De ‘opmerkelijke notities’ van Jacob Bicker Raye

De polsslag van de stad

Een onopvallende ambtenaar. Baantje op het stadhuis, sinecure ernaast. Een aanstelling als kapitein van de schutterij. Twee keer getrouwd, geen kinderen. Jacob Bicker Raye (1703-1777) leefde geen opmerkelijk leven. Hij verwief faam lang na zijn dood, dankzij het dagboek dat hij naliet.

Dat staat vol “opmerkelijke notities” die het Amsterdamse straatleven in de 18de eeuw weergeven. Met ingang van dit nummer publiceert Ons Amsterdam maandelijks enkele passages uit het dagboek, maar eerst: wie was deze man en waarom maakte hij 40 jaar lang notities in zijn ‘nieuwspapier’.

De levensloop van Bicker Raye is bekend uit het dagboek waar hij zijn roem aan dankt. Veertig jaar lang, van 1732 tot 1772, bracht Bicker Raye verslag uit van het “merckwaardigsten mijn bekent dat er is voorgevallen binnen de stadt Amsterdam”. Het resultaat is geen egotrip geworden, maar een verslag van de polsslag van de stad. Zelf sprak Bicker Raye ook niet van een dagboek, maar van een ‘nieuwspapier’. Privé-berichten deed hij af alsof het om een ander ging: de dood van zijn vrouw met zes regels; zijn tweede huwelijk met drie.

Sla het dagboek open en een stoet dieven en moordenaars, hoeren en klaplopers, fraudeurs en messentrekkers trekt voorbij. Bij Bicker Raye is Amsterdam een stad vol geweld en ongelukken. Wapens zijn snel getrokken en alles wat mis kan gaan, gaat mis: mensen die de gracht invallen, bruggen die instorten, kanonnen die zomaar afgaan. Twee maal per jaar worden de gepleegde misdrijven van overheidswege publiekelijk vergolden. Duizenden bezoekers trekken dan naar de Dam om zich te vergapen aan het uitdelen en uitvoeren van straffen, variërend van radbraken en ophangen tot brandmerken en geselen.

Bicker Rayes dagboek toont Amsterdam van zijn zwartste kant. Koel worden de feiten genoteerd: datum, beschrijving, zelden een oordeel. Drie voorbeelden ter illustratie:

“16 juli 1732. Voer er een hooischip door een brug in de Jodenhoek. Toen de schipper daar niet heel snel door kon komen, kwamen er een paar smousen [Duitse joden - MB] met brandende pijpen in de mond het hooischip op. De schipper, die dit wilde beletten, werd van de wal door enkele smousenjongens met stenen bekogeld. Een burgerman die dit alles zag, greep in en gaf een jongen een lap aan het oor, waarna er vijf of zes smousen kwamen toeschieten die deze man onder de voet wierpen en hem eerst afgrijselijk sloegen en vervolgens verscheidene trappen op de borst gaven waaraan hij terstond is gestorven. Ze hadden zijn hart te barsten getrapt.”

“17 december 1755. Hebben er zes vrouwlui die brutale hoeren waren, en twee kerels van wie de een met twee vrouwen getrouwd was, op de kaak gestaan. Het ene vrouwmens lichtte toen ze weer naar het stadhuis werd gebracht haar rokken zo hoog op dat alle toekijkers haar blote billen konden zien.”

“10 januari 1757. Sinds nieuwjaarsdag heeft het zo buitengewoon hard gevroren dat alle wateren, zoals het IJ, de Buitenamstel, en de grachten in de stad, sinds de achtste dezer met paarden en sleden bereden worden. Door de strenge winter die bijna onverdraaglijk is geweest zijn er veel ongelukken gebeurd. Zoals bij een arme vrouw die met een klein kind op de arm liep te bedelen; het kind had gepist, en het water was langs de kousjes gelopen die aan de beentjes waren vastgevroren. De vrouw verzocht om een beetje warm water om de beentjes te ontdooien, maar toen ze de kousjes wilde uittrekken bleef al het vel eraan zitten.”

En zo gaat het door, bladzijde na bladzijde. Rond de 3000 moet Bicker Raye er in de loop van veertig jaar hebben neergepend - voor de helft nieuwsberichten, voor de andere helft familieberichten, meestal over voorname Amsterdammers. Zijn beweegredenen om dat alles op te schrijven zijn niet bekend. Of er mensen waren die meelazen evenmin. Maar dat hij ooit nog versleten zou worden voor de stadschroniqueur van het 18de-eeuwse Amsterdam, dat er honderdduizenden mensen kennis zouden nemen van zijn werk (onder meer via Geert Mak die er gretig uit heeft geciteerd in zijn Kleine geschiedenis van Amsterdam), dat moet zijn voorstellingsvermogen te boven zijn gegaan.

Waar Bicker Raye zijn informatie vandaan haalde, is niet duidelijk. Het meeste is in elk geval afkomstig uit de tweede hand. Er is wel gesuggereerd dat hij zijn licht opdeed op de Garnalendoelen op het Singel, zijn sociëteit, maar dat kan niet zijn enige bron zijn geweest, want ook als hij stijf staat van de jicht weet hij het laatste nieuws te vergaren. Bicker Raye is kritisch op zijn bronnen en niet te beroerd zichzelf te corrigeren. Bij echt sterke verhalen lees je soms ook tussen de regels door de twijfel van de schrijver.

Wie het dagboek achter elkaar leest, krijgt een uiterst somber beeld van de stad voorgeschoteld. Maar wie zich realiseert dat die 500 handgeschreven pagina’s een periode van 40 jaar omspannen, wordt gedwongen tot nuance. Hoe representatief is dit dagboek eigenlijk? Een dagelijks nieuwsbulletin is het niet; slechts een of twee berichten per week noteerde Bicker Raye. Historici hebben hem wel sensatiezucht verweten en een gebrek aan belangstelling voor kunst en wetenschap - alsof de kranten daar destijds vol van stonden. Waar het Bicker Raye om was te doen, was het gesprek van de dag, de nieuwtjes die als een lopend vuurtje door de stad gingen.

Dan ligt een nadruk op moord en doodslag voor de hand, maar in wezen interesseerde hij zich voor alles wat de alledaagsheid ontsteeg: of het nu het weer betrof, een aangespoelde walvis, of een lamme vrouw die als door een wonder weer kon lopen. En daarbij had hij wel degelijk oog voor milddadigheid en naastenliefde. Hij heeft warme woorden over voor dokter Pingree, die de armen gratis hielp en zelfs van soep voorzag. Hij is vol lof over de rijke heer Rutgers, altijd nederig gekleed in een armoedige japon met een vervallen pruik, bij wie geen bedelaar vergeefs aanklopte. En hij toont diep ontzag voor burgemeester Geelvinck, die zich op zijn sterfbed tegen het bezweren van de dominee in met zijn laatste krachten van zijn bed oprichtte om te knielen en zijn Heer te dienen.

De grote kracht van Bicker Raye is de directheid, het achteloze gemak waarmee hij ons zijn wereld binnentrekt. Soms zit dat al in een formulering. Dan schrijft hij over de stukken vlees die een zieke man als “hoendereieren” van het lijf vallen. Of over een man die van zijn vrouw te lijden heeft “als winterkoren op het veld”. Maar het mooiste zijn toch die passages die tussen de regels door een glimp laten zien van dat verloren Amsterdam van de 18de eeuw. Waar mensen ’s zomers buiten voor hun deur zitten te slapen. Waar jongetjes de waterkant afstropen op zoek naar groene blaadjes voor hun konijn. En waar het dragen van pruiken zo vanzelfsprekend is, dat een dief die blootshoofd vlucht het vermelden waard is.

Een unieke ‘stadskronyk’

Wie is de schrijver van dit unieke dagboek? Wat is er bekend over deze doodgewone Amsterdammer die dankzij zijn notities een eeuw na zijn dood alsnog aan de vergetelheid zou worden ontrukt? Jacob Raye - de naam Bicker zal hij later aannemen - wordt op 15 augustus 1703 geboren als tweede zoon van Jan Raye en Aletta Bicker. Zijn ouders, beiden gelieerd aan de Amsterdamse regentengeslachten, zijn vijf jaar daarvoor van Amsterdam naar Maarssen verhuisd. Ze leiden er een renteniersbestaan zonder een rol te spelen in het openbaar leven. Nadat vader Jan in 1712 is overleden, zorgt zijn moeder in haar eentje voor het gezin.
Voor Jacob is een ambtelijke loopbaan in Amsterdam weggelegd. Kort voor zijn 20ste wordt hij benoemd tot collecteur van de accijns op turf en kolen. Zes jaar later promoveert hij tot boekhouder van het koornboek. Het betreft hier geen sinecures, maar ambten waarvoor gewerkt moet worden. In 1728 trouwt Jacob met Sophia Maria Goessens, de dochter van een rijke koopman. Het huwelijk blijft kinderloos en als Sophia in 1733 sterft blijft Jacob alleen achter.

Drie jaar later bereikt Bicker Raye zijn maatschappelijk hoogtepunt. In 1736 wordt hij niet alleen benoemd tot kapitein van de burgerij, maar ook tot afslager van de Oude Vismarkt. Het is het oude baantje van zijn broer, die tot hogere ambten is geroepen en gouverneur van Suriname wordt. Jacob krijgt de functie toegespeeld door burgemeester Balthasar Scott, een neef van zijn moeder, die hij er eeuwig dankbaar voor zal zijn. Want dit is een baan waar geen inspanningen aan kleven, maar louter inkomsten. Het werk wordt opgeknapt door een substituut. Jacob geeft het volgende verslag van zijn eerste werkdag: “20 februari 1736 heb ik mijn intree gedaan op de Vismarkt als afslager en heb ik zelf een schuit vis afgeslagen, op verzoek van de jonge visvrouwen, die te mijner eer het kantoor en een gedeelte van de markt heel sierlijk met groene palm en andere sieraden hadden opgeschikt, waarna ik ze vriendelijk heb bedankt met een stuiver geld om eens op mijn gezondheid vrolijk te zijn.”

Jacob woont op stand, achtereenvolgens op Keizersgracht 251, Herengracht 607, de Amstel en de Reguliersgracht. Op de laatste drie adressen samen met zijn moeder, bij wie hij na de dood van zijn vrouw is ingetrokken. Wanneer die in 1755 sterft, 83 jaar oud, verhuist hij naar de Warmoesstraat - naar de buurt van Lucretia Otterbos, zijn latere vrouw, die dan net weduwe is geworden. Ze hebben al enkele jaren een relatie als ze in 1764 trouwen. Jacob is dan 60 jaar oud. Zijn gezondheid laat inmiddels te wensen over; hij heeft last van podagra, jicht die pijn veroorzaakt in de voet. Werken doet hij niet meer. Weliswaar staat hij tot zijn dood toe te boek als afslager van de vismarkt en boekhouder van het koornboek, maar in 1763 heeft hij toestemming gekregen ook het tweede ambt door een waarnemer te laten vervullen. Voor zijn post als kapitein van de schutterij heeft hij tijdens de politieke troebelen van 1748 bedankt, toen het Amsterdamse bestuur door stadhouder Willem IV werd gezuiverd.

In de laatste jaren van zijn leven is Jacob in verband met zijn gezondheid ’s zomers veel buiten te vinden, in Maarssen, de streek van zijn jeugd. Waarschijnlijk heeft zijn conditie een rol gespeeld bij het abrupte einde van zijn dagboeknotities in 1772. Op 1 december 1772 schrijft hij zijn laatste bericht, een benoeming te Maarssen, waarna hij het boek zonder omhaal van woorden sluit. Vijf jaar later, op 18 juni 1777, overlijdt hij in Amsterdam. Jacob Bicker Raye wordt in Maarssen begraven.

Wat er na Bicker Rayes dood met zijn dagboek is gebeurd is niet bekend. In zijn boedelpapieren wordt het niet vermeld. In 1866 duikt het dagboek op in de nalatenschap van een Haagse boekhandelaar, waarna het Amsterdamse archief het voor een tientje weet te verwerven. Waar een dergelijke bron vol klein nieuws tegenwoordig door historici als een kleinood wordt gekoesterd, had men vroeger, toen geschiedenis nog draaide om grote namen, meer reserves. De rijksarchivaris L.Ph.C. van den Berg omschreef het dagboek bij aankoop als “een soort van nieuwspost of stadskronyk, waar men doch veel vindt, wat nergens anders vermeld wordt, maar ook veel, wat zonder schade onvermeld had kunnen blijven”. Historica Leonie van Nierop, die in de jaren dertig van de 20ste eeuw een artikelenreeks aan Bicker Raye wijdde, dacht er hetzelfde over. Zij meende dat de taaiheid, de droogheid en de humorloosheid van het manuscript - het laatste wat we Bicker Raye tegenwoordig zouden verwijten - de volledige uitgave ervan in de weg stonden.

Daaraan hebben de bezorgers van het dagboek, Fr. Beijerinck en M.G. de Boer, die in 1935 tekenden voor de enige uitgave van Bickers Rayes werk tot nog toe, zich dan ook niet gewaagd. In plaats daarvan hebben ze het onzalige plan opgevat een selectie eruit in eigen woorden na te vertellen, waardoor juist de grootste kracht ervan, de aanraking met het verleden, verloren is gegaan. Ook Beijerinck en De Boer delen in de ambivalentie ten aanzien van het dagboek en vragen zich zelfs af of het überhaupt het uitgeven waard is. Om na een opsomming van Bicker Rayes talrijke gebreken tot de volgende slotsom te komen: “Maar aantekeningen als die, welke hij ons heeft nagelaten, komen zoo spaarzaam voor en zij werpen een zoo eigenaardig licht op het dagelijksche leven van zijn stadgenooten, van de voornaamsten tot de geringsten, dat zij daarom alleen reeds de aandacht verdienen.”

Tekst: Machiel Bosman
Januari 2007

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Januari
Jaargang:
2007 59
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1700-1800