De herinneringen van Rob te Nuyl aan Watergraafsmeer

Soep van aardappelschillen

De 90-jarige Rob te Nuyl is al sinds de oprichting van Ons Amsterdam (1949) abonnee. En al 84 jaar woont hij in hetzelfde huis in Watergraafsmeer. In 1936 verhuisde hij met zijn ouders en zusje van Hilversum naar Amsterdam. We blikken met hem terug op een bijzonder Amsterdams leven.

Rob is geboren met een beperking ten gevolge van een tangverlossing. Hierdoor is het motorische deel van zijn hersenen aangetast. Hij heeft spierzwakte in armen en benen en praat moeilijk. Tot zijn negende jaar heeft hij niet kunnen lopen, tot een arts door twee keer per week massages te geven zijn lichaam soepel kreeg. Daardoor kon hij jarenlang zelfstandig lopen: “Door mijn beperking speelde ik als kind weinig buiten. Mijn vader liet een driewieler voor mij maken zodat ik mobieler was. Zelf bouwde hij voor mij een prachtig houten station voor bij mijn Marklin-trein. Een station met een overkapping zoals het Centraal Station en twee perrons en een brug. We deden veel samen. Op zondagochtend vroeg, dan was het nog lekker rustig, gingen wij naar de stad om langs de grachten te lopen en hofjes te bezoeken, een tramritje te maken of een rondvaartboot te nemen.”

Gezinsleven

Rob’s gezin bestond uit vader, moeder, Rob en zus Greet. Vader Te Nuyl was kredietinspecteur bij de Hollandse Bank Unie op de Herengracht, de voorloper van de ABN/AMRO. De bank gaf krediet aan zowel particulieren als bedrijven. Vader zat in de hoofddirectie en controleerde of de kredieten goed werden gebruikt. Te Nuyl: “De bank had vestigingen in Haifa en Tel Aviv en ook in Istanbul en Zuid-Amerika. Mijn vader is naar Israël geweest om een krediet aan een kibboets te controleren en hij ging ook naar Istanbul. Mijn moeder was voor haar huwelijk thuisnaaister bij gegoede mensen.” Zus Greet was drie jaar jonger: “Mijn zus en ik werden gelijk behandeld door mijn ouders. Af en toe was zij jaloers omdat ik meer aandacht kreeg door mijn beperking. Ik ben altijd thuis blijven wonen bij mijn ouders. Toen mijn ouders beiden waren overleden, heb ik eerst nog even bij mijn zus gewoond tot alle thuiszorg in ons ouderlijk huis voor mij was geregeld. Toen ik net alleen woonde, kwam Greet in het begin elke week bij mij langs om te kijken hoe het ging. Het verliep allemaal soepeltjes. Tegenwoordig woont ze in Aalsmeer en hebben we regelmatig telefonisch contact.”

Tweede Wereldoorlog

Toen Rob negen was, brak de Tweede Wereldoorlog uit. Hij heeft er levendige herinneringen aan, vooral aan de laatste jaren: “In de oorlog woonde op de hoek van de Radioweg dokter Riccardo met zijn gezin. Hij was joods en mocht alleen bij joodse winkeliers kopen. Op het laatst waren er geen joodse winkels meer. Als mijn moeder ons naar school bracht, haalde ze een boodschappenbriefje op bij mevrouw Riccardo en deed dan boodschappen voor de familie Riccardo.” Te Nuyl maakte ook de deportaties mee: “Op een zondagmorgen gingen we met het gezin met de stoomtrein naar familie in Hilversum. We reden langs de Transvaalkade en zagen hoe Joodse mensen een vrachtwagen in werden geknuppeld onder het zingen van Hebreeuwse liederen. Dit beeld staat op mijn netvlies gebrand.”

“Als er een razzia was, verstopte mijn vader zich onder de vloer. Hij had een paar planken in de vloer losgemaakt en kroop dan onder de grond. Soms kwamen de Duitsers langs de deuren om fietsen te confisqueren. Als we wisten dat ze zouden komen, schuilden wij bij de buren en waren we zogenaamd niet thuis. Dan hoefden we onze fiets niet af te geven. We woonden vlakbij het spoor waar voedseltransporten van de Duitsers voorbij kwamen. Regelmatig waren er bombardementen van de Amerikanen op die transporten. De bommen sloegen vlakbij in. We schuilden dan in de gang bij ons beneden met alle buren.”

“De honger was vooral de laatste jaren van de oorlog heel erg. Op school zat ik naast de dochter van een kruidenier. Haar vader had een winkel bij het Muiderpoortstation. Ik mocht vier maal per week samen met een paar andere klasgenoten bij de familie eten tussen de middag. Bruine bonen of havermout. Mijn ouders aten vaak van de gaarkeuken. We aten ook wel soep van aardappelschillen. Ik kan me nog goed herinneren dat mijn moeder stamppot had gemaakt van zuurkool en suikerbieten. Ome Willem van de snoepkar bij Zeeburgia, kwam op een dag huilend bij ons aan de deur omdat hij zo’n honger had. Mijn moeder heeft hem toen de stamppot gegeven en als een hond slokte hij het eten naar binnen.  Dat zal ik nooit vergeten. Daarop beloofde ome Willem mij dat ik na de oorlog als eerste een flesje limonade van hem zou krijgen. Daar heeft hij zich aan gehouden!”

Schoolwerktuinen

Als kind zat Rob op de 5e Montessorischool aan de Herschelstraat in Watergraafsmeer. Hij liep zelfstandig zonder hulpmiddelen naar school. Een meester of de stoker van de school (er was toen nog geen centrale verwarming en de kachels werden gestookt met kolen) droeg Rob naar boven naar zijn klas of weer naar beneden. Schrijven is met zijn beperking een probleem. Op school maakte hij gebruik van een typemachine. De kinderen waren erg behulpzaam. Hij is nooit gepest door kinderen of volwassenen vanwege zijn beperking. “Ik heb een fijne jeugd gehad. Ik herinner me nog goed dat ik met mijn vriendje Tom Simonis in de winter naar bioscoop De Bio ging op de Middenweg, waar de H&M heeft gezeten. Beneden kostte het 55 cent en op het balkon 1 gulden 10. We gingen naar lachfilms, van Laurel & Hardy en van Doris Day.”

 

Bron: Bioscoop de BIO Middenweg na 1945. Stadsarchief Amsterdam

Na de Montessorischool, ging Rob naar de ULO. “De leukste vakken vond ik talen zoals Nederlands en Duits, wiskunde snapte ik niks van. Ik heb de ULO niet afgemaakt. Ik deed te lang over mijn huiswerk en raakte hierdoor overspannen. Ik ben met school gestopt en ben gaan werken bij de schoolwerktuinen in Watergraafsmeer. Schoffelen en wieden. Als de kinderen er niet waren in de vakanties moest alles bijgehouden worden. Wij hadden daar ook bijen. Ik vond het heerlijk in de frisse lucht, en heb veel gelachen met collega’s. Het werken met kinderen vond ik ook leuk. Een kind zei een keer over de radijsjes  waarvan de plantjes net boven de grond kwamen: ‘Er hangt niks aan meneer!’ Ze hadden geen idee dat de knolletjes in de grond groeiden. Ik heb daar 35 jaar met heel veel plezier gewerkt, tot 1982. Het was de mooiste tijd van mijn leven.”

Dit is een verkorte versie van het levensverhaal van Rob te Nuyl (1931), opgeschreven door Ansje Visser. De lange versie (in drie delen) is te vinden op Geheugen van Oost.

 

Foto: Rob te Nuyl, door Ansje Visser. 

 

Beeld Header: Montessorischool Watergraafsmeer. Stadsarchief Amsterdam 

Delen:

Buurten:
Oost
Dossiers:
Amsterdammers
Rubriek:
Herinneringen
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000