van Meegeren 57 panden: woonhuizen, appartementengebouwen, winkels, bedrijfspanden, een garage en een hotel.

Op het hoogtepunt van zijn onroerendgoedaankoopmanie begon hij te spelen met het idee om (vanuit Laren) ook zelf te verhuizen naar Amsterdam. In de zomer van 1943 kwam het 17de-eeuwse grachtenhuis Keizersgracht 321 te koop – een monumentaal, pas opgeknapt pand, ideaal voor Van Meegeren. Walraven Boissevain (1876-1944), koopman, lid van de Tweede Kamer, gemeenteraadslid en later wethouder was sinds 1917 eigenaar geweest, maar had het eind 1940 onder dwang verkocht. Koper Petrus Jan Rienstra van Stuyvesande (een bankier) liet architect Abel Antoon Kok het pand inrichten als een ‘oud patriciërshuis’. Geld speelde geen rol. Van overal werden oude onderdelen gehaald – chic maar bij elkaar geraapt.

Van Meegeren hapte toe en betrok het ‘vervalste monument’ Keizersgracht 321 met zijn vrouw Jo. Hij kocht ookKeizersgracht 738, een kwartiertje lopen verderop, als atelier en als seksuele privéspeeltuin. Daar gaf hij grote feesten, die wijd en zijd bekendstonden om hun “zwarte drank en lichte meisjes”. Volgens de herinneringen van een van de prostituées die deze avondjes bijwoonden, waren ze erg vermoeiend, maar de beloning was uitstekend. Op weg naar buiten mochten de meisjes een greep doen in een geldkistje gevuld met juwelen, dat Van Meegeren speciaal voor dit doel bij de hand had. Met al het geld dat hij verdiende waren dit soort kleine uitgaven volkomen onbelangrijk.

Anonimiteit

Rienstra van Stuyvesande had Van Meegeren nog meer te bieden dan een duur grachtenpand. Hij was directeur van de Buitenlandse Bankvereniging, de Amsterdamse bank van Alois Miedl, én hij had enige belangstelling voor de kunsthandel. Van Meegeren zag een kans. Hij vroeg Rienstra op te treden als zijn vertegenwoordiger in de verkoop van een Bijbelse Vermeer, bekend als Christus en de overspelige vrouw. Het schilderij, zei hij, was van een bejaarde weduwe die geld nodig had en anoniem wilde blijven. Rienstra bracht het naar Miedl. Goudstikkers voormalige restaurator, Jan Dik, verklaarde de nieuwe Vermeerauthentiek, en zonder verdere omhaal stuurde Miedl het doek door naar Berlijn, zodat Hermann Göring ernaar zou kunnen kijken. Wel vroeg Rienstra nog waar hij het schilderij vandaan had.

Zo viel zijn naam. Daar had Van Meegeren niet op gerekend: tot dan toe had hij zijn anonimiteit weten te bewaren. Nu was hij met naam en toenaam betrokken bij een frauduleus handeltje met de nummer twee van de nazi’s en dat was zeker niet in zijn belang. Göring vond de Vermeer schitterend, was niet van plan er ooit weer afscheid van te nemen, maar weigerde te betalen voordat Van Meegeren had onthuld waar het schilderij vandaan kwam. De Reichsmarschallwilde zich indekken tegen eventuele claims, als het schilderij later zou blijken gestolen te zijn. Hij legde er maar liefst f 1,65 miljoen voor op tafel – meer dan voor welk ander schilderij ook – en was onvermurwbaar. Van Meegeren zette op schrift dat hij de herkomst nog niet mocht en kon onthullen, maar dat hij dat twee jaar na de aankoop zou doen. Göring ging akkoord.

Veiling

Op 29 oktober 1947 kwam Han van Meegeren in Amsterdam voor de rechter. Het proces werd een ware show. De mythe over de sluwe schilder die Göring een kolossale loer gedraaid had, was inmiddels zo sterk geworden dat hij er met een milde straf vanaf kwam: een jaar cel voor de vervalsing, niets voor de handel met de vijand. Een maand later stierf hij in de Valeriuskliniek aan hartfalen, mogelijk als gevolg van syfilis. Het enorme huizenbezit, de juwelen, de schilderijen en de meubels werden door de staat geconfisqueerd. Keizersgracht 321 kwam in 1950 op de veiling.De mythe van het gekrenkte genie dat de wereld én Göring belazerde, bleef evenwel hardnekkig voortleven.

DIT ARTIKEL IS DEELS ONTLEEND AAN JONATHAN LOPEZ, DE LAATSTE VERMEER, UITGEVERIJ PROMETHEUS. DE GELIJKNAMIGE FILM KOMT DEZE SEPTEMBER UIT.

 

HUIZEN HAN VAN MEEGEREN IN AMSTERDAM

1. Albert Cuypstraat 72-74, 209, 211, 213, 237, 239
2. Amsteldijk 5, 10
3. Bernard Zweerskade 19-21*
4. Cornelis Anthoniszstraat 53, 55
5. Damstraat 30
6. Dijkstraat 18-20
7. Egelantiersstraat 117
8. Elandstraat 17
9. Frederiksplein 53-55 (‘Muiderschans’)
10. Govert Flinckstraat 47, 85-87, 155, 367-369
11. Grevelingenstraat 21* / Krammerstraat 11*, 13*, 15*
12. Heiligeweg 39, 43-45
13. Van Hogendorpstraat 13
14. Jacob van Lennepkade 240, 242, 244, 246, 248
15. Johannes Verhulststraat 150*
16. Keizersgracht 118-120, 321, 738, 745, 747
17. Kloveniersburgwal 137-137a (Hotel ‘Nes’), 139

18. Mercatorplein 36*, 38*, 40*, 42*
19. Mercatorstraat 1-1a, 1-1d*, 2*, 3, 139, 141, 143, 145, 147, 149 
20. Nieuwe Prinsengracht 70* en 76*
21. Schubertstraat 82-84* en 86-88*
22. Spaarndammerstraat 105
23. Weteringschans 209-209a*

(*: Op naam van zijn echtgenote. Zo bracht hij een deel van zijn bezit buiten bereik van justitie.)

 

Septembernmmer 2020

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right

Beeld: Hans van Meegeren door Koos Raucamp, Anefo, Nationaal Archief

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
September
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000