De schouwburg ziet er armelijk uit

De Deense schrijver Hans Christian Andersen (1805-1875) was drie keer in Amsterdam: in 1847, 1866 en 1868. De eerste keer was hij hier nog tamelijk onbekend, maar daarna redelijk beroemd als schrijver van sprookjes als De kleine zeemeermin, Het lelijke jonge eendje en De nieuwe kleren van de keizer. Bij zijn bezoek in 1866 was hij zes weken de gast van houthandelaar Andreas L. Brandt, Herengracht 366. Andersen maakte dagboekaantekeningen.


"Zaterdag 10 februari 1866
(...) Vertrok om 1 uur 20 [uit Utrecht, red.] (eerste klas) en was om 2 uur aan het station van Amsterdam, waar beide gebroeders Brandt mij ontvingen met rijtuig en bediende. Wij kwamen aan bij een voornaam uitziend huis, waar ik op de eerste etage een gezellige, warme kamer kreeg. De vrouw des huizes, die Deens spreekt en doopsgezind is, maakte een bijzonder prettige indruk, evenals de achttienjarige zoon des huizes. Het middageten was om vijf uur, ik las hun enige sprookjes voor.
Maandag 12 februari 1866
Somber weer. Bij de koffietafel kwam het personeel binnen. Brandt las uit de bijbel voor en allen zongen een psalm. Ging daarna naar de dichter Van Lennep [Jacob; Andersen ontmoette hem ook al in 1847, red.], die op de Keizersgracht woont. Hij was oud geworden, heeft lang wit haar en lijkt helemaal op Voltaire, zoals hij zelf opmerkte – en hij trok een gezicht met de narrengrijns van Voltaires borstbeeld. Hij stelde mij in het vooruitzicht dat zijn drama De Vrouwe van Waardenburg tijdens mijn verblijf hier zal worden opgevoerd.
Dinsdag 13 februari 1866
Zonneschijn, maar koud. Met Brandt in het rijtuig naar de dierentuin, die groot en rijk aan dieren is. Kwam tussen krijsende papegaaien en kaketoes door bij de slangen, die gekronkeld op stenen of in het water lagen; zij sisten en lieten hun tongen flitsen. Aardig om te zien was een nijlpaardjong, groot als een kalf, slaperige loensende ogen, die hij uit het water opsloeg.
Woensdag 14 februari 1866
Heldere vrieslucht met zonneschijn, een dunne laag sneeuw op straat. Ging door de Kalverstraat naar het postkantoor. Dienstmeisjes stonden de trottoirs te boenen en spoten (met de glazenspuit) langs de huizen omhoog op de ramen. De rijtuigen rijden hier meestal geweldig hard. De ene straat lijkt hier nogal op de andere, het ene huis op het andere, speciaal op Herengracht, Prinsengracht enz. Weesjongens tegengekomen, zij lopen in kielen of jasjes waarvan de ene helft rood, de andere zwart is; er is iets stuitendst in om deze arme kinderen zo zuidelijk aangeduid te zien.
Donderdag 15 februari 1866
Met de familie Brandt naar een kindervoorstelling in de grote schouwburg gegaan. De schouwburg ziet er armelijk uit, de drie etages waren propvol. Het ballet was wat al te boertig: het prinsesje pieste de minister op de hand! De decors niet veel zaaks.
Maandag 19 februari 1866
In een boekwinkel zag ik Hoe Andersen zijn leven vertelt. Ik ging naar de Botermarkt [Rembrandtplein, red.] en keek naar de vele oude boeken die daar verkocht werden. Aan de voet van het standbeeld van Rembrandt stond een poppenkast, die juist een vertoning gaf. Vele huizen zijn zo smal, dat er maar één raam naast de deur is. Het wordt in zijn geheel door maar één gezin bewoond.
Vrijdag 23 februari 1866
's Avonds concert in Felix Meritis. Ter ere van mij gaf [Johannes, red] Verhulst een symphonie van [de Deen, red.] Niels Gade. Het was er heel deftig, met een zee van licht. Brandt liet zich minder gemoedelijk uit: Joden mogen in dit gezelschap niet komen; er schijnen over het algemeen in Amsterdam grote standsverschillen te bestaan.

Zaterdag 24 februari 1866
Ging met de familie Brandt naar de schouwburg om Van Lenneps De Vrouwe van Waardenburg te zien, tezamen negen bedrijven, het duurde van half zeven tot half twaalf. Mevrouw Kleine-Gartman speelde de Vrouwe van Waardenburg, een oude dame die krampachtig aan het katholicisme vasthoudt. Wanneer zij als stokoude vrouw op haar slot een bruidspaar de zegen moet geven – haar kleinzoon die protestant is en een metselaarsdochter – wordt haar dit te veel en zij valt dood neer. Zij speelde bijzonder goed. Het publiek van het schellinkje was rauw, ze riepen om 'muziek', floten op de vingers en schreeuwden in de pauzes naar beneden."


HANS REESER, ANDERSEN OP REIS DOOR NEDERLAND, WALBURG PERS, 1976

Beeld: Hans Christian Andersen in 1869. Wikipedia/Thora Hallager.

Delen:

Editie:
December November
Jaargang:
2017 69
Rubriek:
Stemmen uit het verleden
Tijdperk:
1800-1900