De pioniers van de Vondelstraat

Wonen buiten de grachtengordel

Tussen de zomers van 1866 en 1873 werd de noordkant van de Vondelstraat vrijwel tot de toenmalige gemeentegrens, achter elkaar bebouwd met een rij statige burgerwoonhuizen. Het was vrijwel de eerste nieuwbouw buiten de Singelgracht (Nassaukade, Stadhouderskade, Mauritskade), de 17de-eeuwse stadsgracht. Wie liet die huizen bouwen en vooral: wie waren de eerste bewoners die zich buiten de vertrouwde grachtengordel waagden?

Voor de bouw van nieuwe straten buiten de stadswallen was destijds alle reden. Na het midden van de 19de eeuw nam de economische bedrijvigheid van Amsterdam, en daarmee de groei van de bevolking, expansief toe. Duizenden nieuwe inwoners en nieuwe fabrieken met steeds meer (stoom)machines deden een beroep op de beschikbare ruimte. De binnenstad barste door de grote toeloop van nieuwkomers bijna uit zijn voegen, en het groeiende aantal stoommachines zorgde voor steeds meer vervuiling. Vanwege het roet in de lucht konden zelfs in de ‘nette’ wijken en op de grachten de ramen niet meer openstaan, en dat in een tijd dat het juist tot de betere burgerij begon door te dringen dat licht en lucht ook in de dagelijkse omgeving belangrijk waren. Langzamerhand kwam er zo een trend op gang om de binnenstad te ontvluchten en ‘buiten’ te gaan wonen. Het aantrekken van de economie in het midden van de jaren zestig en de (laatste) ernstige cholera-epidemie die de stad in het najaar van 1866 teisterde, hebben die trend waarschijnlijk nog versterkt.

Cuypers was niet de enige

Het is dan ook niet toevallig dat in de zomer van dat jaar een handjevol mensen het initiatief nam tot het aanleggen van de Vondelstraat: de beroemde bouwmeester P.J.H. Cuypers met een aantal compagnons, en de meestertimmerman Hendrik Overeem en diens financier Jan Willem Hartgerink. Vaak wordt het Vondelstraat-plan alleen aan Cuypers toegeschreven, maar dat is dus een misverstand. Beide partijen hadden onafhankelijk van elkaar het idee opgevat het terrein tussen het in 1865 jaar aangelegde Vondelpark en de oude uitvalsweg naar Haarlem, de Overtoom, te bebouwen.

De voortvarende Cuypers had zich pas een jaar tevoren vanuit Limburg in Amsterdam gevestigd. Daar pachtte hij, als een echte pionier, een theetuin buiten de Leidsepoort om die tot woonhuis en werkplaats in te richten. Dit etablissement, met een kegelbaan en een groot stuk grond, lag op een steenworp afstand van het eveneens buiten de stadswal gelegen Vondelpark, aan een pad dat later het begin van de Vondelstraat zou worden. Cuypers kwam al snel met het idee om een villawijk aan te leggen tussen het park en het pad dat naar zijn huis leidde.

Ondertussen had de firma Hartgerink & Overeem een concreet plan ontwikkeld voor de bebouwing van de andere kant van dit pad. Op 6 juli 1866 wendde de Amsterdamse makelaar-architect Nicolaas Redeker Bisdom zich namens deze firma – die speciaal voor dit project was opgericht – tot het gemeentebestuur met het verzoek daar een reeks huizen te mogen bouwen, in een tweede versie aangevuld met enige villa’s. Of het idee afkomstig was van Redeker Bisdom of de timmerman-aannemer Overeem is niet geheel duidelijk. Misschien heeft Overeem het project pas later naar zich toegetrokken, maar het is ook mogelijk dat hij er de initiatiefnemer van is geweest en dat hij – vertrouwder met bouwen dan met schrijven - Redeker Bisdom heeft ingehuurd om de correspondentie met de gemeente af te handelen. Feit is dat Overeem, hoewel hij geen contant geld heeft ingebracht, een centrale rol heeft gespeeld bij de aanleg van de Vondelstraat.

Het zal niet gemakkelijk voor hem zijn geweest de financiering van de gedurfde onderneming rond te krijgen, want het bouwen van woonwijken buiten de wallen kende toentertijd nog geen precedent. Om die reden wendde hij zich hiervoor niet tot geldschieters uit de stad, maar tot geloofsgenoten uit de provincie: de gereformeerde aannemer Jan Willem Hartgerink en zijn vader, beide aannemers te Goor in Overijssel. Zij zorgden voor het benodigde kapitaal. Overeem kende de Hartgerinks uit het begin jaren vijftig, toen hij bij een aantal bouwprojecten met hen had samenwerkt. Na zijn huwelijk in 1858 met een Amsterdams dienstmeisje had hij, samen met zijn schoonvader, wat onroerend goed aangekocht en enkele panden gebouwd in de Jordaan. Nu moest hij omzien naar een nieuw project en kwam de toekomstige Vondelstraat in zicht.

Kort nadat Hartgerink en Overeem hun bouwplan hadden ingediend, haastte ook Cuypers zich om het gemeentebestuur een concreet bebouwingsvoorstel te presenteren. Dat reikte echter verder dan de bouw van een reeks huizen langs het pad: hij wilde er een echte straat van maken. Daarvoor was een precedent, althans op papier: een paar jaar terug had de gemeenteraad ingestemd met een nog veel ambiteuzer plan van de bekende arts, filantroop en projectontwikkelaar Samuel Sarphati, voor een nieuwe luxe woonwijk rond het Paleis voor Volksvlijt (Frederiksplein). Dat die nooit van de grond was gekomen, deed er minder toe. Om de grond te kunnen kopen die nodig was voor de straat en de aangrenzende percelen schakelde Cuypers enkele vermogende – katholieke - geloofsgenoten in: de advocaat en filantroop mr. J.J.W. van den Biesen, de makelaar Th.J.B. Westerwoudt en de architect H.J. Schmitz.

Hartgerink en Overeem sloten zich, als medegrondeigenaren van de toekomstige Vondelstraat, bij Cuypers’ voorstel aan en hun beider plannen werden gezamenlijk in de raad behandeld. De nieuwe straat kreeg aan het begin een ander verloop dan het oude pad: het sloot met een bocht aan op de brug over de Singelgracht vóór de Leidsepoort, een knik die de Vondelstraat tot vandaag de dag markeert.

De noordkant van de Vondelstraat werd uiteindelijk bebouwd met een gesloten wand van enkele en dubbele beneden- en bovenhuizen, terwijl er op de tegen het park aangelegen zuidkant voornamelijk villa’s en herenhuizen kwamen te staan.

Architect bouwt anders dan timmerman

De eerste huizen in de straat (Vondelstraat 2-34; voor het gemak hanteren we hier de sinds 1875 geldende nummering) dateren uit 1866. Ze werden gerealiseerd door de nieuw opgerichte firma Hartgerink & Overeem. Die begon met het bouwen van de kantoorvilla op de Singelweg, mogelijk naar een ontwerp van haar woordvoerder Redeker Bisdom. Die villa werd omstreeks 1925 afgebroken voor de bouw van het pand van de (protestantse) Amsterdamsche Maatschappij voor Jonge Mannen (AMVJ), in later jaren vooral populair door zijn intieme zwembad bovenin het pand. Tussen 1984 en 1987 werd het AMVJ-gebouw verbouwd tot het Golden Tulip Barbizon Centre Hotel. In de straat daarachter verschenen aan de noordzijde zeventien huizen en aan de overkant nog een enkele villa. In totaal ging het om vijf clusters van drie tot vier gebouwen, die afwisselend uit enkele en dubbele woningen bestonden. De eerste vier panden kregen dubbele beneden- en bovenwoningen, met een uitbouw aan de achterzijde. Bij de benedenwoningen bevatte die een kelder, keuken en logeerkamer, bij de bovenwoningen alleen een keuken en een logeerkamer. Aan de plattegronden is te zien dat de huizen vanaf nummer 12 wat smaller worden en dat het plaatsje is vervangen door een ‘modernere’ veranda.

Van de zeventien huizen die Hartgerink en Overeem aan denoordzijde van de Vondelstraat bouwden - tien enkele en zeven dubbele - werden er zeven aan particuliere bewoners verkocht en acht aan beleggers; twee van de huizen behielden de firmanten zelf. De beleggingspanden kwamen in handen van drie investeerders: de koopman H.F. Jansen kocht er vijf, de bontwerker Carel Volk twee en de leraar Frans Roeff één. Jansen was koopman in tapijten en ameublementen, decorateur en behanger in de Kalverstraat; vanwege zijn beroep had hij affiniteit met ruime nieuwbouwwoningen. Volk had een bontzaak op het Koningsplein, die door zijn zoon werd gedreven. Hij woonde in de Plantage en kende dus zelf het wooncomfort van de nieuwe buurten. Roeff was leraar wis- en natuurkunde aan een particuliere school op de Prinsengracht. Hij kende Overeem omdat hij, samen met Volk en nog een derde partij, in 1869 een paar door Overeem op de Elandsgracht gebouwde panden had gekocht.

De nummers 36-48 werden uitgevoerd door Cuypers. Deze huizen hadden een heel ander voorkomen dan die van de ambachtelijke timmerlieden Hartgerink en Overeem. Die hadden traditiegetrouw steeds een aantal individuele, min of meer gestandaardiseerde huizen naast elkaar neergezet, die alleen in details en hoogte van elkaar verschilden. Van dergelijke eenvormige panden zouden er in de tweede helft van de 19de eeuw duizenden worden gebouwd. Cuypers daarentegen, geen timmerman maar architect, bouwde zijn huizen volgens originele ontwerpen. Hij bundelde ze tot een architectonische eenheid, maar onderling verschillen zij juist nogal erg van elkaar in stijl. Voor tijdgenoten, nog niet gewend aan de exuberante vormen die zich later in de bouwkunde zouden manifesteren, moet dit een nogal revolutionaire aanblik hebben geboden.

Cuypers begon met het bouwen van Vondelstraat 40 en 42. Op 13 augustus 1867 werd de eerste steen gelegd; die is nog steeds te zien. In april 1870 waren de nummers 36-38 gereed, evenals 44-48. Het eerste en het laatste van al deze huizen behield Cuypers zelf, de vijf tussenliggende panden werden eigendom van zijn zaakwaarnemer, de koopman B.J. Sterck (een oom van de latere bekende literator en Vondel-kenner J.F.M. Sterck).

Hierna werd Cuypers zozeer in beslag genomen door nieuwe projecten – zoals het nieuwe Rijksmuseum en de spectaculair op de zichtas van de Vondelstraat geplaatste Vondelkerk – dat hij de verdere ontwikkeling van de noordkant van de straat overliet aan de ambachtelijke bouwers die aan het begin van de straat waren begonnen. De kavels waarop de huizen zouden worden gebouwd, verkocht hij grotendeels door aan bekenden, waaronder zijn compagnons Westerwoudt (54-58) en Van den Biesen (60), alsmede een oudere broer van de laatste (50-52). De huizen werden uitgevoerd in Cuypers’ stijl.

Cuypers bouwde intussen aan de overkant het statige cluster Vondelhoven (Vondelstraat 3-7; in 1972 afgebroken voor de bouw van het Marriott Hotel). Hier kregen de huizen trotse renaissance-trapgevels en decoratieve windvanen. Cuypers’ decoratieschema richtte zich nu op de naamgevers van de straat. Hij sierde de gevel onder meer met portretten van Vondel, diens dochter Anna en Maria Tesselschade.

Van de 51 huizen die aan de noordkant werden gebouwd (de villa aan het begin bij de Singelgracht niet meegeteld), werden er 37 (70%) door de ‘eigenbouwers’ gerealiseerd en 16 (30%) door Cuypers en zijn compagnons.

Voorbij de Constantijn Huygensstraat waren toen al de eerste huizen verrezen. Alle grond daar was eigendom van Van den Biesen. Deze had in 1864, vlak voordat Cuypers zijn theetuin had gekocht, een groot huis laten bouwen aan de Overtoom. Daarna had hij voortdurend weide-, moes- en hooilandjes bijgekocht. Ook het terrein waarop Cuypers zijn Vondelkerk bouwde, was bijvoorbeeld van hem.

Twee huizenblokken in deze rij verdienen speciale vermelding. Allereerst het dubbelpand nummer 80, dat gebouwd werd voor de koopman J. Regtdoorzee. Het is een van de mooiste huizen aan deze kant van de straat en waarschijnlijk het enige dat door een architect is ontworpen. Hier zetelde in de jaren twintig van de afgelopen eeuw het Gebouw voor Beeldende Kunst, een van oorsprong katholieke instelling die tentoonstellingen en workshops voor kunst en kunstnijverheid organiseerde, met werk van onder anderen Sluijters, Toorop, Wiegman en Van Gogh. Aan Vondelstraat 88-92 is juist weer duidelijk te zien dat de bouwer (Stokvis) een metselaar was: alle ornamentiek bestaat uit metselwerk, alsof het een meesterproef van de bouwer betreft.

De bewoners van het eerste uur

Wie waren nu de allereerste burgers, de pioniers die als eersten de stad verruilden voor een nieuwbouwhuis in de banlieu? Waar kwamen zij vandaan, hoelang woonden zij in de Vondelstraat en tot welke sociale klasse behoorden zij?

Een aantal van hen is al aan de orde gekomen: de bouwers en projectontwikkelaars met hun familie en kennissen. Vaak gingen deze huizenbouwers, de timmerlieden en metselaars, financierders en soms ook makelaars zelf in de nieuwe huizen wonen, mogelijk als die niet meteen verkocht of verhuurd konden worden.

Van de 68 hoofdbewoners die een nieuwbouwhuis aan de even zijde van de Vondelstraat betrokken, kwamen er 49, dus een kleine driekwart, uit Amsterdam, waarvan zeventien op de Heren- of Keizersgracht hadden gewoond. Van deze 49 keerden er later maar elf naar de stad terug, terwijl 24 (meer dan tweemaal zoveel) hierna naar een andere woning in de periferie verhuisden - een bewijs dat het wonen in een buitenwijk goed was bevallen. Eigenaren/bewoners en huurders woonden gemiddeld acht jaar in hun nieuwe onderkomen.

Veertig procent van de hoofdbewoners had een beroep in de handel of industrie, zoals koopman, commissionair, assuradeur en fabrieksdirecteur. Er woonde bovendien een fotograaf (de bekende P.A. Mottu uit de Kalverstraat die duizenden Amsterdammers heeft geportretteerd), een kok, een kapitein en een dokter. Deze laatste (G.D.L. Huet) had zijn bezigheden in het nabijgelegen Buitengasthuis achter de Overtoom (later het Wilhelminagasthuis, waarvan hij directeur was).

Een groot deel van de eerste bewoners behoorde tot respectabele, oude Amsterdamse families, zoals Boissevain, Calkoen, Moltzer, Hooft, Bunk en Van Vollenhoven. Opvallend is dat er van sommige families verschillende leden in de straat woonden. Zo vestigde de procuratiehouder M.J. Boissevain zich in oktober 1867 op nummer 4, verhuisde hij ruim een jaar later naar nummer 12 en betrok hij in oktober 1872 in nummer 54. Zijn vader kwam in april 1870 te wonen op nummer 38, terwijl zijn broer, de bankier A.A.H. Boissevain, in november 1873 in de buitenste helft van de villa trok (nummer 18). Een andere broer ging in april 1870 naast zijn vader wonen op nummer 36. In november 1872 nam de kantoorbediende J.P. Boissevain zijn intrek in een huis aan het eind van de straat, en diens zuster betrok in juni 1871 Vondelstraat 3.

Onder de bewoners van het eerste uur bevonden zich talrijke markante personen. Vermeldenswaard is de architect H.P. Berlage, die in mei 1870 als vijftienjarige jongen op nummer 34 kwam te wonen en zodoende vijf jaar lang de bouwactiviteiten in de straat van dag tot dag heeft kunnen volgen. In het bovenhuis van nummer 72 woonde van 1908 tot 1920 de sociaal bewogen dominee J.C. Sikkel, wiens vrienden na zijn dood een gedenkplaat met een portret in de gevel lieten aanbrengen (aan de kant van de Constantijn Huygensstraat). Op nummer 78 woonde de mecenas W.F. Willink van Collen, die een fonds aan de Maatschappij Arti et Amicitiae naliet dat tot de dag van vandaag prijzen uitreikt aan jonge kunstenaars. Hij verhuisde enkele jaren later naar de overkant, naar een villa aan het park (nummer 21). Het grote huis van Regtdoorzee op nummer 80 herbergde, zoals gezegd, in de jaren twintig van de vorige eeuw het Gebouw voor Beeldende Kunst. De zakenman Barend de Bont, een figuur uit de kring van Cuypers die nauw was betrokken bij de emancipatie van de katholieken in de tweede helft van de 19de eeuw, streek eind jaren zeventig neer op nummer 98. Het huis daarnaast (100) was gekocht door de bekende dichter-dominee J.J.L. Ten Kate, wiens stichtelijke lectuur bij tijdgenoten uiterst populair was. Met zijn groeiende gezin zal hij hier meer ruimte hebben gehad dan op zijn oude woonadres aan de Nieuwezijds Voorburgwal.

De bouw en bewoning van de Vondelstraat vanaf 1866 luidde het begin in van de grootscheepse Amsterdamse stadsuitbreidingen buiten de 17de-eeuwse omwalling aan het eind van de 19de eeuw. Talrijke nieuwe woonwijken zouden er nadien ontstaan, zoals de Indische buurt, de Pijp, de Concertgebouwbuurt en de Kinkerbuurt. De initiatiefnemers speelden in op de ontluikende trend bij de bevolking om een landelijke omgeving te prefereren boven de stank en drukte van de overvolle stad. Met succes, want leegstand is vrijwel niet voorgekomen; bovendien hebben de bouwers na de bouw van het eerste blok voortdurend leningen kunnen afsluiten voor de financiering van de rest van de straat. Zij hadden hun tijd dan ook mee.

Literatuur

H. Schijf, ‘Bewoners in een deftige straat’, in Ons Amsterdam september 1980.
H. Schijf, ‘Niet aan de gracht en toch op stand. Wonen rondom het Paleis voor Volksvlijt’, in Ons Amsterdamjuni 1989.
M. de Roever, 'Het begin van de Vondelstraat', in Maandblad Amstelodanum, januari 2002.
M. de Roever, 'In het kielzog van Cuypers', in Historisch Tijdschrift Holland, maar 2001.

Delen:

Jaargang:
2002 54

Gerelateerd

Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het... Amstelbocht, 30 juli 1650. Stadhouder kon stad niet verrassen
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Hier gebeurde het… Haarlemmertrekvaart, 20 september 1839
Hier gebeurde het… Haarlemmertrekvaart, 20 september 1839
Hier gebeurde het 10 juni 2011
Rood Amsterdam in zwart-wit
Rood Amsterdam in zwart-wit
16 december 2002