De Nieuwe Kerk gekraakt, 6 januari 1886

Gewapend met allerlei inbrekerswerktuig toog op woensdag 6 januari 1886 een groepje “mannenbroeders” naar de Nieuwe Kerk. Abraham Kuyper, voorman van de rechtzinnigen onder de hervormden, had de leiding. De mannen wilden zich meester maken van de ruimte waar de eigendomsbewijzen van de kerkelijke goederen lagen. Het ging om de consistoriekamer, de vergaderruimte van de stedelijke kerkenraad. Die bevond zich in het bijgebouw rechts van de ingang, waar nu de kalkstenen aanbouw staat met daarin het Nieuwe Kafé. De kraak slaagde en ze zouden de bezetting een jaar lang volhouden.

Al tientallen jaren was er een conflict binnen de hervormde kerk tussen de vrijzinnigen (“modernisten”) en de orthodoxen. Een groot deel van het kerkvolk - dat het door de gevolgen van de Industriële Revolutie toch al moeilijk had met het verlies van allerlei zekerheden - wilde vasthouden aan de oude fundamentalistische waarden. Abraham Kuyper werd hun geniale leider. In 1870 was hij in Amsterdam predikant geworden, maar vier jaar later had hij dat ambt neergelegd, want hij hoopte als politicus en journalist meer invloed te kunnen uitoefenen. Als lid van de kerkenraad bleef hij leiding geven aan de groeiende groep die zich keerde tegen de modernisten in de kerk.

In 1886 was de kerkenraad voor twee derde op de hand van Kuyper. Bij de predikanten lagen de verhoudingen anders: de meerderheid was het weliswaar inhoudelijk grotendeels met hem eens, maar wees de methoden af waarmee hij zijn doel wilde bereiken. In hogere kerkelijke bestuursorganen was de weerzin tegen het conflictmodel van Kuyper nog groter.

De vrijzinnigen buitenspel

Kuyper was een goed organisator en had de rechtzinnige gelovigen hun eigen krant, politieke partij en universiteit gegeven. Nu wilde hij de vrijzinnigen buitenspel gaan zetten. In het najaar van 1885 besloot de kerkenraad om jongeren die bij vrijzinnige predikanten in de leer waren geweest, niet aan te nemen als lidmaat der gemeente. Een grote misstap, vond het regionale kerkbestuur. Het vernietigde het bewuste besluit en schorste 80 van de 110 kerkenraadsleden, namelijk iedereen die voor het gewraakte besluit had gestemd. De dag erop sloegen de geschorsten terug met de bezettingsactie van de Nieuwe Kerk. Was de stem van de meerderheid, die bezield was van het “ware geloof” – daar waren ze heilig van overtuigd – niet belangrijker dan die van een elitaire club van bestuurders die afgedwaald waren van de heilsweg? Moesten ze zich de streken laten welgevallen van ds. G.J. Vos, die als secretaris van het regionaal kerkbestuur een publicitair tegenoffensief had ingezet?

De kerkenraadsvoorzitter, ds. A.J. Westhoff, had de bui al zien hangen en had direct na het schorsingsbesluit de deur van de consistoriekamer laten versterken met ijzeren panelen en twee nieuwe sloten. Bovendien had hij twee potige broeders, P. Smit en W.R. van Oostendorp aangesteld om de zaak te bewaken. De volgende morgen om acht uur verschenen de VU-hoogleraren dr. A. Kuyper, jhr.mr. A.S. de Savornin Lohman en dr. F.L. Rutgers bij de Nieuwe Kerk, in gezelschap van bierbrouwer W. Hovy (van De Gekroonde Valk op de Hoogte Kadijk) en diens werklieden Klaas Kater en Bart Poesiat. Dat waren de voormannen van het Nederlands Werkliedenverbond Patrimonium. Verder was ex-brandmeester Meijer van de partij. Koster J. Karres, die boven de consistoriekamer woonde, liet ze de kerk in. Voor hem was het heel verwarrend, want Rutgers was tot de vorige dag als president-kerkvoogd nog zijn baas geweest. Bij de deur naar de consistoriekamer werden ze tegengehouden door de twee mannen die ds. “Woesthoff” (zoals de Kuyperianen hem noemden) daar had geposteerd. Die riepen de hulp van de politie in. De agenten, verlegen met de zaak, haalden er een inspecteur bij. Deze Marchand wist het ook niet en stelde voor om naar de commissaris te gaan. Rutgers ging mee en vroeg assistentie om de twee “inbrekers”, zoals hij de mannen van Westhoff noemde, te verwijderen. (Hij erkende zijn schorsing als kerkvoogd niet en was zijns inziens dus nog steeds de baas in het kerkgebouw). De politie moest optreden “omdat Rutgers een bloedbad tegemoet zag,” schreef commissaris Stork in het proces-verbaal. Stork en Marchard gingen mee naar de Nieuwe Kerk. Daar bleken nog twee juristen te zijn gearriveerd, mr. W. Heineken en mr. Th. Heemskerk, de latere minister-president. Allen praatten op de commissaris in, die koppig volhield dat de overheid bij deze kerkelijke twist afzijdig moest blijven. Vooral Lohman, kamerlid en later minister van Binnenlandse Zaken, wond zich op over dit standpunt. Ten slotte verlieten de commissaris en de inspecteur de kerk, met in hun kielzog de twee geïntimideerde bewakers. Die hadden Storks verzoek om maar weg te gaan om de lieve vrede te bewaren opgevat als een bevel.

Fatale broederstrijd

Nu was de weg vrij om de deur te forceren. Kuyper schijnt het voortouw te hebben genomen, toen er enige schroom bij de aanwezigen bleek te zijn om daadwerkelijk tot actie over te gaan. Kater, wiens atletische gestalte de commissaris als opgevallen was, maakte het karwei af. Hun daad zou de geschiedenis ingaan als de “paneelzagerij”, hoewel er feitelijk geen zaag aan te pas gekomen is. Na een jaar vertrokken de “krakers” - VU-studenten hadden al snel de plaats van hun hoogleraren ingenomen – om een juridische oplossing van het conflict mogelijk te maken. Toen ook de Hoge Raad Kuyper c.s. in het ongelijk stelde, was de breuk in de hervormde kerk een feit. De “doleantie” (van het Latijnse dolere, dat “smart hebben” betekent) zou leiden tot de Gereformeerde Kerken in Nederland. Van de Amsterdamse Hervormde gemeente scheidde zich toen 25000 van de 155000 lidmaten af. Inmiddels is sinds een jaar of vijftien een proces van toenadering tussen de kerkgenootschappen op gang gebracht, onder de noemer van Samen-op-Weg. De erfgenamen van degenen die het in 1886 wel eens waren met Kuypers ideeën, maar die toch de Hervormde Kerk trouw bleven, liggen nu in dat proces het meeste dwars.

De gehavende “deur van Kuyper” heeft nog 75 jaar in het bijgebouw van de Nieuwe Kerk gezeten, bewust gehandhaafd als lidteken van de pijnlijke kerkscheuring. Rond 1930 deden de predikanten A.H. den Hartog en M. de Vrijer het voorstel om “die wrange heugenis aan de fatale broederstrijd” uit te wissen, maar daar gingen de kerkvoogden niet op in. In 1961 werd het neogotische wangedrocht afgebroken dat vader en zoon Hamer in 1860 naast de kerkingang hadden doen optrekken. In het kader van de restauratie van de kerk die tussen 1959 en 1980 onder supervisie van prof.ir. C. Wegener Sleeswijk plaatsvond is het gebouwtje waar de deur inzat, gesloopt en vervangen door het zandstenen gebouwtje dat nu een horecafunctie heeft. De deur belandde op een zolder, maar is daar in 1979 weer vandaan gehaald om een plaats te krijgen in de vaste collectie van het Catharijneconvent te Utrecht.

Beeld: De Nieuwe Kerk, circa 1867. Stadsarchief Amsterdam

Tekst: Marius van Melle en Niels Wisman

Mei 2002

 

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Religie
Editie:
Mei
Jaargang:
2002 54
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1800-1900