De fantastische verspringer Henk Visser

'Je bent een balletdanser en loopt door de lucht.' Zo omschreef Henk Visser zijn verspringen. Hij kwam er in 1956 verder mee dan wie dan ook in de wereld op dat moment. Olympisch goud lonkte. 

Alleen ruim behuisde Amsterdammers kunnen het in de woonkamer nameten: acht meter. Zo ver, op twee centimeter na, was de sprong van de Amsterdamse atleet Henk Visser (1932-2015) in Boekarest op 17 september 1956. 7,98 meter: een Europees record. Geen Nederlandse baanatleet tekende nadien voor zo’n uitzonderlijke prestatie. Visser was waarschijnlijk het grootste atletiektalent dat Nederland ooit heeft gekend.

De berichtgeving de volgende dag in de kranten was echter koel en zakelijk. De Telegraaf schreef: “een formidabele sprong”, maar verder gingen de bladen zich niet te buiten aan superlatieven. Vissers prestatie werd wel naar waarde geschat door trainers uit de toenmalige Sovjet-Unie. Toen hij twee jaar later in Sofia aan een wedstrijd deelnam, hoorde hij dat de film van zijn sprong in Rusland als studiemateriaal diende. “Men had deze sprong van de eerste pas van de aanloop tot en met het voorover duikelen in de zandbak gefilmd en de Russische verspringers deden er hun voordeel mee”, schreef Bob Spaak, later chef van Studio Sport, in 1958 in Sport voor Sport.

Op zijn zestiende was Henk Visser, geboren in Willemstad, Curaçao, met zijn ouders en twee broers (Jan-Willem en Rudi) naar Amsterdam gekomen. Vader Gerrit had voor Shell gewerkt, moeder Cornelia ‘Cor’ Norden was onderwijzeres. In Amsterdam vond Gerrit een baan als suppoost in een museum, Cor werd weer onderwijzeres. Het gezin vestigde zich op het Robert Kochplantsoen in de Watergraafsmeer, boven een van de winkels bij de Kruislaan.

Flair

Vijftig meter verderop woonde het echtpaar Spaak met zoon Bert. Henk Visser kwam er wel eens langs; Bob Spaak was in zijn jonge jaren sprinter bij atletiekclub AAC geweest. Zoon Bert herinnert zich: “Dankzij zijn talent in de atletiek en een vlotte babbel, was hij [Henk, red] ook wel gast in radioprogramma’s van mijn vader.” Visser combineerde die vlotte babbel met handelsinstinct. Hordenloper Peter Nederhand (1932) had Visser in Boekarest niet zien springen, maar wel opgemerkt dat hij nylons aan Roemeense meisjes stond te verkopen. Die waren in het Oostblok niet te krijgen. “Zulke dingen had hij constant. Dat instinct en veel flair. Hij nam mensen voor zich in.”

Henk Visser werd tussen 1951 en 1958 zes keer Nederlands kampioen verspringen, drie keer kampioen hoogspringen en in 1958 ook nog nationaal kampioen op de 100 meter. Het kwam hem aanwaaien, hij hoefde er niet heel veel voor te doen. Zijn trainer Hes Grewer, een buurtgenoot die hem op het Olympiaplein onder handen nam, had een makkelijke klant aan hem. “Ik was vlug van begrip”, zei Visser zelf in 1987 in een interview met Mart Smeets. “Ik keek één keer hoe het moest en ik kon het.” Verspringen zag hij als een kunst. Hij zette na zijn aanloop af met links, deed in de lucht een stap met rechts en met links, om daarna zwevend, met de hielen en het zitvlak op gelijk niveau, de landing in te zetten. “Er hoort ritme in te zitten. Je bent een balletdanser en loopt door de lucht.”

De alleskunner verzuimde wel eens zijn talent echt in te zetten. Bert Spaak herinnert zich een estafette waarin Visser als vedette de slotloper van de AAC-ploeg was. “Die avond liep de ploeg van Henk met grote voorsprong naar de titel. Iedereen was ervan overtuigd dat het oude record van de ploeg van mijn vader zou sneuvelen. Maar Henk ging niet voluit. Hij genoot van de voorsprong en van het mooie weer en liep ontspannen naar de streep. Zijn ploeggenoten waren niet over hem te spreken. Als Henk een beetje zijn best had gedaan, dan waren ze met een Nederlands record in de boeken gekomen.”

Melbourne

Met zijn recordsprong in september 1956 had Visser zich verzekerd van een startbewijs voor de Olympische Spelen van Melbourne twee maanden later. Sterker: door de beste wereldseizoenprestatie die hij in Boekarest had geleverd, was hij favoriet voor goud. Met enkele andere atleten was hij al in Australië toen het Nederlands Olympisch Comité besloot de Spelen te boycotten wegens de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije. Vanuit het vliegtuig op de weg terug zag Visser de opening van het sportfeest. De twee Spelen waar hij wel in actie kwam, brachten hem geen succes.

De eerste keer was in Helsinki in 1952. Hij had zich met 7,57 gekwalificeerd en bereikte de finale door één centimeter verder te springen dan de eis (7,21). Maar door drie ongeldige sprongen kwam er een nul achter zijn naam. Toch viel hij op: “In huid verpakte elastiek”, schreef Klaas Peereboom in Het Parool. Met 7,57 was het goud voor de Amerikaan Jerome Biffle.

Acht jaar later gold hij als een medaillekandidaat, dankzij een sprong van 7,97 in het voorseizoen in Santa Barbara, Californië. Omgerekend van feet en inches was het zelfs 7,974, luttele millimeters minder dan zijn fameuze record. Ondanks een goede voorbereiding kwam hij in Rome drie centimeter te kort om zich voor de finale te kwalificeren. Met 7,66 eindigde Visser als zevende. Olympisch goud ging naar de Amerikaan Ralph Boston: 8,12.

Een jaar voor de Spelen in Rome had Visser een studiebeurs van het Bakersfield College in Californië bemachtigd. Zo kon hij bij aangename temperaturen sporten; Nederland was hem te koud en te klein. Het ging hem goed af in Amerika. Hij sprong in Texas zelfs 8,05, maar die prestatie werd wegens te veel rugwind ongeldig verklaard.

Condor

Van studeren kwam niet veel terecht. Hij begon een bedrijfje dat sportkleding en -schoeisel uit Europa importeerde. Al snel deed hij ook in wijn en elektronica, mogelijk zelfs in de export van afluisterapparatuur, waarvoor in Amsterdam in kringen van de crimineel Pistolen Paultje grote interesse bestond. “Ik ben Philips in het klein. Philips laat zijn televisie of zijn minicomputer in Taiwan maken door Fai-Hoe Chong en zet er dan een stickertje van Philips op”, vertelde hij Mart Smeets. “Dat doe ik ook, alleen staat er bij mij Condor op.” In Amerika was Visser geboeid geraakt door die majestueuze vogels, wier zweefvlucht hij als verspringer toch zo knap had geïmiteerd.

Regelmatig keerde hij – soms met vrouw en kind – terug naar Amsterdam, waar hij steevast zijn moeder op het Robert Kochplantsoen bezocht. In maatkostuum liet hij zich zien op het Olympiaplein en poseerde daar bereidwillig als een succesvol zakenman met de aantrekkelijk atlete Hilda Slaman. Zijn moeder had zo haar twijfels over dat succes – en die waren niet ongegrond. In augustus 1974 kondigde hij bijvoorbeeld aan een popconcert te organiseren. Enige dagen later schreef Het Parool: “Het popfestival Indian Summer dat zondagmiddag in het Olympisch Stadion zou worden gehouden gaat niet door. De organisator, oud-verspringer Henk Visser, is zonder bericht achter te laten vertrokken naar Amerika, waar hij al vele jaren woont. Volgens de directie van het stadion zijn in de voorverkoop vrijwel geen kaarten verkocht.”

De oprichting van luchtvaartmaatschappij Condor Airlines moet het begin van het einde van de zakenman Visser zijn geweest. Waarschijnlijk door illegale transporten kwam hij in de gevangenis terecht. Advocatenrekeningen kostten hem zijn kapitaal en ook zijn geestelijk evenwicht: hij begon overal complotten te zien. Drie Amerikaanse huwelijken eindigden in echtscheiding; met zijn familie en zijn vier kinderen verloor hij het contact. Uiteindelijk keerde hij berooid naar Nederland terug. Hij trok in bij een vrouw in Arnhem, maar de relatie hield geen stand.

Rolstoel

“Hij projecteerde ideeën naar de toekomst en projecteerde zichzelf mee. En zat dan in de wereld van big business”, zegt Paul van Gool (1947) oprichter van Stichting Atletiekerfgoed. Hij leerde Visser in de laatste jaren van diens leven kennen. “Op een gegeven moment nemen mensen een fantast niet meer serieus. Henk was een hoogst intelligente vent. Zijn broers waren allebei arts. Hij had die intelligentie ook. Hij was geen man om te leren. Maar als weinig anderen kon hij met mensen omgaan.”

Voor de wat vereenzaamde Visser boden de gesprekken met Van Gool een kans om de balans op te maken. In zijn eigen ogen was er in zijn leven niets misgegaan. Het was hem allemaal overkomen. Dat hij in 1956 in Melbourne niet had kunnen springen, was een tegenvaller. Maar hij beet zich er niet in vast. Van sport had hij afstand genomen. Rancuneus was hij niet. De bobo’s met wie hij vaak overhoop had gelegen noemde hij spottend “gevulde koeken”.

Toen Visser niet meer goed kon lopen en zich in een rolstoel voortbewoog, werd het contact frequenter. Hij verzorgde zich slecht en raakte ondervoed. Van Gool spoorde in Californië Vissers dochter Linnea op, die haar vader bezocht. Met haar moeder, Sonja Strömberg, de Finse met wie Visser in 1968 was getrouwd, had Visser nog een keer telefonisch contact. Uit de verhalen had Van Gool opgemaakt dat dit huwelijk het ‘beste’ was geweest. Visser had Linnea nog leren fietsen.

Van Gool voorkwam dat hij van de armen werd begraven en zorgde voor een ordentelijke plechtigheid in een aula op de begraafplaats Moscowa in Arnhem. Hij stelde ook een overlijdens­bericht op en zette erboven: ‘De condor zweeft niet meer’. Het record van Henk Visser bleef 30 jaar staan. In 1987 sprong Emiel Mellaard 8,02 meter, een jaar later 8,19. Dat record bleef overeind tot 2013, toen Ignisious Gaisah in Moskou tot 8,29 kwam. 

Tekst: Guus Mater

Beeld: Nationaal Archief, fotorgraaf Harry Pot. Henk Visser tijdens de Olympische Spelen van Rome, 1960

Juli-augustus 2021

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers Sport
Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000