De ganzen van Muiderpoort

Kunstwerk belandt in fietsenstalling

Het Muiderpoortstation is in 1999 ingrijpend gerenoveerd met de bedoeling “het gevoel van onveiligheid” bij de reizigers weg te nemen. Parel van de stationshal was een rond glas-in-loodraam, ontworpen door Heinrich Campendonk (1889-1957), voorstellende een vogeltrek. Nu doet de hal dienst als fietsenstalling. In de glasdecoratie van Campendonk, in zijn tijd een vooraanstaand kunstenaar, zitten al twee gaten.

Spectaculaire blikvangers in crisistijd, noemde ir. Cees Douma de twee NS-stations in Oost: het Muiderpoortstation en het Amstelstation. Douma, voormalig bouwmeester van de Nederlandse Spoorwegen, begint zijn boek Stationsarchitectuur in Nederland 1938-1998 ook met deze twee stations, die werden opgeleverd in 1939. Beide stationsgebouwen hebben een monumentale hal met hoge glaswanden, die het daglicht vrij spel laten. Douma is bijna lyrisch over het elegante torentje naast de stationshal van Muiderpoort, dat als seinhuis dienstdeed. Minder te spreken is hij over de geïsoleerde ligging van het station, dat in de loop der jaren geen harmonische plaats in de buurt heeft verworven. Het station ligt tussen Polderweggebied, de Dapper- en Indische buurt en lijkt gedoemd nooit deel uit te maken van één van deze woonwijken. Douma kondigt in zijn boek uit 1998 al aan dat een renovatie, met het oog op de veiligheid, vooral zou moeten inhouden dat er kortere looplijnen voor de reizigers worden gerealiseerd.

Treinverkeer richting het oosten des lands kan bij het Muiderpoortstation, aangelegd op de eerste spoorwegsplitsing na het Centraal Station, twee kanten op. Het ene spoor gaat richting Hilversum en het andere leidt via het Amstelstation naar Utrecht. In de oksel van de splitsing ligt de stationshal aan het stille Oosterspoorplein. In 1999 is het station grondig verbouwd om ervoor te zorgen dat reizigers zich er veiliger voelen. De toegang naar het trapportaal, aan het eind van de stationshal, is dichtgemetseld en maakt nu deel uit van een afgeschoten bedrijfsruimte, waarin treinreizigers hun fiets kunnen stallen, onder het prachtige glas-in-loodraam de vogeltrek. De voormalige hoofdingang van de stationshal is al even liefdeloos met een muurtje afgesloten. Bovendien kregen beide spoorwegtunnels een trap en een lift als toegang tot de perrons. Treinkaartjes zijn nu te koop in de tunnel onder het perron waar de trein naar Hilversum vertrekt, een situatie die niet bepaald veilig is te noemen.

De beide stations van Oost zijn ontworpen door ir. H.G.J. Schelling (1888-1978), die bouwkunde had gestudeerd aan de Technische Hogeschool in Delft. Hij kreeg in 1913 een baan als adjunct-ingenieur bij de Maatschappij tot Exploitatie van Spoorwegen. Pas in 1934 werd Schelling architect-ingenieur, in 1941 hoofdingenieur en ten slotte in 1942 “chef der architectuur Noord”. In de eerste helft van de jaren vijftig ontwierp Schelling de stations van Enschede, Hengelo, Zutphen, Leiden en Arnhem. Voor de oorlog ontwierp hij al het station van Naarden-Bussum.

Reislust

Het is opmerkelijk dat Oost in crisistijd werd verrijkt met twee moderne stations. Dat is voor een groot deel de verdienste van Salomon Rodrigues de Miranda (1875-1942), wethouder van Volkshuisvesting en Publieke Werken, die zich een daadkrachtig bestrijder van de werkloosheid betoonde. G. Borrie schrijft in zijn levensbeschrijving van De Miranda1: “Een groot werk, dat de gehele wethoudersperiode van De Miranda een belangrijke bijdrage zou leveren aan de werkgelegenheid, was het omhoog brengen van de spoorbanen in Amsterdam-Oost en de bouw van twee nieuwe stations aan de verhoogde spoordijken: het Muiderpoortstation en het Amstelstation. Deze grote spoorwegobjecten, die geraamd werden op ongeveer 30 miljoen gulden en voor het overgrote deel door de Nederlandse Spoorwegen werden gefinancierd, zouden de bewoners van Amsterdam-Oost verlossen uit hun isolement, omdat de overwegen met hun spoorbanen werden vervangen door viaducten.”

Stationsarchitect Schelling maakte dankbaar gebruik van het sociale beleid in Amsterdam. Zijn baanbrekende Amstelstation genoot bij oplevering veel aanzien, ook internationaal. Schelling koos voor de baksteenbouw van de door hem bewonderde Amsterdamse School, maar liet de franje achterwege zodat zijn stations eerder onder de noemers vallen van het functionalisme en de Nieuwe Zakelijkheid. Om het strenge karakter van zijn stationsgebouwen door middel van kunstobjecten te verzachten, deed hij een beroep op beeldend kunstenaars. Het Muiderpoortstation kreeg een rond decoratieraam in de noordwand van de hal. Dit kunstwerk van Heinrich Campendonk stelt een vogeltrek voor, symbool voor de menselijke reislust. Kunstenaars gebruikten de metafoor van de vogeltrek wel vaker, zoals te zien is in de stations van Den Bosch, Eindhoven, Geleen en Zaandam. Campendonk heeft de vogels getekend met loodstaafjes. De glasdelen zijn zacht van kleur: diverse tinten blauw, reepjes paars en hier en daar bruin. Sommige grijzen zouden na een schoonmaakbeurt wel eens wit kunnen zijn. Een vlucht ganzen vliegt tegen een troep meeuwen in en er lijken ook enkele duiven present. De weergave is niet gestroomlijnd, waardoor de afbeelding een dynamische indruk maakt. Kunsthistoricus Hans Jaffé (1915-1984) schreef over Campendonk: “De lijnen van zijn ontwerpen verstrengelen zich tot een helder en hecht patroon, waarbinnen de kleuren van het glas in een ingetogen gloed opvlammen.”

De jonge Campendonk exposeerde in 1911 met avant-gardistische kunstenaars als Wassily Kandinsky, Franz Marc en Paul Klee. Tijdens zijn studie aan de Kunstnijverheidschool in zijn geboorteplaats Krefeld had hij zich de glas-in-loodtechniek eigen gemaakt. Campendonk had voor verschillende kerken glas-in-loodramen ontworpen toen hij in 1933 emigreerde uit het kunstvijandige nazi-Duitsland naar België. Twee jaar later werd hij in Amsterdam hoogleraar monumentale en versierende schilderkunst aan de Rijksacademie, een functie die hij tot 1956 vervulde.

Tussen de twee wereldoorlogen werd een monumentaal kunstenaar geacht een priesterrol te vertolken of zich in dienst te stellen van de gemeenschapskunst. Campendonk maakte de monumentale kunst minder verheven en meer ondergeschikt aan de architectuur. Professor Campendonk had veel invloed op zijn studenten. En van hen, figuratief expressionist Lex Horn, ontwierp een rond glas-appliqué-raam voor station Eindhoven (1956). Horn werkte met een nieuwe glastechniek, maar koos ook voor het thema vogeltrek, dat hij in zijn eigen stijl uitwerkte.

Een modern, eigentijds kunstwerk

Voor de decoraties in het Amstelstation werd een prijsvraag uitgeschreven. Peter Alma (1886-1969) won de competitie en zijn wandschilderingen sieren de enorme stationshal nog steeds. Alma was een gemeenschapskunstenaar, die op de kopwanden zijn geloof in de vooruitgang verbeeldde. Volgens Wilfred van Leeuwen2 wilde Alma aanvankelijk een allegorisch figuur aanbrengen, die de overgang van stoomlocomotief naar elektrische trein zou uitbeelden. Maar dat was naar de smaak van de prijsvraagjury te symbolisch. In die jury zat niet alleen ir. Schelling, maar ook prof. Campendonk, die als kunstenaar wellicht al bezig was zijn vogeltrek voor de stationshal van Muiderpoort te ontwerpen.

De vogeltrek werd een eigentijds kunstwerk, moderner dan de creaties van Alma in de hal van het Amstelstation. Diens wandschilderingen lijken behouden te worden voor de toekomst. De kans is namelijk groot dat het Amstelstation over een paar jaar de status krijgt van rijksmonument. De zorg voor de vogeltrek van Campendonk in station Muiderpoort is echter onzeker. Wie het kunstwerk, waar inmiddels al twee gaten in zitten, wil bezichtigen moet de achterste ruimte van de fietsenstalling betreden.

Douma concludeert over de stations Amstel en Muiderpoort: “Al met al is in een crisisdecennium met karige stationsbouw aan het eind van de jaren dertig door architect Schelling een tweetal stations gerealiseerd, die een inspiratiebron vormen voor veel naoorlogse en recente stationsontwerpen.” Daarom ook stonden beide stations op de lijst om rijksmonument te worden. Station Muiderpoort is echter, met uitzondering van het seinhuis, van die lijst afgevoerd. Maar de drie gebouwen die stationsarchitect Schelling aan de overkant van het Oosterspoorplein neerzette, moeten in wezen tezamen met het station als een bouwwerk worden gezien. De twee dienstwoningen en het dienstgebouw met ronde gevel vormen samen met het stationsgebouw een geheel, dat verloren dreigt te gaan als de monumentale waarde ervan wordt genegeerd.

A. van der Vliet is historicus

 

Noten

1. G.W.B. Borrie. Monne de Miranda. Een biografie. Den Haag, 1993.

2. W. van Leeuwen, H. Romers. Een spoor van verbeelding; 150 jaar monumentale kunst en decoratie aan Nederlandse stationsgebouwen. 1988. 
 

Delen: