De pruik van de burgemeester

In de achttiende eeuw droeg elke Amsterdammer die in de stad wat voorstelde een pruik. Een pruik betekende status, een pruik was kostbaar, een pruik gold zelfs als hygiënisch. Er zijn er nog twee over; één daarvan sierde het hoofd van de prominente Amsterdamse burgervader Egbert de Vrij Temminck. 

Vanaf circa 1660 maakten pruiken deel uit van het modebeeld, en dat bleef zo in de hele ‘lange 18de eeuw’, vroeger bekend als de Pruikentijd, toen mannen (en vrouwen) expressieve kleurrijke kleding droegen, én pruiken. 

Er zijn talloze verklaringen voor de opkomst en de populariteit van de pruik. Verreweg de meeste wijzen naar de Franse koning Lodewijk XIV. Vast staat dat Lodewijk op relatief jonge leeftijd zijn haar verloor, wellicht een symptoom van syfilis. Hij droeg een lange donkere gekrulde pruik om zijn kalende kruin te bedekken. 

Haar is een organisch materiaal dat makkelijk vergaat, en dus zijn er niet veel pruiken uit de Pruikentijd overgebleven. In Nederland zijn er maar twee over, één in het Rijksmuseum en één in het Amsterdam Museum. Van die laatste is bekend wie de eigenaar was: de prominente Amsterdammer Egbert de Vrij Temminck, die tussen 1748 en 1784 meer dan twintig keer werd verkozen tot burgemeester van Amsterdam. 

Pruikenburg 
Temminck was dus lid van de absolute elite van de stad, en zeer welgesteld: bij zijn dood liet hij 290.000 gulden na. Op een ets van Jacob Houbraken uit 1759 is hij te zien, mét pruik, en als je de afbeelding met de pruik in het Amsterdam Museum vergelijkt is duidelijk dat ze erg overeenkomen.   

De pruik is er een van het type ´infolio´, wat ‘groot’ of ‘gek’ betekende: breed, lang en overdreven gekruld. De zware symmetrische krullen waren typisch voor de stijl die toen ‘Lodewijk XIV’ wordt genoemd: je ziet dezelfde krullen op de gevels van Amsterdamse grachtenhuizen. 

De pruik in het Amsterdam Museum was waarschijnlijk Temmincks ceremoniële pruik, wat misschien verklaart waarom het ding de eeuwen overleefd heeft. Volgens de gegevens in het museumarchief is hij na Temmincks dood altijd in de familie bewaard gebleven. Temmincks nazaat Sigisbert (‘Gijs’) Bosch Reitz had de pruik vanaf 1913 tentoongesteld in zijn villa in Laren. Zijn neven en nichten noemden het daarom ‘Pruikenburg’, en dat werd de officiële naam. Toen Bosch Reitz overleed liet hij zijn bezit, inclusief de pruik, na aan zijn neef en petekind, Gijsbert Six, heer van Wimmenum. Na Six’ dood belandde de pruik in het Amsterdam Museum.   

Het bezit van een ‘infolio’ pruik was een teken dat de drager veel kon uitgeven aan uiterlijk vertoon, ten teken van rijkdom en status. Vaak werden dit soort ‘officiële’ pruiken met de hand gemaakt, van paardenhaar, en dat vereiste veel vakmanschap. In 1742 telde Amsterdam maar liefst 68 pruikenmakers en dertien pruikenwinkels. De productie was kostbaar, zeker in de eerste helft van de 18de eeuw, toen de mode hele lange pruiken voorschreef.  

Ontluizing 
De ene pruik was de andere niet. Voor verschillende functies waren er verschillende pruiken, met verschillende status. In 1778 adverteerde ‘Mr Paruikemaker’ Antonie Renaud in de Opregte Haarlemsche Courant als ‘Uitvinder van alle zoorten van PARUIKEN’, geschikt voor zowel ‘Raadsheeren als Predikanten’. Renaud, in de Kalverstraat op de hoek van de Taksteeg, zei een nieuwe manier te hebben gevonden om de krullen ‘roerende en speelende’ te maken zonder dat ze ‘vastigheid’ verliezen of niet gekamd konden worden.  

Met zo’n lange pruik was fysieke arbeid niet mogelijk, en dus was de pruik ook een indicatie dat je in jouw sociale klasse veel vrije tijd had. Maar sociale klasse en opvallen door geld uitgeven waren niet de enige achtergronden van de mode. Pruiken golden ook als hygiënischer dan eigen haar. Onder een pruik had je namelijk het haar kort geknipt of kaalgeschoren, en dat zorgde voor minder luizen.  

Bovendien konden met luizen geïnfesteerde pruiken naar een pruikenmaker worden gestuurd voor ‘ontluizing’; de pruik werd dan gekookt en uitgekamd of enkele dagen weggelegd zodat de luizen verhongerden. In het Amsterdam Museum wordt een luizenkrabber bewaard, een lange zilveren stok met een lepelvormig krabbertje waarmee mensen onder hun pruik konden krabben. 

Salon Etienne 
Op Temmincks pruik is nog een poederachtige substantie waarneembaar. Haarpoeder werd in de tweede helft van de 18de eeuw populair. Poeder absorbeerde vuil en vet, beschermde het pruikenhaar tegen beschadiging, het bestreed luizen en het rook lekker. De substantie bestond uit pommade en poeder en werd samengesteld door de pruikenmakers, die daardoor ook de reputatie van geneeskundigen kregen. Haarpoeder was bijzonder duur. De boekhouding van Salon Etienne, een haarsalon in de Kalverstraat 6, bevat rekeningen uit 1820 waar twee pond haarpoeder 14 gulden kostte, een half maandsalaris voor een gewone handarbeider.  

Het Stadsarchief bewaart het huishoudboek van de Amsterdamse familie Van Leuvenig Willink. Daarin zitten rekeningen voor herhaalde bezoeken aan Salon Etienne, tussen 1787 en 1842. Daaruit blijkt dat Salon Etienne tot ver in de 19de eeuw pruiken voor zijn klanten bleef maken. Ook verleende de salon allerlei andere diensten, waaronder scheren, knippen, het maken van toupetten, krulspelden van papier en dozen voor pruiken, lessen in haarverzorging, pommade en poeder. De Van Leuvenig Willinks betaalden vaak voor allerlei diensten tegelijk, eenmaal per jaar, of over een paar maanden. 

Poederkamer 
Tegen het einde van de 18de eeuw kwamen kortere pruiken in de mode, en die werden door veel meer groepen in de samenleving gedragen, ook uit de lagere klassen. De pruik als symbool van hoge status verloor daardoor aan betekenis, doch door de extra kosten van haarpoeder werden de sociale verschillen wel onderstreept.  

De allerrijkste dragers van poeder beschikten zelfs over een poederkamer, een afzonderlijke ruimte in het huis ‘waarin men zich poederen laat’. Een bediende of een kapper smeerde pommade over de pruik, zodat het poeder daarna aan de pruik zou blijven plakken. Dat gebeurde met een kleine blaasbalg, die met poeder werd gevuld. De klant kreeg eerst een poedercape over de schouders, om de rest van zijn kleren niet te bederven.  

Dat gepoeder was dus een hele toestand. In de Historie van den Heer Willem Leevend van Betje Wolff en Aagje Deken schrijft mejuffrouw Christina Helder aan mejuffrouw Jacoba Veldenaar over een ‘soupirant’,  een heer die zich als ijverige amateur met de wetenschappen bezighoudt: ‘Hy is ook verre in de Mechanica, want hy heeft een hok uitgevonden, dat hy over zyn hals doet en er inkruipt, en dat hy toesluit, op dat hy, gepoeijerd wordende, toch geen stofje op zyn kleeren kryge.’ 

Het poeder werd vaak gemaakt van bloem, fijn gemalen meel. Dat diende de ijdelheid van de pruikendrager, terwijl er ook brood van gebakken had kunnen worden. In tijden van schaarste, door oorlog op zee of een mislukte graanoogst, werd dat controversieel. Als de meelprijs steeg werd daarom door veel overheden in pruikdragende landen het haarpoeder zwaarder belast, in zogenaamde ‘weelde-wetten’. In de Republiek gebeurde dat tussen 1805 en 1811 in een ‘vermakelijkheids-acte’.  

Om haarpoeder te mogen gebruiken moest de drager een jaarlijks ‘patent’ kopen, tegen de prijs van een dukaat, ongeveer vijf gulden. De Republiek (en andere landen) maakte uitzonderingen voor bepaalde groepen, zoals de koninklijke familie, of ambtenaren; in Amsterdam zou Egbert Temminck waarschijnlijk vrijgesteld van zijn van zo’n belasting als hij als burgemeester in functie was. Voor de mensen die haar wel betaalden kwam de spottende term ‘dukatenkop’ in zwang.  

Revolutie  
De belasting op haarpoeder betekende de laatste klap voor de pruikenmode, die al geruime tijd in verval was. Dat ging gelijk op met een grotere belangstelling voor de natuur en ‘natuurlijk gedrag’ in de laatste decennia van de 18de eeuw en daarmee het afscheid van de weelderige uitdossing van de man. De verandering in het modebeeld werd ook gevoed door de industriële revolutie, en de groeiende afkeer van de aristocratie, die weer leidde tot de revolutionaire bewegingen in Amerika, Nederland en Frankrijk. 

Egbert de Vrij Temminck schaarde zich op hoge leeftijd nog onder de ‘patriotten’, die zich tegen de macht van de Stadhouder verzetten. Toen hij in 1778 burgemeester was werd er op zijn initiatief een geheime overeenkomst gesloten met vertegenwoordigers van het Amerikaanse Congres. De Amsterdammers meenden dat de overeenkomst legaal zou worden zodra de regering van het Verenigd Koninkrijk de onafhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika formeel zouden erkennen. Een kopie van het ontwerpverdrag viel in 1780 echter in handen van de Britten, die daarop de Nederlandse Republiek de oorlog verklaarden. 

Temminck zal in die onrustige jaren nog altijd zijn pruik hebben gedragen. Hij mocht dan vooruitstrevende, republikeinse ideeën hebben gehad, hij was nog altijd lid van de oude Amsterdamse oligarchie. Andere gezagsdragers die hardnekkig aan hun pruik en hun oude status vasthielden, zouden het ding in de revolutionaire omwentelingen kwijtraken. Soms verloren ze daarbij ook hun hoofd. 

DIT ARTIKEL IS GEBASEERD OP DE MASTER SCRIPTIE VAN ALEX MCQUEEN VOOR CENTRAL SAINT MARTIN, UNIVERSITY OF THE ARTS LONDON.  

December 2021

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
December
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1700-1800