De roem van Mast

De kunstzinnige klantenkring van Mille Colonnes

Dichters, schilders, acteurs en actrices, studenten, zakenmensen, vakbondsmannen, diamantairs. Bij café Mille Colonnes op het Rembrandtplein kwam een zeer divers publiek, al klitte men eenmaal binnen wel ‘per soort’ samen. Vaste gasten, onder wie de oprichters van ‘Ennegee’ (De Nieuwe Gids), duidden hun lievelingsetablissement overigens altijd kortweg aan met Mast - naar de eigenaar van het vermaarde café-hotel-restaurant, Joseph Mast.

Het grote pand links naast De Kroon op het Rembrandtplein heeft het voorkomen van een uitdragerij. Boven de onverschillige serre-uitbouw van café Ritz schreeuwt een reclamebord om aandacht voor een radiostation en nog wat hoger blinderen rommelige schotten de ramen alsof de aldaar gevestigde discotheek Escape meer dan het daglicht schuwt. Elke verlokking die ooit uitging van Rembrandtplein 11-15 is ver te zoeken. Hoe anders was dat meer dan een eeuw geleden, toen men zich op deze plek kon koesteren in een van de mooiste etablissementen van de stad:
“Waar rood-licht-rozen in de roode zalen
Bloeie’ in de kroonen, ’t goud rommedomt
En in de glazen wanden duizendvoud weêrómt
Komen wij uit het duister naar het licht toe dwalen.”
De ‘wij’ uit de eerste strofe van het sonnet ‘Café Mast’ van Jacobus van Looy waren de jonge schrijvers, dichters, schilders die elkaar eind jaren tachtig, begin jaren negentig van de 19de eeuw dikwijls, zo niet dagelijks zagen. Ze kwamen bij Die Port van Cleve op de Nieuwezijds Voorburgwal, ze gingen naar Krasnapolsky in de Warmoesstraat, ze struinden de morsige kroegen en danslokalen af en altijd troffen ze elkaar bij Mast.
Mille Colonnes stond er op de voorzijde van het statige hotel en café-restaurant. In de wandeling heette het Mast, naar de uitbater Joseph Mast, die ervaring had opgedaan in Kras en vervolgens - tot 1893 – het enige andere grote café van de stad ging runnen.
“Laten we naar Mast gaan. Daar poft de kellner, als ik geen kennis zie,” zegt een personage uit Herman Heijermans’ roman Kamertjeszonde uit 1896. De toneelschrijver had er, vers uit Rotterdam, vier jaar eerder zijn opwachting gemaakt en al meteen enkele befaamde stamgasten gezien: de dichters Willem Kloos en Hein Boeken en hun steun en toeverlaat, de schilder Willem Witsen. Die berichtte op zijn beurt meermalen aan zijn verloofde Betsy van Vloten over de samenkomsten van de bent der Tachtigers, zoals in april 1891: “Willem en Hein waren allebei aan ’t station en toen zijn we naar Mast gegaan. Daar waren [Frank van der] Goes en [Jaap] Batavier en Chap [Charles van Deventer] en François [Erens].” Of dat hij buurman Isaäc Israels op de Munt was tegengekomen en met hem koffie was gaan drinken, bij Mast. Er was wezen lunchen met ‘Kobus’ van Looy. Nog net de laatste tram gepakt had, komend van Mast.
Mast bekte lekker. Tot er niets meer restte dan herinneringen en een aantal kunstwerken dat van Mast getuigt, met als summum het ‘tweeluik’ van Jacobus van Looy. Het kan niet anders of de schrijver en schilder Van Looy overdreef woord noch streek toen hij deze plek in 1890 vastlegde in sonnet en schilderij. Van het sonnet zijn enige varianten bekend onder de titel ‘Café’ en ‘Café Mast’, waarin hij telkens probeerde de ambiance nóg tastbaarder te schilderen. Sommige schetsen en tekeningen kunnen worden gezien als aanzetten voor het schilderij dat Café heet, maar dat voor de stamgasten niets anders kon zijn dan Mast.
Het hoge doek, gekadreerd met enkele van de ‘Mille Colonnes’, voert de toeschouwer uit het duister naar het licht regelrecht de roodgoudglanzend omfloerste, volgepakte zaal binnen. Op de voorgrond links walmt het koperen lucifershoudertje nog na: de krantenlezer, alweer verdiept in zijn lectuur, heeft juist een sigaret aangestoken. Het paar achter hem, hij met hoge zijde, zij met bonnet, zal aanstonds hun bestelling opgeven en terwijl het geroezemoes door de hoge ambiance golft, wenkt verderop een bekende: 
“Dan gaan wij in ’t geroes der vale talen
In ’t spraakgewar dat Babylonisch gromt
Bukken op de stoelen, donker en gekromt
En zwelgen licht en hooren dag-verhalen.”

‘Uren praat en lach’
Boven het café-restaurant waren zo’n dertig hotelkamers en enkele zalen. De architect Isaac Gosschalk, die zich voor zijn ontwerp had laten inspireren door het gelijknamige etablissement in Parijs, was een van de leden van de Vereeniging De Amsterdamsche Kunstkring die op twee zaterdagen in september en november 1893 voor causerieën bijeenkwamen op de bovenzaal aan de achterzijde. De vereniging van circa honderd kunstenaars en intellectuelen, onder wie componist Bernard Zweers, architect H.P. Berlage, acteur Louis Bouwmeester, chroniqueur Justus van Maurik, schilder Nicolaas Bastert, schrijver Herman Heijermans, beeldhouwer H. Teixeira de Mattos bestond pas driekwart jaar. Het bestuur zocht nog een passende locatie voor de herenclub, maar kampte reeds met een geringe belangstelling van de leden. De vereniging was geen lang leven beschoren. Er bleef in maart 1894 een openstaande rekening van ƒ 194,20 over. Aan de gewezen eerste secretaris Willem Kromhout (de architect van het American Hotel op het Leidseplein) de taak deze aan te zuiveren met nog verschuldigde contributie der leden, ƒ 2.50 per trimester. Onderaan de gedrukte missive veroorloofde hij zich de vrijheid “over drie dagen dit bedrag bij U te doen ophalen”.
De Amsterdamse bohème had het niet breed in die jaren, maar: “Al had je met zijn vijven nog geen daalder,” zou de schrijver Arthur van Schendel memoreren, “het was genoeg voor uren praat en lach.” Er werd wat afgepoft bij Mast. Zeker door Heijermans. Zijn eerste vrouw Marie Peers beschreef het chronisch geldgebrek: “Wij kwamen bij ‘Mille Colonnes’ of wel ‘Mast’. Wij kwamen daar elken avond en Heijermans hoopte denzelfden kelner van elken avond te krijgen. Pech! Het was Zondag en de kelner was uit.”
Hun dochter Hermine heeft naderhand Heijermans’ ijzingwekkende verhaal ‘Nirvana’, over een berooid echtpaar dat zich op een hotelkamer van het leven wil benemen, in verband gebracht met haar ouders. Ze plaatste naar beste weten de gebeurtenis in Mille Colonnes, waar haar vader de vulkachel opende en de reten van ramen en deuren dichtstopte, net als in de schets. De wanhoopsdaad zou zijn verijdeld doordat een van de vrienden van het echtpaar, Bernard Canter, aanklopte met het heugelijke bericht dat hij geld voor ze had gevonden. 

De mannen van de pen
Beneden, op de begane grond, laveerden Van Looys “vrouwgerokte kelners” met koffie, spijzen en alcoholische verteringen tussen de eindeloos in de spiegelwanden weerkaatste gietijzeren pilaren waaraan het etablissement zijn naam ontleende. Van Looys derde strofe luidt:
“Zoo zitten w’onder zuile’ in rooden dag
Elkaâr, lijf zwart naast lijf, wijl d’uren vliegen,
Vertrouwelijk van het leven te beliegen.”
Onder de talrijke kroonluchters schaarde de cliëntèle zich ‘soort bij soort’ aan de marmeren tafeltjes, aldus Van Schendel. Meest zakenmensen, veel diamantairs en vakbondslui, studenten, toneelvolk, schilders. “En achter in den hoek, drie tafels samen,/ De roem van Mast, de mannen van de pen,/ Terwijl bij het buffet stond toe te kijken/ De oude baas met breden buik en baard.” De hoek met de mannen van de pen was nooit verlaten, zo herinnerde Van Schendel zich, al kwam vooral na tienen pas de echte aanloop: “Dan zag je ze uit de tochtdeur binnen treden,/ Achter elkaar, die lui van de Ennegee,/ De meesten met een lach op het gezicht.” Vaak bleven ze er “tot twee uur sluitingstijd”, geestdriftig bomend over wilde plannen.
De roem van Mast had de bedaagde kunstwereld opgeschud met een nieuwe, verse taal waarvoor de ‘Ennegee’ was opgericht: het tweemaandelijkse tijdschrift De Nieuwe Gids. Van Schendel zag met affectie de grote en kleine sterren uit de constellatie voor zich: Frank van der Goes, “het hoofd geschoren,/ Das en manchetten overdreven nieuw”. “Hein Boeken op zijn schippersbenen/ Met rode krullen en een blauw pak aan.” “Jan Hofker met verrukte ogen./ Altijd iets ziende aan de zoldering.” Willem Kloos “en allen hieven de ogen./ Zo groot de eerbied die men voor hem had/ Dat sommigen waar hij voorbij ging rezen,/ Den hoed afnemend, maar hij zag het niet.” En Willem Witsen “die nog naar Londen rook,/ Een reuk dien hij, een echte Amsterdammer,/ Altijd behield, gelijk de donkre mist/ Waaruit de groenigbruine oogen staarden,/ De hechtste grond waarop men bouwen kon.”
Bijna alle vrienden en kennissen van weleer waren reeds overleden toen Van Schendel in september 1944, ver weg in Italië, deze kring opriep in zijn rijmloos vers ‘Mast’. De plek bestond alleen nog op papier. Van Schendel wist het, want hij was er nog eens terug geweest: “Maar ’t lamplicht had niet meer den ouden luister.” Toen al niet meer.
In diezelfde periode ontdekte P.H. van Moerkerken in de nalatenschap van Marie Witsen-Schorr, de weduwe van Willem Witsen, een onbekende variant van ‘Café Mast’ met als laatste strofe:
“Wit, kelners gaan, zij brengen ons te drinken.
Rood rookt de zaal, de roode glazen tinken
Waar boven ’t marmer leeft ons luid gelach.”
Het was gedateerd op 30 november 1890 en ondertekend met Adr. Brouwer, Van Looys pseudoniem. Een paar jaar na de bevrijding zou het worden geëxposeerd op de tentoonstelling Witsen en zijn vriendenkring in het Stedelijk Museum. De enige van de vrienden die toen nog leefde was Lodewijk van Deyssel aan wie Van Looy op 23 mei 1890 bij Mast na het verorberen van een biefstukje een brief had geschreven op postpapier van Mille Colonnes: “’t Is hier zoo’n mooi café. Weet je nog wel, dat we hier voor ’t allereerst samen hebben zitten praten, over de ‘extase van de kwast’. De rook van jaren heeft ’t goud hier zoo mooi oud gemaakt, en ’t rood als in moskeeen die ’k heb gezien, en ’t zit hier altijd vol met dat drukke volk.”
 

Delen:

Jaargang:
2006 58

Gerelateerd

In de schaduw van de macht
In de schaduw van de macht
Verhaal 25 januari 2011
​​​​​​​Aanzienlijken, burgermenschen en het gemeen
​​​​​​​Aanzienlijken, burgermenschen en het gemeen
Recensie 28 december 2010
Architect Philip Warners, 1888-1952
Architect Philip Warners, 1888-1952
Markante Amsterdammers 23 december 2010