De Indische Buurt

Hoe beter het gaat met de Indische Buurt, hoe verleidelijker het lijkt de buurt van vroeger af te schilderen als een typisch armoedige arbeidersbuurt. Maar over welk 'vroeger' hebben we het dan? Niet de vooroorlogse buurt, evenmin de eerste kwarteeuw na 1945. Pas rond 1970 raakte het buurtleven in een vrije val, tot er rond 2000 een kentering kwam. Wonen in de naoorlogse Indische Buurt was lang niet zo vreselijk als wordt aangenomen, vertellen (oud-)bewoners.

"Je kende elkaar", zegt Wil Grauwelman (1930) die tot haar huwelijk in 1962 in de Indische Buurt woonde. "En in de straat waar ik woonde, de Menado, kende iedereen elkaar. Dat was, kan je zeggen, eigenlijk één grote familie. Je had een loper, een sleutel, en die paste op alle deuren. Je kon gewoon bij de buren naar boven en als er iemand ziek was, dan kwamen ze met een pannetje soep."
Het is een nostalgisch beeld dat doet denken aan de verhalen over het leven in de Jordaan van vroeger. De sfeer van: samen staan we sterk tegenover alle ellende. Helemaal onwaar kan haar herinnering niet zijn. Maar alle interviews en andere bronnen samen geven de indruk dat tot ruim na de oorlog de Indische Buurt nauwelijks voldeed aan de clichés van een Jordaan-achtige volksbuurt.


Een Jordanees die in de jaren dertig de Indische Buurt betrad moet z'n ogen hebben uitgekeken. Prachtige winkels. Brede straten met lichtgekleurde huizenblokken in die fraaie Amsterdamse Schoolstijl. De Insulindeweg was zelfs de breedste allee van de hele stad. Het moet een eldorado hebben geleken.
De Indische Buurt was dan ook niet bedoeld als woongebied voor de laagste inkomens. De arbeiders die er woonden waren voor het merendeel geschoold en redelijk ontwikkeld en ze betaalden een huur ruim boven Jordaan-niveau. Maar meer nog woonden er (blijkens een gemeentelijk onderzoek in 1931) kleine middenstanders, kantoorbedienden en lagere ambtenaren. In de jaren vijftig en zestig was dat beeld weinig veranderd. De ouders van de geïnterviewden hadden beroepen als meubelmaker, spiegelmaker, glasblazer, perser in een confectiefabriek, kantoorbediende, bankbediende, administrateur bij het Tropeninstituut.


Een vetpot was het vaak niet. De ouders van Carla H. (*1957) moesten bijvoorbeeld beiden werken om rond te komen: "Mijn vader werkte echt lange dagen, ging 's morgens vroeg de deur uit en kwam 's avonds laat terug. En mijn moeder werkte ook gewoon bij, ze naaide gordijnen." Maar er was wel voldoende te eten en de kinderen konden fatsoenlijk gekleed naar school en de diverse clubs.

Meer Ons Amsterdam? Meld je aan als abonnee!

Naar de smaak van de communistische schrijver Maurits Dekker, die zelf een boekwinkeltje had in de Molukkenstraat, waren de arbeiders in de Indische Buurt bedenkelijk kleinburgerlijk, getuige zijn roman Amsterdam (1931): "Men vindt er deuren met dubbele rijen blinkend gepoetste, koperen brievenbusplaten, voor iedere bewoners één, bedrieglijk decor, dat slechts een gat verbergt waar brieven doorheen vallen en weder verenigd terechtkomen op de cocos-vloermat, die het ingeweven opschrift 'voeten vegen' draagt."


Een rijke buurt was het niet, nee, maar wel een nette. Er werd veel minder op straat geleefd dan in de Jordaan. Alleen de kinderen waren tot in de jaren zestig massaal op straat te vinden. Voor auto's hoefden ze nauwelijks bang te zijn. Er werd gevoetbald, geknikkerd, krijgertje gespeeld, maar ook werden in het Flevopark hommels gevangen. Die woonden dan een dag of wat in een glazen pot en werden dan weer vrijgelaten.


Voor volwassen is het beeld gemengd. Mevrouw M. (*1928) is er stellig over: haar moeder hing nooit uit het raam, in de Tweede Atjehstraat. "Wij waren niet zo buurderig." Alleen op de trap werd weleens een praatje met de buren gemaakt. De moeders van Wil Grauwelmans in de Menadostraat en Frans Zandbergen (*1960) op het Ceramplein leunden wél over de vensterbank om hun spelende kinderen in de gaten te houden, maar niet voor buurpraatjes. Er hing een touwtje door de brievenbus van de Zandbergens waarmee de buitendeur door iedereen opengetrokken kon worden. Maar dat was vooral bedoeld voor de kinderen en thuisbezorgende winkeliers, niet voor buren. En bij de buren moest je aanbellen, herinnert Frans zich.
Wat wel weer Jordanees aandoet: vaak werden buren nog 'oom' en 'tante' genoemd en waren ze een soort huisvrienden. "En de halve straat had ook zeggenschap over je", zegt Fina Buijen (1962) uit de Eerste Atjehstraat. "Als een buurman mij iets verbood, dan gehoorzaamde ik gewoon. Ze mochten me anders ook gerust een knal geven."
Bevriende buren kwamen op de koffie, en sowieso vond het gezinsleven vooral binnenshuis plaats. Slechts één geïnterviewde rept van een vader die uit de kroeg moest worden gehaald. De meeste vaders deden knus mee met ganzenborden, naar de radio luisteren en zondagse uitstapjes naar het Amsterdamse Bos. Die sfeer veranderde hier en daar in de jaren zeventig. Jongeren begonnen het ouderlijk gezag als drukkend te ervaren en sommigen sprongen uit de band of belandden zelfs in een halfcrimineel circuit (lees: 'Buiten het gareel', blz. 35).
Vrijwel iedereen is het erover eens: tot en met de jaren zestig was de Indische Buurt een fatsoenlijke en gezellige buurt. Intussen stapelden de problemen zich wel op. Vanbuiten zagen de huizen met hun Amsterdamse Schoolgevels er schitterend uit, maar achter die muren waren de meeste woningen onpraktisch ingedeeld en behoorlijk klein, zeker voor de talloze grote gezinnen. De woningnood verergerde door de sloop van heel wat huizen in de Hongerwinter van 1944-'45 en de naoorlogse 'babyboom'.


Noodgedwongen woonden vaak drie generaties onder één dak. Arnold Jansma herinnert zich bijvoorbeeld levendig Opa Maurik: "Die was als havenarbeider in het ruim gedonderd en liep sindsdien altijd in een hoek van 90 graden." Er was onvoldoende beddengoed, dus sliepen de jongens onder een stapel jassen. Het was passen en meten. Wil Grauwelman sliep met twee zussen samen in één bed, net als in diezelfde kamer haar drie broers. Weinig huizen hadden een badkamer of douche, dus op zaterdagen was het stervensdruk in het in 1942 geopende badhuis op het Javaplein.


Lang ook waren er al klachten over ernstige verzakkingen, maar de gemeente wilde er niet van weten. In de Stadsvernieuwingsnota van 1969 werd de Indische Buurt alleen genoemd als 'overloopgebied' voor de bewoners van de te slopen Dapperbuurt. Eind 1972 luidde Het Parool de noodklok. Her en der waren huizen een halve meter verzakt en scheurden de muren. Toen kwam boven water wat sommigen al vermoedden. Het oudste deel van de buurt, rondom de Borneostraat, gebouwd tussen 1900 en 1915, was nog saai maar solide gebouwd. De hele rest – driekwart van de buurt, met die fraaie Amsterdamse Schoolgevels – was tussen 1923 en 1932 door grote winstbeluste particuliere bouwbedrijven in ijltempo neergezet; woningbouwverenigingen mochten het van de rechtse regering niet meer doen. Het bouwzand had niet de tijd gekregen in te klinken en er waren welbewust veel te weinig en veel te korte heipalen gebruikt. En Bouw- en Woningtoezicht had het laten gaan.
Ja, de gemeente had gefaald, erkende wethouder Han Lammers en nu was er een noodtoestand. Maar al die funderingen alsnog verbeteren? Onbetaalbaar! Dus begon eind jaren zeventig een ongekend grote sloop- en nieuwbouwoperatie. Per jaar werden 500 woningen gesloopt en kwamen er 250 voor terug. Het bracht een massale uittocht van de oorspronkelijke bewoners (vooral naar Noord en Almere) teweeg en een intocht van 'gastarbeiders' en krakers. Veel sociale controle viel weg en de buurt verloederde. Toen, in de jaren tachtig en negentig, veranderde de Indische Buurt in een verpauperde probleemwijk met massawerkloosheid en veel criminaliteit. Architectonisch werd de wijk er ook niet mooier op: de Insulindeweg, bijvoorbeeld, verloor alle allure.
Maar goed: al die nieuwe huizen staan er nu wel. En na 2000 is hard gewerkt om de leefbaarheid te verbeteren en bewoners met hogere inkomens te lokken. Het percentage sociale huurwoningen daalde van 90 naar ongeveer 75. De metamorfose in 2007 van de burchtachtige Derde Ambachtsschool tot een complex met jeugdhotel, bioscoop en café trekt veel toeristen en Amsterdamse jongeren naar de buurt. Eerder al bleek de komst van een restaurant (1993) in het voormalige badhuis op het Javaplein een groot succes en in 2008 kreeg de Javastraat (de belangrijkste winkelstraat) een grote beurt. Dit oudste deel van de buurt begint onmiskenbaar te veryuppen. Als die tendens niet doorslaat in het andere uiterste, zou de Indische Buurt wel weer eens een prettig-gemengde aantrekkelijke woonbuurt kunnen worden.

Delen: