De kelder van Rembrandt

Rembrandt verhuurde zijn kelder voor de opslag van tabak. Daar kwam gedoe van, en zelfs een opstootje.

Rembrandt van Rijn trok omstreeks 1631 in bij kunsthandelaar Hendrick Uylenburg, op de hoek van de Zwanenburgwal en de Jodenbreestraat. Hij bleef er tot 1635 en moet er onder meer Marten en Oopjen hebben geschilderd. In 1638 verhuisde Uylenburgh en verkocht het pand met atelier aan Nicolaes Pickenoy. In 1639 kocht Rembrandt het huis ernaast: Jodenbreestraat 4, nu het Rembrandthuis. 

De buurt was in die jaren centrum van de Amsterdamse kunstmarkt; de schilders Pieter Lastman, Nicolaes Eliasz. Pickenoy, Pieter Codde en Cornelis van der Voort hadden vlakbij hun werkplaatsen. De Jodenbreestraat – toen al zeer multicultureel – was echter ook een centrum van de tabakshandel.  

Er woonden verschillende vooral Portugese tabakshandelaren, die de verslavende bladen importeerden uit Noord- en Zuid-Amerika. In de straatjes op Vlooienburg waren diverse tabaksspinnerijen te vinden waar de bladeren tot bruikbare pijptabak werden ‘gesponnen’. Veel arme migranten, mannen en vrouwen, vonden hier werk. Rembrandt zou een extra cent verdienen door zijn kelder als opslag voor tabak te verhuren.  

Betalingsconflict 
Een bekende koopman in tabak en andere koloniale waar, zoals suiker en indigo, was de Portugese Daniël Pinto, sinds de jaren 1630 actief in Amsterdam. In 1645 kocht hij voor 9000 gulden het huis op de hoek van de Jodenbreestraat waar eerst de kunsthandel van Uylenburgh en het atelier van Rembrandt zaten.   

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Abonneer je Arrow right Geef cadeau Arrow right

Pinto ging in het hoekhuis wonen met zijn jonge gezin; zijn dochter Sara was een meisje van twee of drie, zijn zoon Moses zou er worden geboren. De kelder gebruikte hij om tabak op te slaan, en voor dat doel huurde hij ook een deel van de kelder van zijn schilderende buurman. Het andere deel van Rembrandts kelder werd gehuurd door de broers Jacob en Samuel Pereira, die aan de overkant van de straat woonden. 

Over deze twee tabakskelders zijn diverse notariële akten bewaard. Ondanks de huurovereenkomst stond Rembrandt kennelijk op niet al te beste voet met zijn Portugees-Joodse buurman. In de jaren dertig van de vorige eeuw duikelde A.M. Vas Dias tussen de verbrande protocollen van notaris Benedict Baddel een betalingsconflict op. De gezamenlijke muur tussen de huizen van Rembrandt en Pinto moest opgevijzeld worden, en Rembrandt had weinig zin om mee te betalen. Het ‘gestommel’ van de luidruchtige werkzaamheden moet bovendien de rust in de ateliers in het Rembrandthuis maandenlang hebben verstoord.  

Historicus Bas Dudok van Heel beschreef een serie akten uit februari 1654, waarin melding werd gemaakt van diefstal van diverse rollen tabak uit de kelder van Rembrandt door ene Eleaser alias ‘Lenart’ Swaeb, die zich vanaf de Zwanenburgwal toegang tot de kelders had verschaft, waarvoor hij bij een smid in de Houttuinen een valse sleutel zou hebben laten maken. Hij zou in anderhalve maand zo’n zestig rollen tabak hebben weggenomen. 

2 maandjes raspen 
Op vrijdag 2 juli 1655 om 11 uur stapten drie of vier ‘Persiaenen’ (Armeense kooplieden) de kelder op de hoek van de Jodenbreestraat binnen om tabak te kopen. In de kelder van Pinto was op dat moment Daniel de Chavis uit Livorno aan het werk. In de voorraad bleek niets van hun gading te zijn, waarop de vier Armeniërs de Chavis vroegen om naar een ander pakhuis te gaan, om te kijken of daar wel was wat ze zochten. De Chavis had daar geen tijd voor, of geen zin in.  

Er vielen woorden. De Persianen riepen De Chavis naar buiten, waar hij bij de keel werd gegrepen, zo vertelden de twee getuigen Abraham de Bruin en Christoffel Dias die op De Chavis’ verzoek enkele dagen later bij notaris Adriaan Lock een verklaring aflegden. Als de heren Isaac en Abraham Cotinho hem niet te hulp waren gekomen ‘ende hem uijt de handen van de voorszegde Persianen [hadden] verlost, sij soude hem heel qualijck getracteert gehadt hebben’.  

Nadat De Chavis verlost was en de kelder van De Pinto weer was ingegaan, zagen De Bruin en Dias dat de Persianen ‘tot drie diverse maelen weder in de voorszegde kelder sijn gecomen om [De Chavis] aen te tasten’ en hem ‘met gewelt sochten (…) te overvallen’. De twee getuigen, die kennelijk ook binnen waren, hadden de deur dichtgegooid, waarna ‘de Parsianen met gewelt op de deur van de kelder sijn geloopen om de selve onder de voet te crijgen’.  

Dat was althans het verhaal van Daniel de Chavis en zijn getuigen, maar ondertussen waren niet de ‘Persianen’, maar juist De Chavis vanwege het geweld op straat opgepakt en onder het stadhuis in de boeien gezet. Op 9 juli schrijft de schout na verhoor van ‘Daniel de Chavis oudt 21 jaren, Italiaanse Joodt’ dat deze bekent ‘met de Persiaen handtgemeen geweest te sijn, docht ontkent den selven met een mes in sijn aengesicht gequetst te hebben of met stocken geslagen’. Alleen voor dat eerste werd hij veroordeeld tot ‘2 maentjes raspen’ of een boete van 100 gulden. Kennelijk werd de messentrekkerij niet bewezen geacht.  

Beeld: Een 19e-eeuwse impressei van Rembrandts huis in de Gouden Eeuw. Daniel Pinto woonde in het hoekhuis. Stadsarchief Amsterdam / Cornelis Springer.

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers Architectuur
Editie:
Maart
Jaargang:
Rubriek:
Amsterdamse Akten
Tijdperk:
1600-1700