De familie Borski

Geld maakt niet gelukkig

De schrijver E.J. Potgieter (1808-1875) kon, naar eigen zeggen, nooit langs de ingang van het Overveense landgoed Elswout lopen, zonder te dromen van een roman, getiteld ‘De Borski’s’. “Dat Poolsch-Joodsche geslacht zou stof in overvloed leveren.” Nu kennen nog maar weinigen hun naam, maar in de vorige eeuw sprak deze Amsterdamse bankiersfamilie tot veler verbeelding.

Potgieter was niet de enige die meende dat de Borski’s van joodse afkomst waren. Die veronderstelling, waarschijnlijk niet als compliment bedoeld, is vrijwel zeker onjuist. Stamboomonderzoek leerde dat de familie generaties lang als distillateurs en brouwers in Utrecht heeft gewoond en dat sommige Borski’s zelfs in de vroedschap zaten, terwijl toch in die stad geen joden mochten wonen. Hun Poolse afkomst is ook niet zeker; wel staat vast dat Herman Borski (1640-1684) uit Westfalen kwam. De naam Borski zou wel op een oostelijker herkomst kunnen duiden; deze is waarschijnlijk afgeleid van Boris, een heilig verklaarde Russische tsarenzoon, vermoord in 1015. David Borski (1722-1768), Hermans in Utrecht geboren kleinzoon, trouwde in 1748 met een Amsterdamse en werd hier een jaar later als makelaar geregistreerd. Uit zijn derde huwelijk, met Bertha Janzon, werd op 16 januari 1765 een zoon geboren, in de Zuiderkerk gedoopt als Willem. Het kind was pas drie jaar oud toen vader David op 9 december 1768 overleed.

Bij de top-zes van Amsterdam
Op 9 december 1790 trouwde Willem Borski (25 jaar oud) met Johanna Jacob van de Velde. Ze kregen tien kinderen, waarvan er twee jong stierven. Willem, aanvankelijk ook makelaar, werd later koopman in graan, indigo en rijst. Zijn kapitaal vermeerderde snel en langzamerhand werd hij meer financier en bankier. In 1803 werd Willem Borski genoemd als een der zes hoogst aangeslagenen van Amsterdam, met een inkomen van 100.00 francs per jaar en een geschat eigen vermogen van tien miljoen gulden. Hoe hij in die moeilijke Franse tijd aan dat vermogen kwam, blijft gissen. Maar hij heeft zeker geprofiteerd van zijn goede relaties met het bankiershuis Hope & Co., in het bijzonder met de firmant Pierre César Labouchere en, via diens familie, met de firma Baring Brothers in Londen. In 1806 was Borski mede-oprichter van de Associatie Cassa in Amsterdam, in 1952 gefuseerd met de Kas-Associatie en sedert 1974 grotendeels eigendom van de Vereniging voor de Effectenhandel.
Willem belegde zijn kapitaal in aandelen en obligaties en ook in onroerend goed. In 1805 kocht hij het landgoed Elswout met de duineen van het Zwarte Veld, de uitspanning Kraantje Lek en het duin De Blinkert in Overveen voor ƒ 65.000 van Jacob Boreel. In de loop van de 19de eeuw zouden Willems nazaten eigenaar worden van een groot stuk van het duingebied ten westen van Haarlem. Het huis Elswout was omstreeks 1645 gebouwd door Jacob van Campen op een afgevlakte duintop. In de architectuur van het poortgebouw, dat nooit is verbouwd, is Van Campens hand nog te herkennen. In Amsterdam kocht Willem in 1809 Keizersgracht 566 voor ƒ 50.000. Daar woonde hij een deel van het jaar en hield er kantoor.

Een vrouw met durf
Om geld te verdienen was geen moeite Willem te veel. Hoewel hij moeilijk liep en tobde met tal van andere kwalen, ging hij in maart 1813 op verzoek van Hope & Co. samen met Samuel Labouchere, een broer van Pierre, naar Londen. Op de Russische staatsleningen, waarvan Hope de emissie had verzorgd, werd door de Russen geen rente meer betaald, omdat Holland nog steeds deel uitmaakte van Frankrijk. Via Baring Brothers wilde Willem daar in Engeland iets aan doen. De reis verliep onstuimig: het stormde, het schip sloeg lek en de kok overboord. De besprekingen in Londen hadden succes, maar de heren werden kort nadien wel uitgewezen. Op de terugreis nog beschoten door een Engels oorlogsschip, kwamen ze ten slotte behouden thuis. Daar declareerde Willem – los van zijn honorarium – minutieus iedere fooi, de aankoop van enkele boekjes, een nieuwe portefeuille, zelfs één gulden voor de kapper. De missie zal hem geen windeieren hebben gelegd, maar heeft zijn conditie waarschijnlijk aangetast. Niet lang na terugkeer, op 5 februari 1814 overleed Willem Borski en werd begraven in de Nieuwe Kerk.
Na de dood van haar man nam de toen 50-jarige Johanna de leiding van het kantoor over, onder de firmanaam Wed. W. Borski. Zakendoen was haar niet vreemd. Vanuit Londen had Willem haar bijvoorbeeld aanwijzingen gegeven voor beleggingen. Bovendien wist zij zich gesteund door de procuratiehouder, latere firmant en toeziend voogd over de kinderen, J.B. Stoop (1781-1856). Stoop was een uitstekende financier, over wie Willem ooit zei: “Voor myn vriend Stoop kan ik geene finantieelle geheijmen hebben.”
Johanna Borski-van de Velde was een vrouw met visie en durf. In 1814 richtte koning Willem I De Nederlandsche Bank op en bepaalde dat het aanvangskapitaal vijf miljoen gulden moest bedragen. Twee jaar nadien was dat bedrag nog niet bereikt; velen keken de kat uit de boom. Mevrouw Borski had echter het lef om op 10 maart 1816 voor twee miljoen gulden in te tekenen, waarna het koninklijk ‘octroy’ werd verleend.
Voor haar omgeving was zij niet makkelijk. Ook toen zoon ‘Willem II’ al lang medefirmant was, moesten alle zakelijke beslissingen vooraf door haar worden goedgekeurd. Johanna Borski-van de Velde overleed op 12 april 1846, ruim 81 jaar oud. Dat er nog een portret van haar bestaat (weliswaar een kopie) is niet aan haar te danken: ze had bepaald dat na haar dood ook de familieportretten begraven moesten worden.

Kredieten voor spoorwegaanleg
Willem Borski II was intussen in de voetsporen van zijn vader getreden. Na de dood van zijn vader moest Willem van zijn moeder zijn letterenstudie afbreken. Ze stuurde hem naar Londen om zich bij Baring Brothers verder te bekwamen. Hij bleef daar tot 1819 en breide zijn kennissenkring flink uit, helaas niet altijd ten goede. De welgestelde jongeren van Londen stonden destijds bekend om hun losse seksuele moraal; mogelijk dankte Willem zijn latere lichamelijke klachten aan die Londense escapades. Terug in Amsterdam trouwde hij, nog geen 21 jaar, met Cathéerine Antoinette Boode (1801-1877), in de wandeling Cateau. Het eerste kind, Johanna Jacoba, werd pas acht jaar na hun huwelijk geboren. Vier jaar later volgde Louise Cathérine Antoinette en weer twee jaar later Willem (III).
Willem II was zeker zo’n goed financier als zijn vader. Hij vergrootte het familiekapitaal en verstevigde de relaties met andere bankiershuizen. Hij verschafte onder meer grote kredieten voor de aanleg van spoorwegen, in Nederland én Amerika. Daarbij maakte hij dankbaar gebruik van de omstandigheid dat zijn oudste zus, Bartha Johanna Borski (1791-1857), getrouwd was met Jan van der Vliet, firmant van de firma Gebrs van der Vliet ‘De IJzerstaven’ op Bickerseiland.

Gierig en slechte manieren
Willem Borski II was vooral uit op financiële macht, niet op luxe of aanzien binnen de Amsterdamse society. Anders dan gebruikelijk in die kringen ambieerde hij geen ambtelijke functies. Bepaald populair waren de Borski’s niet bij de Amsterdamse elite. Dat lag deels aan het feit dat ze in die kring relatieve ‘nieuwkomers’ waren, maar ook aan het onaangename karakter van deze Willem. Veel mensen waren bang voor hem; de spreekkamer van Elswout werd de ‘knijpkamer’ genoemd. Hij was de ongekroonde koning van Overveen en voor een raadsvergadering liet de burgemeester eerst vragen of meneer nog wensen had.
Behalve om zijn slechte manieren, was Willem berucht om zijn gierigheid. ‘Tout Amsterdam’ sprak er schande van dat bij de bruiloft van zijn dochter Louky (over wie dadelijk meer) er geen bloemetje op tafel af kon. Dat de wijn niet in karaffen, maar nog in de fles op tafel kwam, werd ook als heel ordinair beschouwd. Het echtpaar ontving op Elswout wel gasten, maar liet ze nogal eens aan hun lot over. Het was er een kale boel: iedereen om half tien naar bed, met slechts één kaarsje.
Willems echtgenote Cateau was door haar grootouders Frans opgevoed en sprak uitsluitend Frans, hoewel ze het Nederlands zeker machtig moet zijn geweest om het huishouden met zo’n 70 personeelsleden te bestieren. In het Nederlands gestelde brieven aanvaardde zij niet, zelfs niet van haar eigen kinderen!
Financieel mocht het ze dan goed gaan, met hun kinderen hadden ze minder geluk. Het huwelijk van zoon Willem III bleef kinderloos en in het huwelijk van hun oudste dochter deed zich veel ellende voor. Ook van hun jongste dochter zullen zij niet veel vreugde hebben beleefd.

Geen financieel genie
Na zijn kostschooltijd deed Willem Bronski III (1834-1884) net als zijn vader ervaring op bij Baring Brothers in Londen. Op zijn 22ste werd hij opgenomen in de firma Wed. W. Borski, maar het ontbrak hem aan financiële genialiteit. Hij beheerde het kapitaal zorgvuldig, maar veel nieuwe initiatieven nam hij niet. In 1867 trouwde hij met de 18-jarige Johannes Jacoba (Jacqueline) Hoey Smith. Het huwelijk, afgedwongen door de ouders van de bruid, stelde niet veel voor.
Willem en Jacqueline woonden ’s winters op Keizersgracht 566 (waar nu de gereformeerde Keizersgrachtkerk staat) en ’s zomers op Elswout. Willem was een gepassioneerd jager, Jacqueline was meer op het stedelijk uitgaansleven ingesteld. De heer des huizes hechtte veel meer aan uiterlijke grandeur dan zijn vader. Hij liet in 1882 het oude huis Elswout vervangen door een vorstelijke villa, naar ontwerp van de toen zeer gevierde architect ir. C. Muysken. Voor de tuinen werden de beroemde tuinarchitecten F. Petzold en Leonard A. Springer gevraagd. Intussen werd de gezondheid van Willem Borski III steeds slechter, ondanks bezoeken aan beroemde badplaatsen. Hij stierf in 1884 in Cannes, nog geen 50 jaar oud. Het nieuwe Elswout was toen nog niet voltooid en is jarenlang onafgebouwd blijven staan.
Jacqueline, door Borski’s verder volkomen genegeerd, hertrouwde met jonkheer Henry Tindal, zij kregen nog twee kinderen.
Willems III oudste zus, Johanna (Anna) Jacoba Borski (1828-1912), was in 1850 getrouwd met haar volle neef David van der Vliet ( 182201889). Een huwelijk tussen neef en nicht is veelal funest voor het nageslacht en dat bleek ook hier. Van hun vijf zonen en vier dochters liet de lichamelijke en geestelijke conditie heel wat te wensen over.
De veelbelovende oudste kleinzoon van Willem Borski II, Jan Anton, stierf al op 20-jarige leeftijd in Nice. De tweede zoon, Willem, sukkelde met zijn gezondheid en stierf op 22-jarige leeftijd in Florence. De jongste zoon Louis Hendrik Jan kwam mismaakt ter wereld; hij werd slechts zestien jaar. De goedige David Johannes was geen licht en had een minderwaardigheidscomplex. Op 30-jarige leeftijd schoot hij zich op het familiekantoor, in het toilet, door het hoofd. Van de zonen leefde zijn tweelingbroer, Johannes Emil, het langst. Emil was 74 toen hij in 1939 overleed. Helaas werd hij al vroeg zwakzinnig en moest ten slotte permanent bewaakt worden. Lichamelijk gezien ging het met de vier dochters beter. Ze trouwden allemaal, maar van twee hunner stierven de echtgenoten jong. bij alle misère met de kinderen kwam nog dat vader David van der Vliet zijn laatste vier levensjaren vrijwel verlamd was. Ondanks alles resideerde moeder Anna, uiterlijk ongebroken, als een grande dame op haar villa Duinlust (gekocht in 1828) in Overveen, helemaal in de stijl van grootmoeder Wed. W. Borski. Anna correspondeerde, in tegenstelling tot haar francofiele moeder, bij voorkeur in het Engels.
De jongste zus Willem III, Louise Cathérine Antoinette Borski (1832-1893), was zeker de kleurrijkste. Louky trouwde in 1854 met jonkheer Hendrik Maurits Jacobus van Loon. Willem II, te gierig voor bloemen, zorgde er wél voor dat zijn 22-jarige schoonzoon de opvolger werd van Arie van der Hoop, de grote baas van Hope & Co. Hoewel Hendrik toen nog geen enkele bankierservaring had, redde hij het heel aardig. Het jonge paar ging wonen op Herengracht 502, nu de ambtswoning van de burgemeester. Vlot achtereen werden er vijf kinderen geboren, maar toen hield Louky het voor gezien en liet in Doorn het huis Hyde Park bouwen, met liefst 73 kamers. (In de Tweede Wereldoorlog is het afgebrand.) Van Loon bleef op de Herengracht wonen. Aan twee kapitale huizen had mevrouw Van Loon niet genoeg; een groot deel van het jaar woonde ze in Cannes. Ze werd er het middelpunt van internationaal vermaak. Haar grote feesten werden uitvoerig besproken in Le Figaro en de New York Herald. In 1893 kwam het noodlottige einde. Toen ze per koets naar de kerk reed, sloegen de paarden op hol. Louky sprong eruit, maar kwam ongelukkig terecht. Acht dagen daarna overleed ze. Haar lijkwagen werd gevolgd door 60 koetsen. Later is ze herbegraven in Overveen.

Grondgebied nu openbaar
Na de dood van Willem Borski III werd de firma Wed. W. Borski omgedoopt tot Van Loon & Co. Die ging in 1937 op in Hope & Co., waarmee de firma al meer dan een eeuw verbonden was. In 1966 ontstond de Bank Mees & Hope, in 1975 overgenomen door de Algemene Bank Nederland.
Het uitgebreide grondgebied van de Borski’s en hun nazaten bleef grotendeels in familiebezit tot 1950. In dat jaar werd het leeuwedeel aan het rijk verkocht en heet sindsdien Nationaal Park De Kennemerduinen. Al eerder (1918) was na een onteigeningsprocedure dwars door het Borski-gebied de Zeeweg van Haarlem naar Bloemendaalse strand aangelegd. Elswout werd gemeentebezit en huisvestte tot voor kort de Zocherschool voor tuinbouwonderwijs.
 

Johanna Jacoba Borski - van de Velde. Het schilderij hangt in Museum Van Loon en is een kopie naar een schilderij van Nicolaas Pieneman (1809-1860).







 

Delen: