De heren van Heemschut

100 jaar op de bres vóór schoonheid en tégen lelijkheid

De nationale Erfgoedvereniging Heemschut heeft een speciale band met Amsterdam. Hier liggen haar wortels. Deze maand is het precies een eeuw geleden dat de toenmalige Bond Heemschut zijn eerste officiële vergadering hield in het Muntgebouw. Tot op de dag van vandaag is het hoofdkantoor gevestigd in de stad, sinds 1967 in het Korenmetershuisje aan de Nieuwezijds Kolk.

De Bond Heemschut werd geboren uit boosheid, maar het was wel deftige boosheid. Trotse windmolens aan de rand van de stad legden het af tegen grauwe stoomfabrieken. Sierlijke wipbruggen werden vervangen door gietijzeren draaibruggen en een paar stinkende maar toch ook dromerige grachten waren al gedempt. In 1908 zetten slopers de hamer in de middeleeuwse  Nieuwezijdskapel op het Rokin, de plaats waar ooit de Heilige Hostie van het Mirakel van Amsterdam werd bewaard. Onder zulke omstandigheden werden begin 20ste eeuw in Amsterdam de geesten rijp gemaakt voor de oprichting. 
De eerste voorbereidingen begonnen in het voorjaar van 1909 en op 2 februari 1911 was het zover. Op die dag konden in het Muntgebouw de statuten van de Bond Heemschut worden goedgekeurd. De bond wilde blijkens artikel 1 van die statuten “waken voor de schoonheid van Nederland.” Men richtte zich dus op het hele land, maar een speciale band met Amsterdam als de mooiste stad van Nederland zou er altijd zijn. Dat kwam niet in de laatste plaats ook doordat een paar legendarische Amsterdammers in leidende functies hun stempel zetten op het werk van de ‘Bond’. Heemschutters elders in het land waren daar niet altijd blij mee – en hebben dat ook wel laten weten.
Die bijzondere band met Amsterdam was er vanaf de oprichting. Initiatiefnemer was Adriaan Willem Weissman, die enige tijd stadsarchitect van Amsterdam was en vooral bekend werd als bouwmeester van het Stedelijk Museum (1895). De directe aanleiding voor de woedeaanval die hem er toe bracht de Bond Heemschut in het leven te roepen, moet trouwens niet gezocht worden in Amsterdam, maar in Monnickendam. Toen hij tijdens een wandeling door dit Zuiderzeestadje ontdekte dat een fraai hoekhuisje was vervangen door een ‘architectonisch monster’ naar ontwerp van de plaatselijke gemeenteopzichter, kon hij het niet langer aanzien. Hij riep een aantal geestverwanten bij elkaar om de bond op te richten en zette zich als secretaris met hart en ziel voor zijn geesteskind in tot zijn dood in 1923.

Koninklijke beschermvrouwen
De Bond Heemschut was van begin af aan omgeven met een “geur van deftigheid”, zoals Ileen Montijn schrijft in haar bijdrage aan de jubileumuitgave die verschijnt ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan. Zorg om de schoonheid van Nederland was in het begin van de 20ste eeuw een zaak van heren met hoge opleidingen en dure namen. Dat kwam niet slecht uit, want het werd al snel duidelijk dat je met dit soort zaken niet hoog genoeg kunt instappen bij burgemeesters, bisschoppen of Hare Majesteit zelf. Koningin Wilhelmina werd in 1914 beschermvrouwe van de Bond en kleindochter Beatrix is het nog steeds.
Onder deze hoge protectie begon na de oprichting een lange, ingewikkelde en landelijk gevoerde strijd vóór schoonheid en tégen lelijkheid. Bedreigde kerken of kapellen, ontsierende benzinestations of bovengeleidingen, lelijke tram- of transformatorhuisjes: weinig ontging de correspondenten van de bond en onvermoeibaar werden zaken aangekaart. Over de daarbij behaalde successen bleef men bescheiden. Meestal was er ook sprake van belangrijke bijdragen van anderen, zoals de in 1918 opgerichte Vereniging Hendrick de Keyser, die bedreigde woonhuizen door aankoop wilde redden. Vaak ook waren het maar kleine aantastingen van het stads- of dorpsgezicht die de Bond Heemschut discreet met zijn adviezen wist te voorkomen.
In Amsterdam werd de eerste jaren zonder al teveel gerucht het nodige  bereikt als het ging om welstandadviezen en restauraties. In het in 1944 verschenen boekje Heemschut wijzen de auteurs J.A. Bierens de Haan en Abel Antoon Kok met name op de grachtengevels die van storende pleisterlagen uit de 19de eeuw werden ontdaan. Ze werden in oude luister hersteld, zoals in 1921 het Arsenaal op het Singel (tegenwoordig deel van de Universiteitsbibliotheek). Als grote nederlaag in Amsterdam in de jaren dertig herinnert de latere secretaris Ton Koot zich in 1961 nog de afbraak van het Pesthuis (op het tegenwoordige WG-terrein), die begon in 1931. Opvallend veel  energie staken de heren van Heemschut in jaren twintig en dertig in de strijd tegen ontsierende gevelreclames en het oprukken van de radioantenne in de stad.     

Fameuze Heemschutserie 
Oprichter Adriaan Willem Weissman werd na zijn overlijden in 1923 als secretaris opgevolgd door dezelfde Abel Antoon Kok die in 1944 tekende voor het boekje Heemschut. Kok wierp zich naast zijn werk als restauratiearchitect van onder andere het eerdergenoemde Arsenaal en de Agnietenkapel (ook 1921) met verve in de strijd tegen de ontluistering van stad en land. Hij was geboren in Dordrecht, maar verhuisde in 1929 naar Amsterdam en maakte zich volgens de overlevering alsnog een Amsterdam accent eigen. Zijn specialiteit was het onverwacht binnenvallen bij burgemeesters om duidelijk te maken dat het zo niet langer ging.
Behalve op het geven van al dan niet gevraagde adviezen, richtte Kok zich speciaal op de propaganda. Onder zijn bewind als secretaris kwam het in 1924 tot een verzelfstandiging van het blad Heemschut, dat oorspronkelijk een paar keer per jaar verscheen als speciale uitgave van het tijdschrift De Bouwwereld. Bovenal was Kok de man achter de fameuze boekjes van de ‘Heemschutserie’, die keurig in gelid jarenlang in de boekenkast van menig liefhebber van het vaderlands erfgoed hebben geprijkt. Van de serie verschenen tussen 1940  en 1954 niet minder dan 74 deeltjes. Het eerste was van de hand van Kok zelf en getiteld ‘De historische schoonheid van Amsterdam’.
De bezettingsjaren kwam de bond redelijk ongeschonden door, totdat de algemene ontwrichting in de winter van 1944 de verschijning van het blad Heemschut onmogelijk maakte. Over deze periode laten de chroniqueurs van de Bond zich weinig uit. Het ligt voor de hand dat de boodschap van het tijdschrift de bezetter niet geheel onwelgevallig was en tot de Hongerwinter was er weinig te klagen over beschikbaarheid van papier. De bond kwam in de oorlogsjaren samen met andere verenigingen onder gemeentelijk supervisie terecht in de Amsterdamse Commissie voor Heemkunde, die in 1943 in het Stedelijk Museum een goed bezochte tentoonstelling organiseerde onder de leuze ‘De liefde tot zijn land is ieder aangeboren’.

Tropenjaren 
Antoon Abel Kok werd in 1946 op zijn beurt opgevolgd door Ton Koot, de energieke Amsterdammer die de strijd tegen de lelijkheid in zijn land en in zijn  stad jarenlang voerde vanuit het Muiderslot, waar hij de functie van slotvoogd waarnam. Met hem als secretaris begon een nieuw tijdperk. Na de architecten Weissman en Kok kwam nu een man aan het roer met een veelzijdige achtergrond als zeevishandelaar, journalist, onderwijzer en onderdirecteur van de Amsterdamse Vereniging voor Vreemdelingen Verkeer. Koot nam de handschoen op in een periode waarin voor de bond strijdbaarheid meer dan ooit geboden was. Help! Ze verpesten ons land was de veelzeggende titel van het boek waarmee hij in 1973 afscheid nam als secretaris. Hij was toen nog steeds niet moegestreden in zijn gevecht tegen de golf van vernieuwing en vernieling die na de Tweede Wereldoorlog over Nederland denderde. Vooral in Amsterdam waren het tropenjaren. 
De naoorlogse strijd van Heemschut tegen de aantasting van de historische binnenstad van Amsterdam spitste zich halverwege de jaren vijftig toe. Weliswaar was met de oprichting van het Gemeentelijke Bureau Monumentenzorg in 1953 op het werkterrein van de bond vooruitgang geboekt, de tijdgeest werkte verder niet mee. Het was in de woorden van Koot “woningnood, industrialisatie en welvaart” wat de klok sloeg en in Amsterdam maakte het gemeentebestuur zich op voor de verbouwing van het historische centrum tot een ‘zakenwijk’ met kantoorgebouwen en brede autowegen. De gevolgen van deze vernieuwingsdrift zijn in de Wibautstraat en de Weesperstraat nog steeds te aanschouwen. 
In de bundel Strijd om schoonheid, die in 1961 verscheen ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van de Bond Heemschut, kenschetste Koot de “stadskernplannen, saneringsplannen of wederopbouwplannen” voor Amsterdam en andere steden als “Heemschutproblemen van de hoogste orde.” Voor Amsterdam noemde hij behalve de doorbraken bij de Weesperstraat en de Nieuwmarkt, een geplande doorbraak bij de Elandsgracht en saneringsplannen voor de Jordaan als grootste bedreigingen. 
Het ‘gevecht om Amsterdam’ was toen al in volle gang en het werd aangevoerd door beeldend kunstenaar en monumentenzorger Geurt Brinkgreve, sinds 1958 redacteur van Heemschut. Met diens soms minder, soms meer pakkend getitelde publicaties  als Antwoord op de Nota Binnenstad augustus 1955 en Alarm in Amsterdam (1956) werd een ware reddingsoperatie voor het centrum van Amsterdam ingeluid. In de tweede helft van de jaren zestig was het verzet tegen de bouw van de bankkolos van de ABN in de Vijzelstraat nog tevergeefs, maar het werd wél breed gedragen.
Op den duur kreeg de strijd van Brinkgreve voor behoud van de binnenstad ook bij de Amsterdamse gemeenteraad gehoor. Toen Koot zijn noodkreet ‘Help! Ze verpesten ons land’ begin jaren zeventig slaakte, hing de dreiging van een doorbraak van de Jodenbreestraat dwars door de Nieuwmarktbuurt naar het Centraal Station voor de metro in de lucht, maar was het tij aan het keren. Heemschut had inmiddels ondersteuning gekregen van eigentijdse actiegroepen en hún stijl was niet altijd zo deftig. 

Kroon op het werk
‘Het grote gelijk van Heemschut’ staat er boven de bijdrage van Vincent van Rossem aan de jubileumuitgave ter gelegenheid van het eeuwfeest dat dit jaar wordt gevierd. Hij stelt vast dat Koot en Brinkgreve ‘het gevecht om Amsterdam’ overtuigend hebben gewonnen. Van Rossem laat ook zien “dat de Bond Heemschut altijd al meer verstand heeft gehad van steden dan stedenbouwkundigen en hun politieke opdrachtgevers.”
Na de dagen van strijd om de Amsterdamse binnenstad in de jaren vijftig, zestig en zeventig lijken er voor de Bond Heemschut de laatste decennia in de hoofdstad betere tijden te zijn aangebroken. “Dat de grachtengordel nu is uitgeroepen tot Werelderfgoed, zie ik toch wel als de kroon op het werk van alle vrijwilligers die zich jaren lang voor de bescherming van de binnenstad hebben ingezet”, zegt Karel Loeff, de huidige directeur van Erfgoedvereniging Heemschut. 
Er is sinds de dagen van Koot en Brinkgreve een hoop ten goede veranderd, bevestigt hij. “De overheid heeft het erfgoed omarmd. Wat je ziet is een wisselwerking tussen particulieren en overheid als het gaat om de zorg voor monumenten.” Hij benadrukt dat Heemschut die zorg in Amsterdam deelt met andere clubs, zoals Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad, Vereniging Hendrick de Keyser en Stadsherstel. En natuurlijk ook met particulieren die bereid zijn geld in hun eigen monumentenpand te steken. 
Bijzonder aandachtspunt van Heemschut is tegenwoordig de bescherming van  de jongere bouwkunst in de stadsdelen. “Je merkt toch dat daar soms weinig oog is voor de schoonheid en geschiedenis van gebouwen. Je het ziet aan de sloop van de Pius X kerk in Slotervaart. Dan heb je een kleine voorhoede nodig van mensen die betekenis ziet waar stadsdeelbestuurders die ontgaat.” 
Dat Amsterdam een speciale plaats heeft in het werk van Heemschut bevestigt Loeff onomwonden: “We hebben twaalf commissies in de provincies èn een commissie-Amsterdam. Dat zegt op zich al genoeg. Onze roots liggen hier in de stad en het is geweldig dat we ons hoofdkantoor hebben in het Korenmetershuisje aan de Nieuwezijds Kolk.” Enthousiast vertelt hij over plannen om het Korenmetershuisje in de toekomst toegankelijk te maken voor het publiek: er is ruimte voor u een klein informatiecentrum. Als het nog dit jaar lukt, zou dat zou een waardige kroon zijn op het 100-jarig jubileum van een beschaafde vereniging in een rumoerige stad.

Delen:

Jaargang:
2011 63

Gerelateerd

Amstelstraat 21, 19 januari 1791. Schoonzusje maakte Mozart populair
Amstelstraat 21, 19 januari 1791. Schoonzusje maakte Mozart populair
Hier gebeurde het 22 maart 2012
25 & 50 jaar geleden: Februari 1987 en 1962
25 & 50 jaar geleden: Februari 1987 en 1962
50 en 25 jaar geleden 7 februari 2012
Die brutale Joden
Die brutale Joden
28 november 2011