De filmdictator van Amsterdam

Een korte eeuw geleden was hij de bekendste en de meest omstreden ambtenaar van Nederland. Verantwoordelijk voor een enorme knoeiboel op het stadhuis. "Een tiran, die optrad op een wijze, die een dictator hem benijd zou hebben", schreef de Amsterdamse correspondent van de Provinciale Groningse Courant. Simon B. Stokvis was zijn naam en hij was jarenlang de moralistische krentenweger van de Amsterdamse filmkeuring.

De pers had hem in het vizier. Verslaggevers van De Telegraaf, De Groene Amsterdammer, Het Volk, Het Handelsblad en vele andere dag- en weekbladen verdiepten zich in zijn handel en wandel. Niet zonder reden. Ambtenaar Simon B. Stokvis was in Amsterdam belast met het keuren van films, hij genoot aanzien en zijn macht in de Amsterdamse bioscoopwereld was ongekend. Vooral de exploitanten van de kleinere bioscopen, zoals Centraal op de Nieuwendijk, Hollandia op de Haarlemmerdijk (nu The Movies) en Van Swinden bij de Dapperstraat, konden er over mee praten.
Een ooggetuige beschreef Stokvis' bezoek aan de bioscopen in het gezelschap van twee rechercheurs. "Hij treedt op de meest arrogante en prikkelende wijze tegen de ondernemers op, dringt, in strijd met de voorschriften van de brandweer, de cabines binnen om de goedkeuringsmerken met zijn duimstok na te meten, onderzoekt in de theaters, en in de eerste plaats weer bij kindervoorstellingen, of er niet één of twee kinderen méér op een rij zitten dan het door de brandweer voorgeschreven aantal (waarmede hij niets te maken heeft) en dreigt tenslotte de ondernemers bij de minste overtreding 'hun theaters te zullen sluiten!!'"
Zoveel weerzin wekte Stokvis op, dat de redactie van de Haagsche Post het volgende grapje afdrukte: "Moet stokvisch eerst gebeukt en dan geweekt worden òf is het: eerst geweekt en dàn gebeukt?" Het antwoord luidde: "Stokvis moet eerst een kwartier flink gebeukt worden en dàn moet hij minstens een half uur onder water liggen." Wie de verhalen over hem leest, denkt onwillekeurig aan recente zaken rond ambtenaren op het stadhuis. Ook Stokvis maakte zich schuldig aan belangenverstrengeling en toonde (in de woorden van Het Parool over zo'n hedendaagse kwestie) "gebrek aan professionele distantie die van een ambtenaar op zijn niveau mocht worden verwacht". Maar daarover later.

Pseudokunst

Als uitvloeisel van de Bioscoopwet uit 1926 werd begin 1928 door de overheid de Rijksfilmkeuring oftewel de Centrale Commissie voor de Filmkeuring (CCF; vanaf 1977 De Nederlandse Filmkeuring) ingesteld. De keuring moest films preventief censureren: oordelen of een film in strijd was met de openbare orde of goede zeden.
Keuringsambtenaar Stokvis speelde zijn rol in de twee decennia daarvóór, toen film snel aan populariteit won. Vooral de overheid en de geestelijkheid zaten ermee in hun maag. Ze vreesden voor "het zedelijk en maatschappelijk gevaar dat aan bioscoopvoorstellingen verbonden zou kunnen zijn". Iemand die pleitte voor regels was de toneelcriticus van het tijdschrift De wereld, orgaan van de Vrijzinnig Democratische Bond, genaamd Simon B. Stokvis. Een groot filmliefhebber was hij niet. Hij beschouwde (speel)film als een 'pseudokunst', die zich niet met het toneel kon meten - daarvoor miste de film volgens hem "stemmingskunst, verfijnde psychologie, geestige dialogen".
Maar anders dan de meeste van zijn collega's hield hij wel een pleidooi voor serieuze beschouwingen over het artistieke gehalte van films. De bioscoopbezoeker moest worden begeleid bij zijn filmkeuze. Er stond Stokvis een soort opvoedingsideaal voor ogen, zonder twijfel terug te voeren op zijn afkomst uit een klassiek Joods diamantbewerkersmilieu, waar veel waarde werd gehecht aan culturele emancipatie. Zelf had hij de hbs doorlopen en zich in Engeland in het theater verdiept. Ook gaf hij Engelse les aan het schrijfmachine-instituut van Adriaan Schoevers.
Criticus Stokvis noemde zichzelf een "puritein noch een zedelijkheids-fanaat". Maar films met "grove clownerie, grove obsceniteit", films die niet meer boden dan "een walgelijke etalage van naakt vrouwenvleesch", moesten verboden worden. Toch kon hij in Het Handelsblad plots ook enthousiast schrijven over een film met Asta Nielsen, die "ons laat genieten van haar heerlijke lijnen en weet te woekeren met iedere centimeter van haar lichaam".

Prikkelbioscoop

Als liberaal ingestelde sociaaldemocraat moest hij niets hebben van gemeentelijke filmcensuur of overheidsingrijpen. Van de bioscoopexploitanten zelf verwachtte hij weinig zelfcensuur. Die zagen volgens Stokvis het verschil niet tussen het "smaakvolle en smakelooze" en bovendien zaten ze niet te wachten op inmenging in hun bedrijf. De oplossing was een groep onafhankelijke "artistieke filmconsulenten". Confessionele keurders zouden films verbieden op grond van "onkuisheid" of "benedennavelsche zonde", vreesde hij. Politie-inspecteurs op hun beurt konden in de bioscoop natuurlijk wel constateren of er een "juffrouw in haar onderlijfje" was te zien of dat er een "aanschouwelijke moord" werd gepleegd. Maar van "smaakbedervende en gevoelsafstompende elementen" hadden ze geen kaas gegeten. Wíe artistiek filmconsultant moesten worden, liet hij nog in het midden, maar toneelcritici dienden hen op de vingers te zien, schreef hij in het blad De Wereld in 1912.
Steun voor zijn plannen was er van de Joodse arbeidersvereniging Handwerkers Vriendenkring. In april 1912 belegden het bestuur en Stokvis een vergadering met onder anderen de pedagoog Jan Gunning, de toneelactrice Esther de Boer-van Rijk en de letterkundige Herman Robbers. Er kwam een Comité ter bestrijding van het Bioscoopkwaad, met Stokvis als secretaris, tegen "de Prikkelbioscoop". Om het goede voorbeeld te geven vertoonde het Comité in een bioscoop in Oost onschuldige korte films over "het wonder der cristallisatie" en "straattoneeltjes in Amsterdam".
Politici als Floor Wibaut en Monne de Miranda en andere genodigden van de feestelijke opening waren enthousiast. Maar de gewone leden van de HWV bleven weg. Na drie weken moest deze Keurbioscoop zijn deuren sluiten. Het verenigingsorgaan De Handwerksman constateerde bitter dat de leden liever naar bioscopen gingen waar "smakelooze, op 't kantje of obscure voorstellingen gegeven worden, dan de op een hooger peil gebrachte vermaakskunst met hun tegenwoordigheid te vereeren". Maar volgens Stokvis kozen de filmliefhebbers niet bewust voor de "prikkelbioscoop": "Het is alleen de domme sleur, het gebrek aan bewustheid, de afstomping der gewoonte, die de groote menigte genoegen doet vinden in minderwaardige vermaken."

Kinderen

Om de ernst van het bioscoopmonster te onderstrepen onderzocht het Comité in mei en juni 1913 het bioscoopbezoek van 30.000 Amsterdamse kinderen. Aanleiding was onder meer een briefwisseling tussen Stokvis en Gerard Anton van Hamel, de oprichter van Pro Juventute in 1896, die een verband had gelegd tussen jeugdcriminaliteit en bioscoopbezoek. Voor het onderzoek schakelde Stokvis Amsterdamse onderwijzers in: "Want wie zouden het in dit opzicht meer met ons eens zijn dan de onderwijzers? Worden zij niet rechtstreeks in hun levenswerk geschaad door den bioscoop?"
Het Amsterdamsche schoolkind en de bioscoop is het minutieuze verslag van ongeveer 120 bioscoopvoorstellingen, vooral in theaters in volksbuurten. "Tal van bioscooptheaters zitten des Dinsdags-, Woensdags-, Donderdags- en Zaterdagsmiddags in letterlijken zin volgepropt met kinderen van vijf- tot twaalf jarigen leeftijd. Deze vermaakslokalen zijn ware kinderbewaarplaatsen geworden, waar men de kinderen door den lagen toegangsprijs (zes cents meestal) heen lokt, en waar aanschouwelijk onderwijs in inbraak, brandstichting, moord, verkrachting en afpersing hun geboden wordt als een welkome afwisseling na de huns inziens 'taaie' lessen op school."
De meeste films waren volstrekt ongeschikt voor kinderen. "In weinig woorden gezegd, heb ik in al die sensatiefilms slechts deze twee vragen zien beantwoorden: 1e. Hoe komt een vrouw aan een man? 2e. Als ze er een heeft, hoe zal ze hem dan met een ander kunnen bedriegen?" Schokkend, noemde Stokvis de resultaten van het onderzoek. "Een leerling heeft wel eens uit moeders portemonnaie gestolen om naar den bioscoop te gaan; twee jongens hebben wel eens iets uit moeders winkelvoorraad gestolen, en dat te gelde gemaakt. om naar den bioscoop te gaan." En: "Kenmerkend is nog, dat verscheidene leerlingen, die bekend staan als zeer middelmatig en laks, thans gebleken zijn, herhaaldelijk bioscoopvoorstellingen te bezoeken."

Kruistocht

Op 4 november 1913 deed het Comité aan 37 directeuren van bioscopen het voorstel om een vrijwillige keuring van films voor kinderen beneden de zestien jaar in te stellen. Slechts twee directeuren reageerden positief. Stokvis concludeerde dat de bioscoopdirecteuren zelf vrijwillig geen maatregelen zouden nemen en vroeg daarom de Amsterdamse autoriteiten een bioscoopcommissie te installeren: een keuringscommissie met politie, ambtenaren en vertegenwoordigers van het onderwijs en de medische wetenschap. Niet alleen katholieke en protestantse gemeenteraadsleden steunden hem, ook veel sociaaldemocraten en (links)liberalen. Wibaut, bijvoorbeeld, beschouwde de filmkeuring als een noodzakelijke pedagogische maatregel, ter "bescherming van het onbeschermde volkskind".
Maar zijn partijgenoot Willem Vliegen en de liberaal David Manassen zagen er juist een begin van overheidscensuur in. En de bioscoopexploitanten waren furieus. In januari 1914 presenteerde 'Het Agitatie-Comité van Bioscoop-Exploitanten, -Directeuren enz.' een vijftien pagina's tellende aanklacht tegen de kruistocht van Stokvis: de brochure van Stokvis stond vol onjuiste en ongecontroleerde gegevens, het leek wel een kruistocht tot ook de laatste bioscoop van de aarde verdwenen zou zijn.
De gemeentelijke en particuliere bioscoopcommissies vergaderden in mei 1915 over een gezamenlijke keuringsnorm. Unaniem verwierpen zij Stokvis' pleidooi om ook films af te keuren op artistieke gronden, films die de jeugd "onaesthetische emoties" gaven. Iemand merkte op "dat men hier alleen bijeen is om uit te maken, wat men als verkeerd en slecht beschouwt, en niet wat men niet erg mooi vindt". Maar bij burgemeester Jan Willem Tellegen vond Stokvis wel een gewillig oor. In 1918 stelde hij aan de raad voor om de filmkeuring op te dragen aan één ambtenaar, ondersteund door enkele commissieleden die hem adviseerden. De raad sputterde tegen. Die ambtenaar "zou eerst gek en daarna blind worden, om vervolgens te overlijden aan het vele film kijken", klonk het. Bovendien dreigde eigenmachtig optreden, dus censuur.

Maniak

Er kwam een compromis en in 1919 werd tegen een weekvergoeding van f 60,- Simon B. Stokvis aangesteld als keuringsambtenaar. Voorafgaand aan elke film verscheen op de Amsterdamse filmdoeken voortaan een keurmerk met zijn handtekening. Hij besloot zich eerst in de bioscoop op zijn nieuwe functie te oriënteren. Zo bezocht hij in Luxor op de Nieuwendijk Schrik der Veedieven, met Douglas Fairbanks. Toevallig was ook Nathan Heyman Wolf van het blad Kunst en amusement aanwezig en hij noteerde hoe de nieuwbakken keuringsambtenaar zich opwond over de film. "Als straks Simon B. Stokvis in werking treedt, is het met Fairbanks en Pickford gedaan! Dan zullen de móóie, origineele Wild West-films niet meer mogen worden vertoond en zal de onbetaalbaarheid der films hand aan hand gaan met de onbetaalbaarheid der stupiditeit."
Het feit dat Stokvis de enige keuringsambtenaar was, maakte hem natuurlijk extra omstreden. Zo beschuldigde ene A. de Munck in het februarinummer van Kunst en amusement de door "een artistiek lorgnet kijkende Simon Stokvis" van drammerigheid. Na de filmkeuring voor kinderen beneden de zestien jaar, probeerde "maniak Stokvis" zelfs films te keuren voor personen tussen zestien en achttien jaar, schreef hij. "Dit is een bedenkelijke stap naar een algemeene keuring, zelfs voor volwassenen."
De Amsterdamse bioscoopexploitanten boden in juni 1921 aan de burgemeester een zwartboek aan over Stokvis. Zo zou hij tegen een exploitant hebben opgeschept over "het drillen van het zootje van de bioscoopcommissie". En als er maar een komma of een uitroepteken in een tussentitel van een zwijgende film op de verkeerde plaats stond, eiste hij een kostbare rectificatie. Een onderzoekscommissie ingesteld door de nieuwe burgemeester Willem de Vlugt concludeerde: Stokvis moest weg. "De machtsweelde is Stokvis fataal geworden", schreef De Telegraaf. Beter was een rijkskeuring, "want dan is 't rijk van den heer Stokvis uit". Maar gemeentesecretaris S. J. van Lier redigeerde het persbericht, waarin Stokvis werd vrijgepleit van machtsmisbruik. Wel moest hij wat meer "ambtelijke kalmte" bewaren.

Moddergooien

Het moddergooien hield niet op. De voorzitter van de keuringscommissie, gemeentearts en psychiater Israel Zeehandelaar, was volgens Stokvis "een groote ploert" en van zijn kant liet Zeehandelaar, die met vijf andere leden meteen aftrad, weten dat Stokvis de "hooge moraliteit en levensopvatting" miste die zijn functie vereiste. Hij zou zich laatdunkend hebben uitgelaten over "de waarde van het boterbriefje" en corresponderen met een minderjarig meisje, nota bene de dochter van een bioscoopexploitant. "Een weeë zaak voor een getrouwde man met drie kinderen", aldus Zeehandelaar.
Toch bleef de omstreden Stokvis in functie, vooral met steun van gemeentesecretaris Van Lier en Zeehandelaars opvolger substituut-officier van justitie Johan van Thiel. In Amsterdam hielden de ambtenaren elkaar de hand boven het hoofd, meende De Telegraaf. Terwijl "mannen van onbetwiste reputatie werden gedesavoueerd en geridiculiseerd, behield de Pruisische Stokvis" zijn baan.
Burgemeester Willem de Vlugt kon niet langer terzijde blijven. Stokvis' functie werd uitgekleed. Na februari 1924 mocht hij alleen nog controleren of de 'foute scènes' inderdaad waren verwijderd en of de leeftijdregels van de bezoekers werden nageleefd. Maar het bleef rommelen. Hij zou hebben gesjoemeld in het Union Theater op de Heiligeweg met de keuringskaarten La garçonne (De vrijgezellin). De film werd afgekeurd, na coupures door Stokvis en de exploitant goedgekeurd en toch weer afgewezen.
Simon B. Stovis verloor zijn baan. Eerst bekeek de gemeente in oktober 1924 of het salaris (f 6300,-) wel in verhouding stond met zijn werkzaamheden, daarna volgde in februari 1925 eervol ontslag. Het experiment met een ambtelijke filmkeuring was voorbij. De Amsterdamse bioscoopcommissie sloot zich aan bij de Vereeniging van Gemeentelijke en Particuliere Bioscoopcommissies. De Bioscoopwet van 14 mei 1926 maakte een einde aan alle lokale bioscoopcommissies met hun eigen criteria.
En de ontslagen filmambtenaar? Die keerde terug naar de schrijfmachine, bleef erbij dat film een pseudokunst was, maar vertaalde wel nog een aantal verfilmingen van Shakespeare.

Delen:

Jaargang:
2018 70

Gerelateerd

Nummer 10: November/December 2018
Nummer 10: November/December 2018
Inhoud 20 november 2018
A.L. Snijders’ jonge jaren in Amsterdam
A.L. Snijders’ jonge jaren in Amsterdam
Markante Amsterdammers 14 november 2018
250 jaar hotel Stad Elberfeld
250 jaar hotel Stad Elberfeld
Verhaal 14 november 2018