De plundering van een burgemeestershuis

“By Rendorp leid de burgwal vol met bedde en stoele”

Op dinsdagavond 29 mei 1787 verzamelde zich tegen elven een opstandige menigte voor de deur van Singel 292. Eerder die avond waren in de stad al diverse huizen en winkels geplunderd door patriotse burgers, die in opstand kwamen tegen Willem V en zijn aanhangers. Nu stonden ze voor het huis van oud-burgemeester Joachim Rendorp, ofwel “Jochem de Draaier”. Getuigenverklaringen van de bedienden van deze vermogende regent vertellen ons wat zich die avond achter de gevel heeft afgespeeld.

Rendorps huis was op die avond in mei het vierde dat werd geplunderd door rebellerende patriotten. De roep om politieke verandering was de laatste jaren steeds luider geworden en nu voegden de staatsgezinde burgers de daad bij het woord en gingen de straat op om hun onvrede te botvieren op een ieder die trouw was aan Oranje. Met lede ogen hadden zij al die tijd toegekeken hoe de Republiek economisch steeds verder in het slop raakte en nu was de grens bereikt. De patriotten waren met name fel gekant tegen stadhouder Willem V, destijds opperbevelhebber van leger en vloot, omdat ze hem verantwoordelijk hielden voor de blamage tijdens de Vierde Engelse Oorlog (1780-1784). Door het ontbreken van een goede oorlogsvloot had de Republiek geen enkele kans gehad tegen de Engelsen, die waar ze maar konden koopvaardijschepen en handelswaar inpikten. En om uiteindelijk deel te nemen in de vrede die Engeland had gesloten met Frankrijk, Spanje en Amerika moest de Republiek tal van economische belangen opgeven. De patriotten, voor het grootste deel afkomstig uit de gegoede burgerij, waren zo gegriefd over de gang van zaken in het vaderland, dat zij zich steeds luider begonnen te roeren. Daarbij raakten ze geregeld slaags met orangisten, met als hoogtepunt de belegering van het oranjegezinde Kattenburg op 30 mei.

De ontevredenheid over stadhouder Willem V werd overigens door vele regenten gedeeld. In de geschiedenis van de Republiek waren er immers altijd spanningen geweest tussen stadhouder en regenten: stadhouderloze tijdperken, waarin de regering uitsluitend in handen was van de ‘staten’, werden afgewisseld door perioden waarin weer een stadhouder werd benoemd. Meestal gebeurde dat als het volk om een ‘Oranje’ riep omdat er een of ander gevaar dreigde. Maar in het vanouds staatsgezinde Amsterdam noemde slechts een minderheid van de leden in de vroedschap zich patriot; de meerderheid van de regenten was behoudend, en trachtte een gematigde middenpolitiek te voeren. Zij wilden beide kampen te vriend houden. Aan de ene kant werden ze immers bedreigd door een mondig geworden burgerij die, verenigd in wapengenootschappen, invloed op het bestuur wenste te hebben. Aan de andere kant roerden zich de orangisten, vanwege de patriotse aanvallen op de stadhouder.

Burgemeester Joachim Rendorp (1728-1792) behoorde tot de conservatieve vleugel van de aristocratische middengroep. In het jaar 1786, toen hij voor de tweede maal in de patriottentijd regerend burgemeester was, werd hij in patriotse schotschriften en kranten als geen ander verguisd. “Jochem de Draaier” werd hij genoemd, omdat hij in 1781 (tijdens zijn eerste periode als burgemeester) nog had deelgenomen aan een Amsterdamse delegatie die er bij de stadhouder op had aangedrongen zijn persoonlijke raadgever, de hertog van Brunswijk, de laan uit te sturen. Deze Brunswijk, die als voormalig voogd een grote invloed had op Willem V, stond erom bekend dat hij een hekel had aan Amsterdam en sterk pro-Engels was. Bovendien had híj zich altijd ingezet voor versterking van het leger in plaats van de vloot, waardoor de oorlog tegen Engeland uiteindelijk uitliep op een beschamende vertoning (het materieel was uiteindelijk zelfs zo krakkemikkig dat matrozen weigerden om uit te varen). Rendorps steun aan het plan om Willem zijn gehate raadgever te ontnemen, werd destijds dan ook als een heel patriotse daad bejubeld. Sinds 1786 zette Rendorp zich echter in voor het behoud van de positie van de stadhouder. Hij was dus wel degelijk oranjegezindheid, zo bleek nu, en bovendien was hij in deze bestuursperiode duidelijk anti-democratisch. Rendorp was een onbetrouwbare draaikont, zo oordeelden de patriotten en het zal een van de redenen zijn geweest waarom de patriotse plunderaars die bewuste meinacht zijn huis aan het Singel als doelwit kozen.

“Hoezee, hier is volk in huys”

Wat deed oud-burgemeester Joachim Rendorp toen hij de patriotse leuzen hoorden die voor zijn deur werden gescandeerd en de plunderaars zijn huis binnendrongen? Volgens de Nieuwe Nederlandse Jaarboeken zijn Rendorp, zijn vrouw en hun zeventienjarige zoon Willem aan de achterkant het huis uitgevlucht en over de muur van de binnenplaats geklommen. Zo kwamen zij in het huis van de buurvrouw, de weduwe Van der Dussen, een zuster van mevrouw Rendorp. Dit huis (het huidige Singel 290) was eveneens eigendom van Rendorp.

Achteraf was Rendorp er zeer op gebrand de toedracht van de plundering te laten vastleggen en na oktober 1787, toen Pruisische troepen een einde maakten aan de dreiging van een patriotse revolutie, liet hij alsnog getuigenverklaringen opstellen. De verklaringen zijn afkomstig van vier bedienden van Rendorp en vijf schutters van de burgercompagnie die verantwoordelijk was voor de ordehandhaving in wijk 29, waarin het huis gelegen was.

Uit de verklaringen wordt duidelijk dat Rendorp liefst acht of negen personeelsleden in huis had, inclusief een palfrenier – een wel heel zichtbaar statussymbool voor achter op zijn koets. Was Rendorp misschien ook weinig geliefd vanwege zijn wel erg nadrukkelijke vertoon van rijkdom en macht? Het houden van een palfrenier, ofwel tweede koetsier, was beslist niet gebruikelijk bij Hollandse regenten. Ook volstonden de meesten van hen met hoogstens vijf à zes man personeel in huis; acht of negen bedienden was veel, zelfs voor een pand als dat van Rendorp, met een voorhuis aan het Singel en een twee keer zo breed achterhuis op de Herengracht.

De verklaringen over het verloop van de plundering zijn afkomstig van Rendorps lijfknecht Hendrik Jan Westerik, de palfrenier Jan, van Gerrit, de knecht van mevrouw en van Jacoba Maria Dornar ofwel Koba, de zilvermeid. Het overige personeel komt alleen terloops aan de orde: een zekere Dirk, waarschijnlijk de koetsier, ene Louis, wiens functie niet duidelijk is, en nog een werkmeid en een keukenmeid, van wie er één Betje werd genoemd. Ook moet mevrouw Rendorp er nog een persoonlijke dienstmeid op hebben nagehouden die haar onder andere hielp met het maken van haar toilet. Mogelijk zat ze op dat moment net zonder: het was immers mei, een van de twee maanden in het jaar waarin personeel volgens de dienstbodenreglementen van werkgever mocht veranderen.

Toen de plunderaars tegen elven arriveerden, bevonden de meiden zich waarschijnlijk al in de meidenkamer op zolder. De knecht Jan was net op weg van de keuken naar de boyenkamer, de eetkamer van de dienstboden, toen er onder luid gebons en gebel een steen door het raam boven de voordeur vloog. “Daar zijn ze al, waarschouw Mynheer en Mevrouw toch!” riep Jan tegen zijn kameraden Hendrik en Louis: de plunderaars kwamen kennelijk niet onverwacht. Eerder op die avond hadden ze al de oranjekroeg ’s Lands Welvaren op de Reguliersgracht geplunderd. Vervolgens moest de kantwinkel van de Oranjegezinde Arentzen in de Halvemaansteeg het ontgelden, en daarna die van boekverkoper Arends op het Singel, niet al te ver van Rendorp vandaan.
Onder luid geroep van “Hoezee” en “Vader Hooft boven” (oud-burgemeester Hooft werd door de patriotten op handen gedragen) werden nu met breekijzers, bijlen en koevoeten de luiken en ramen van de zijkamer van Rendorps huis opengebroken. Eerst werden daar alle spiegels, tafels en stoelen stukgeslagen, en daarna moesten de vier ramen en de twee kloklantaarns in de gang eraan geloven. De gangklok werd op de binnenplaats gesmeten. Gerrit, die de gang in was gelopen, had de euvele moed de plunderaars te vragen “wat van haar dienst of begeerte was”. Op het woedend gebrul dat daarop volgde, sloeg hij op de vlucht “uit vrees voor moord”. Hij verscheen pas weer ten tonele toen de plunderaars verdwenen waren. Hendrik was ondertussen volgens eigen zeggen naar de porseleinkamer gegaan om te zien of hij Rendorp daar kon “adsisteeren”. Via het koetshuis aan de Herengracht wist hij samen met Louis het huis te verlaten om zich bij de laatstgenoemde, die een kamer bewoonde achter de Nieuwe Kerk, te verkleden, want “verkleet was het moogelyk het oog op het zilveren zervi(e)s te houden”.

Palfrenier Jan maakt van het stel de meest heldhaftige indruk: onmiddellijk na het binnendringen van de plunderaars ging hij naar Dirk in de stal om zijn livrei te verruilen voor een blauwe jas “om by hun niet bekend te zyn”. Vervolgens bracht hij de keukenmeid en de werkmeid, die hem smeekten hen te redden, in veiligheid. Terug in het huis vond hij daar alleen nog Koba, de zilvermeid. Zij was toen zij de plunderaars hoorde met een blaker en brandende kaars naar beneden gekomen, maar die waren haar meteen afgenomen “onder een vreeslyk geschreeuw van ‘Hoezee, hier is volk in huys’”. Vervolgens werd ze naar de meidenkamer op de achterzolder gedragen. Daar sloegen de plunderaars haar in het gezicht en riepen dat ze “van kant” moest. Een van de mannen, die een leiderspositie scheen te hebben, nam het echter voor haar op: “Als Gy de meid aanraakt steek ik uw overhoop want de meid is half dood. Sy moet [ader]gelaate worden!” Dat was een onverwacht blijk van humaniteit, want aderlating gold als een remedie tegen vele kwalen.

Op de voorzolder of mangelzolder moest Koba lijdzaam toezien hoe alles werd vernield: kleerkasten, vouwplanken en droogstokken voor gewassen goed. Halfdood of niet, Koba had toch nog de tegenwoordigheid van geest om te roepen: “Denk tog aan het booje [= dienstboden] goed”. In de Jaarboeken staat ook uitdrukkelijk vermeld dat de eigendommen van de dienstboden “met alle zorg ontzien zyn geworden, en gespaard”. Koba wist hier gebruik van te maken: toen ze naar de zilverkamer beneden werd gebracht, deed ze net alsof de zilverkasten ook ‘booje goed’ bevatten. Als het klopt dat die kasten met rust werden gelaten, zoals ze stelde, dan is Koba hiermee Hendrik, die zich op dat moment nog bij Louis thuis aan het verkleden was, vóór geweest met het redden van het zilvergoed.

Na alle commotie brachten de plunderaars Koba naar het koetshuis en de stal opdat ze daar haar aderlating kon krijgen. Jan, die haar met de plunderaars naar beneden had zien komen, nam haar van hen over. Hij bracht Koba naar het wijnhuis om de hoek in de Gasthuismolensteeg, waar hij haar weer ophaalde toen de plunderaars waren vertrokken. Louis en Hendrik waren inmiddels teruggekomen. Later, in de keuken, viel Koba flauw, waarop alsnog een chirurgijn werd gehaald voor een aderlating.

De schutters van Wijk 29

Pas nu kwamen de schutters van Wijk 29 in actie, onder leiding van kapitein Versteeg. Uit de getuigenverklaringen van twee van de schutters, de winkelier Jan Obeloo en keurslijfmaker Laurens Rintelman, blijkt dat er nogal getreuzeld is. Zij waren onder de eersten die zich meldden, “want de eene was te bed, den andere niet tuys, den derde wat traag, den vierde wat bang”. Kapitein Versteeg, nog in zijn nachtjapon, vertelde hen dat hij geen kruit of lood bij zich had omdat hij de sleutel van de trommel waarin deze werden bewaard niet kon vinden. Hij stuurde zijn schutters dus eerst maar naar de alarmplaats ten huize van de vaandrig, een paar huizen bij Rendorp vandaan. Bij het zien van de plunderaars kozen enkelen van hen al meteen het hazenpad. Vervolgens werden de schutters naar de brandmeester gestuurd om licht te halen. Daarna was het nog “enig tyd vertoeven” voordat de compagnie naar de Romeinsarmsteeg marcheerde. Daar bleken de plunderaars inmiddels net te zijn vertrokken, aanleiding voor Versteeg om te roepen: “Kom aan burgers, bezet het huys!” Volgens eigen zeggen reageerde Rintelman met een schamper: “Ja, om de spaanders te bewaaren. Dat was daar even tyd geweest!”

Een aantal schutters hielp Rendorps bedienden met het naar binnen brengen van de spullen die naar buiten waren gegooid. “By Rendorp leid de burgwal vol met bedde en stoele, vergult met stof overtrokken. Stukke van kabinette sag myn knegt nog draage,” schrijft Sophia Huydecoper aan haar broer, oud-burgemeester Jan Elias Huydecoper naar aanleiding van het gebeurde. Kapitein Versteeg verschanste zich ondertussen met een paar mannen in het huis en kreeg nog heel wat aanloop van nieuwsgierigen, “mees iuffvrouwties d(i)e een vrindin of vrouw van de kaptyn of van de luitenant of van de vaanderik (waren)”. De bedienden, die zich “meester van binnen int huis” rekenden, sloten uit voorzorg de trapdeur af, voorwendend dat de sleutel zoek was. Van tijd tot tijd brachten ze de schutters in de zijkamer ter afleiding een fles wijn, “want wij vert(r)ouden vast niet een offiezier maar nog wel een enkelde schutter”.

Zo’n betrouwbare schutter moet Jan Obeloo zijn geweest. Hij trof de meeste dienstboden in de keuken bijeen “tot in den hoogsten graad ontstelt”. Zelf was hij ook “seer getroffen” door de deerniswekkende toestand waarin zij zich bevonden, zozeer zelfs, dat ze hem maar een glaasje aanboden. Eenmaal thuis, waar zijn vrouw angstig op hem wachtte, was Obeloo niet in staat zijn verhaal meteen te beginnen. “Vrouw, ik moet eerst uyt huylen,” zei hij, want “sonder huylen” kon hij er niet over vertellen.

Een regentenhuis

Volgens de Jaarboeken werd alleen het voorhuis op het Singel geplunderd, thans nummer 292 en in gebruik bij het Rembrandt Residence hotel (waarvan de ingang zich bevindt op Herengracht 255). Het achterhuis aan de Herengracht, dat doorliep achter de percelen Singel 290-294, werd ongemoeid gelaten. De zilverkamer en de kamer van mevrouw Rendorp, beide geplunderd, moeten dus in het voorhuis zijn geweest, waar – helemaal bovenin – ook de mangelzolder met de meidenkamer was. In het achterhuis bevonden zich de werkkamer en bibliotheek van Joachim Rendorp met diens “kostbare boekery en verzameling van papieren en handschriften”, die onaangetast bleven. De “iongensheers kaamer” van zoon Willem, bevond zich eveneens aan de achterkant. Ook de porseleinkamer, waar Hendrik en Louis Rendorp gingen “adsisteren” moet zich aan de achterkant hebben bevonden.

Hoe het Rendorps bedienden sinds de gewraakte nacht is vergaan, daarover weten we vrijwel niets. Van Hendrik Jan Westerik is bekend dat hij na de plundering suppoost werd bij de bank van lening. Koba de zilvermeid trouwde met ene Joachim Huyer, poortier van de Zaagmolenspoort en waagdrager. Van Jan, Gerrit, Louis, Dirk, Betje en de andere keuken- of werkmeid weten we helemaal niets. Hun verhaal is niet meer dan een kort fragment uit het veelbewogen jaar 1787 – zij zijn slechts voor een ogenblik ontrukt aan de vergetelheid.

Delen: