De stad is er nog

Toen we nog op vakantie gingen, huurden wij graag de school van Saint Clément, een dorpje bij Sommières in de Gard. Het appartement van het schoolhoofd lag boven de klaslokalen, waar het rook zoals het alleen in klaslokalen ruikt en waar de sommen nog op het bord stonden. In het appartement was een soort keuken en slapen deden we op het enorme terras, waar je door handig manoeuvreren tot halverwege de middag schaduw had, waarna we naar ons meertje fietsten om te zwemmen.

In de ochtenden ging ik eropuit, en met mijn vlindernet, kniehoge sokken en hoedje à la Monsieur Hulot was ik in de omgeving al snel een gekende verschijning. Overal waar ik mij vertoonde, werd me de weg gewezen naar van kikkers en stekelbaarsjes wemelende watertjes, ik hoefde mijn schepnet maar door het water te halen om ze te vangen. Iedere avond, om half negen, liep ik naar de protestante kerk op de heuvel, waar ik kennis had gemaakt met een reusachtige pad die huisde in de met cipressen overdekte grafkelder van het lokale markiezengeslacht. Als de pad tevoorschijn kwam, wandelden we vrolijk koutend het pad af naar de Vidourle, waar we afscheid namen. “Tot morgen, meneer pad – tot morgen, cher monsieur.” Het rook er naar lavendel en tijm en de maan kleurde ’s avonds vaak bloedrood.

Maar zelfs aan vakanties in Saint Clément kwam een einde. Na zes weken niksen, moesten we terug. En dan gingen we, zoals we gekomen waren, met de autoslaaptrein, een geniale vinding waarmee je de snelweg vermeed en sliep terwijl je reisde. Laat ik het niet hebben over de keer dat we op weg naar Nîmes in een overstroming terechtkwamen, waardoor de Vidourle plotseling gaspedaalhoog door de auto klotste, en al helemaal niet over de keer dat de restauratie waarin we op de heenweg zo voortreffelijk hadden gegeten er niet was en er zelfs geen flesje water in de trein te koop bleek, maar over de ogenblikken in het rijdende bed dat de stad zoals die op je komst ligt te wachten zich langzaam ontvouwt voor je slaperige ogen.

De 3 raast door de Eerste Constantijn Huygensstraat en op de brug staat Brulbek klaar om te brullen. Het bord bij de Muizenval zegt als altijd: ‘Hier geen rotzooi uit de fles maar echte sju de rans’. Rob van café De Schouw heeft mijn tafeltje vrijgehouden en in het Vondelpark bereiden de eerste kastanjes zich voor op hun val. De stad is er nog, en mooier dan ooit tevoren.   

Guus Luijters 

Septembernummer 2020

Delen:

Editie:
September
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Column

Gerelateerd

Column: Galerij 19
Column: Galerij 19
Column 1 september 2020