De komst van het gemeentelijk abattoir

Bloederig water en stinkend bloed

Herrie, stank en smerigheid waren voor 19de-eeuwse Amsterdammers de dagelijkse realiteit. Een belangrijke bron van al die overlast waren de vele slachterijen midden in de binnenstad. Begin jaren 1870 besloot de gemeente dat het tijd was voor verandering: het was tijd voor een abattoir.

In de nazomer van 1872 trok er een commissie bestaande uit de heren Cornelis Heynsius, Abraham Israëls, Gerard Allebé en Derk Pas door de binnenstad van Amsterdam. Drie artsen en een apotheker. Bij Looiersgracht 420 hielden ze halt. Het adres van ‘slachter en bloedbereider’ J.C. Mann. Sinds jaar en dag hield hij zich hier bezig met “een belangrijken handel in bloed”. Klachten van buurtbewoners hadden de commissie ertoe gebracht om de praktijk met eigen ogen te aanschouwen. Het bleef niet bij ‘kijken’ alleen. De gang naar de bloedbewaarplaats was bevuild met allerlei smerigheden en zo duister dat de commissieleden op de tast hun weg moesten vinden. Eenmaal in de bergplaats aangekomen werden zij verwelkomd door een “walgelijken bloedstank” afkomstig van de “steenen vloer met bloederig water er tusschen” en “een vat met gistend bloed”. De slachter erkende het bloed “’s winters 6 of 7 weken te bewaren, des zomers uiterlijk 14 dagen”. In een hoekje lagen bloedaders van een week oud te rotten. Een commissielid merkte op dat “overblijvend bloedwater door ’t riool in de gracht” afliep. 

Slachten gebeurde in het 19de-eeuwse Amsterdam nog volgens de eeuwenoude praktijk: op straat of in het huis van een slachter. De overlast was groot. De Amsterdamse Gezondheidscommissie gaf op 4 juli 1872 de Geneeskundige Raad der Provincie Noord-Holland de opdracht enkele slachterijen en bloedbereid- en bloedbewaarplaatsen te onderzoeken en hun bevindingen vast te leggen in een verslag. Deze raad stelde een commissie aan om de slachtplaatsen te keuren.

De vier heren rapporteerden dat er in 1872 nog 285 slachterijen in de stad waren: 154 ‘vleeschhouwerijen’, 129 varkensslachterijen en twee paardenslachterijen. Aan deze slachterijen zat een hele industrie vast. Er waren natuurlijk de vleeshandels, de vetsmelterijen en de leerlooierijen. Een bijzonder metier was dat van de bloedbereiders: zij zuiverden runderbloed voor de suikerindustrie om suiker mee te raffineren.

Het hele artikel lezen? Je vindt het in ons Oktobernummer. 

Dit nummer niet missen? Word voor vrijdag 20 september 16:00 abonnee, dan ontvang je het thuis.
Profiteer van 50% introductiekorting én welkomstcadeaus

MELD JE NU AAN!

Beeld:

Ingang Veemarkt, gezien vanuit het Restauratiegebouw (Veemarkt 83-95) naarde woningen van de pachter (links) en de marktmeester (rechts). Op de achtergrond: boerderijen in de Zeeburgerpolder en het administratiegebouw van de Spoorwegen in de Stadsrietlanden.

Jacob Olie, 1890, Collectie Stadsarchief

 

Delen: