De Hoogkamersgang door de eeuwen heen

Achter het poortje

Eerst een klooster, toen een begeerde woonplek, daarna ongure steeg, nu intiem pleintje. De Hoogkamersgang is een van die bijna vergeten stegen van Amsterdam die kunnen bogen op een roemruchte geschiedenis en het verdienen om uit de vergetelheid te worden gehaald.

Het kleine poortje oogt wat timide, daar op de Oudezijds Achterburgwal, zo vlak bij het schreeuwerige Casa Rosso. Wie de moeite neemt er naar binnen te kijken, ziet een overkluisd steegje, smal en donker, dat uitkomt op een ruim en licht plaatsje, waar bewoners leefruimte hebben gemaakt. De plek ademt rust, al zal het restaurant ’s avonds wel voor de nodige reuring zorgen. Dit is de meer dan 400 jaar oude Hoogkamersgang.

Ooit liep hier waarschijnlijk een pad langs het Patershuis van het middeleeuwse Bethaniënklooster richting de kloostertuin. Het klooster was kort na 1450 gesticht door Arent Moey en Weyn Pieter Ghijsbertsdochter onder de naam Sinte Maria Magdalena van Bethaniën. 

Het was een populair klooster, ook in betere kringen: in 1462 woonden er zo’n 220 vrouwen. Het terrein werd begrensd door de Oudezijds Achterburgwal en de Kloveniersburgwal en strekte zich op het hoogtepunt uit van de Barndesteeg tot aan de in 1506 gerooide Bethaniënstraat. In de 16de eeuw liep het klooster sterk terug. Uit geldnood werden steeds meer delen van het terrein verkocht en bebouwd. In 1525 werd een pad dat van de Oudezijds Achterburgwal naar de kloosterkapel leidde, doorgetrokken en bebouwd; vanaf 1551 werd die steeg verbreed tot de Koestraat, die zijn naam ontleende aan de koeienstallen van de zusters. In 1535 waren ook kavels aan de Slopsteeg – de oude naam van de Barndesteeg – voor bebouwing verkocht. 

Het Patershuis stond op de hoek van de Koestraat en de Oudezijds Achterburgwal. Aan de achterkant stond de kloosterkerk. Gelovigen die de dienst wilden bijwonen, gingen door de Koestraat naar de kerk. In 1553 werd ook een deel van het Patershuis verhuurd en in 1562 verschenen aan de oostkant van de kapel in de Koestraat vier huizen voor particulieren. 

 

Conciërge

Na de Alteratie in 1578 werd het klooster door de stad onteigend. Er woonden nog slechts negen zusters, die een plekje kregen in het Begijnhof. Het klooster kreeg de bestemming van woonruimte en in het schip van de kapel kwam de Latijnse School. Het pad naar de oude binnentuin werd toen een steeg: de Hoogkamersgang. 

Die naam is te danken aan zijdelakenkoopman en schepen Jacob Pieterszoon Hooghkamer (1578-1641). Hij verbouwde het voormalige Patershuis tot twee aparte woningen. Het ging hem goed. Hij was een orthodoxe protestant, die binnen en buiten Amsterdam bestuurlijke functies vervulde. Zo werd hij in 1618 door prins Maurits tot lid van de vroedschap benoemd en het jaar daarna tot schepen. Ook was hij een van de eerste bewindvoerders van de West-Indische Compagnie. In 1631 bezat Hooghkamer een geschat vermogen van 150.000,-. 

Maar zeven jaar later ging hij failliet en verloor hij bijna alles, ook zijn ambten. De stad gaf hem het baantje van “concierge van de Voetboogsdoelen”. Een nederige positie, zo leek het, in werkelijkheid een lucratieve post, zozeer dat hij die door een ander liet waarnemen. De kastelein Christoffel Poock betaalde hem er 600,- per jaar voor. Bij Hooghkamers faillissement brachten de twee woningen – ze stonden bekend als ‘De Twee Rochen’ en ‘Waar de zwarte hen uithangt’ – respectievelijk16.300,- en f10.280,-, voor die tijd en die buurt uitzonderlijk hoge bedragen.

 

Oudkatholieken

De Barndesteeg zag in tijdsbestek van iets meer dan een eeuw een woonhuis veranderen in een herberg en vervolgens in een kerk. De koopman Marcus de Vogelaer (1553-1610), rijk geworden in de handel op Rusland, kocht in 1592 een groot pand in de steeg, om er te gaan wonen. Na zijn dood bleef zijn familie, ook toen de buurt geleidelijk achteruitging. In de loop van de 17de eeuw moet het huis zijn ingericht als de herberg ’t Turfschip van Breda. Kleindochter Jacoba Roch-van Erp verkocht de kroeg in 1705 aan koopman Arent Krijs, die er een oudkatholieke kerk van maakte, gewijd aan de heiligen Petrus en Paulus. De Rooms-Katholieke Kerk maakte in die jaren een scheuring door. Krijs’ parochie, geleid door pastoor Johannes van Neck, behoorde tot de Oud-Bisschoppelijke Clerezie. 

Een zoon van Arent Krijs, Jacobus, was pastoor van de oudkatholieke kerk De Drie Bonte Kraaien in de Oude Teertuinen. Bij zijn dood werd zijn vermogen op meer dan 111.000,- geschat: hij bezat de helft van ‘zijn’ kerk in de Oude Teertuinen en eenderde deel van de “Papekerk in de Barndesteeg, daer de Oyevaer in de gevel of boven de deur staat”. Een gevelsteen met deze ‘Oyevaer’ – die herinnert aan koopman De Vogelaer – werd in 1954 ontdekt aan de achtergevel van het pand. De oudkatholieke gemeente verhuisde de gevelsteen naar hun kerk in de Ruysdaelstraat, die de voortzetting is van de standplaats in de Barndesteeg (inclusief het altaar, de preekstoel en de communiebank). De oudkatholieken kwamen tot 1914in de Barndesteeg bijeen. 

 

Brandspuit

De terreinen van het oude klooster rond de Hoogkamersgang raakten in de loop van de 16de eeuw volgebouwd. In 1875 werden de huizen in de gang opgenomen in de nummering van de Oudezijds Achterburgwal: de nummers 99 tot en met 115 – alleen 99A-B en 107 zijn er nog van over. Nummer 99 (nu het restaurant Blauw aan de Wal) was van 1776 tot 1971 het specerijenpakhuis van de drogist Jacob Hooy. De originele houten balken, bakstenen en een houten vloer op de bovenste verdieping zijn bewaard gebleven. De overlieden van het kuipers- en wijnverlatersgilde hadden vanaf 1657 hun vaste vergaderplaats op 101 (de wijnkopers hadden hun gildehuis vlakbij in de Koestraat). De rectorswoning rechts naast de voormalige kapel in de Koestraat werd in 1732 gesloopt en vervangen door de drie woonhuizen (nu 7, 9 en 11) Geloof, Hoop en Liefde, met halsgevels en versierde deuren. 

Een van de bekendste bewoners van de Koestraat was de kunstschilder-uitvinder Jan van der Heijden (1637-1712), die de schilder Johan van der Capelle op nummer 3 als buurman had. Zijn werkplaats had Van der Heijden aan de achterzijde. Daar ontwierp hij een nieuwe (verbeterde) straatlantaarn en de eerste brandspuit waarmee direct water uit de gracht kon worden gepompt en met slangen om gericht te kunnen spuiten. Na zijn dood breidde Jan van Hessel de brandspuitenfabriek uit door de twee erachter gelegen huisjes in de Hoogkamersgang te kopen en liet er een smederij bouwen.

Al sinds 1636 was er in de Hoogkamersgang (op 103) een andere smederij, die pas in 1947 werd gesloopt en vervangen door een nieuwe werkplaats in de Barndesteeg van meer dan 200 m² met een brede achteruitgang voor grote, zware smeedstukken. Hier ging Simon van Blokland in 1949 als veertienjarige in de leer bij zijn vader Joop van Blokland. In 2016 publiceerde hij samen met Frans Duivis een monumentaal boek over ‘zijn’ Bethaniënbuurt. Smederij Blokland werd in 1978 opgedoekt. 

 

Onfris

De bewoners van de Barndesteeg en de Koestraat waren in de 17de en het begin van de 18de eeuw nog redelijk welgesteld en hadden mede door de achterhuizen in de Hoogkamersgang behoorlijke woningen. Maar de economie liep terug en steeds meer achterhuizen werden verhuurd aan grote gezinnen, waarvan de kostwinner vaak werkloos was. In combinatie met slecht onderhoud en de gebrekkige hygiëne verpauperde het steegje tot een armoedig en obscuur stukje Amsterdam. 

De Buurtregisters van de jaren na 1874 laten zien dat de huizen Hoogkamersgang 103 tot en met 115 waren verdeeld in verhuureenheden als ‘huis’, ‘eenhoog’, ‘tweehoog’, ‘driehoog’, ‘middenkamer’, ‘bovenkamer’ en ‘onderkamer’. Op iedere verdieping woonden vaak tientallen mensen, verstoken van sanitair – de ‘gelukkigen’ hadden een emmer voor hun behoeften op de gang – om van ramen en frisse lucht maar te zwijgen. Woningkaarten uit de jaren 1921 tot 1930 tonen hetzelfde beeld: grote gezinnen op een te klein woonoppervlak. Er woonden meer 180 mensen.

De armoedige omstandigheden werden er na de Tweede Wereldoorlog niet beter op. “Een excursie naar de Hoogkamersgang kan ik niet aanbevelen. De tegenwoordige toestand aldaar: leeg, verlaten, grauw, onfris, schijnbaar vergeten, levert niets verheffends”, schreef Jan Kannegieter in 1969 in het maandblad Amstelodamum. Dat gold voor de hele buurt. Monumentenbeschermer Ruud Meischke had de Koestraat een paar jaar eerder al “de meest vieze straat van de oude stad” genoemd. 

Terwijl delen van de Bethaniënbuurt stukje bij beetje werden opgeknapt, kreeg de Hoogkamersgang de twijfelachtige reputatie het afvalputje van de buurt te zijn: afwerkplek voor prostituees en trefpunt van drugsverslaafden en -handelaren. Pas in de jaren zeventig verbeterde de situatie, mede door de komst van het restaurant Cul de Sac (nu Blauw aan de Wal). De stortplaats van huisafval werd schoongemaakt, muren werden weggebroken en er verscheen een betegeld pleintje met een kinderspeelplaats. De restauratie in de jaren tachtig maakte de Hoogkamersgang weer tot een acceptabel stukje Amsterdamse binnenstad.

 

 

Kader

MOORD OP DE HOSPITA

In de duistere Hoogkamersgang gebeurden dingen die het schamele daglicht niet konden velen. De vondst van een lijk op zondag 1 juli 1923 spande de kroon. De 70-jarige hospita juffrouw R. was met geweld om het leven gebracht. De man met wie zij de woning deelde, de 74-jarige commensaal N., had die zondag rond vier uur in de ochtend het huis – het precieze nummer is onbekend – verlaten om te gaan vissen. Hij legde aan in diverse cafés en kwam in kennelijke staat rond drie uur ’s middags thuis. Hij kreeg ruzie met mejuffrouw R., ging naar buiten en meldde op de Achterburgwal aan een surveillerende agent dat hij zijn hospita met een wond op haar hoofd dood op de grond gevonden had. Toen de agent de stervende vrouw zag, nam hij de commensaal mee naar de Pietershal, het politiebureau op de Oudezijds Voorburgwal 274. 

Commissaris A. Heeroma stelde een onderzoek op de plaats delict in. De bloedsporen en de herrie die de buren hadden gehoord, waren aanleiding om N. te arresteren; het stoffelijk overschot van mejuffrouw R. werd voor schouwing naar het Binnengasthuis gebracht. De conclusie: juffrouw R. was na een klap van N. ongelukkig terechtgekomen, met de dood als gevolg. N. bleef ontkennen. De afloop is onbekend. 

 

SIMON VAN BLOKLAND EN FRANS DUIVIS ZIJN DE AUTEURS VAN HET BETHANIËNBLOK IN AMSTERDAM. ONDER DE SLUIER VAN HET VERLEDEN VANDAAN, UITGEVERSMAATSCHAPPIJ WALBURG PERS, 2016.

 

Aprilnummer 2019

Beeld: De Hoogkamersgang anno 2019. Fotograaf: Wim Ruigrok

Aprilnummer 2019
Delen:

Dossiers:
Architectuur
Jaargang:
2019 71
Rubriek:
Verhaal
Editie:
April

Gerelateerd

100 jaar Amsterdamsch Tehuis voor Arbeiders ATVA
100 jaar Amsterdamsch Tehuis voor Arbeiders ATVA
Verhaal 1 april 2019